Preken C-Cyclus

prekenccyclus

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Tijdens mijn retraite deze week deed ik, een dagelijkse wandeling langs het klaverke vier  van de Postelse wandelpaden. Het is goed dat je de weg kan vinden dank zij de pijltjes die door mensen die je zijn voorgegaan op de bomen zijn aangebracht. Het geeft je het gevoel: ik ben op de goede weg. Het geeft ook de gelegenheid nog meer te genieten van de omgeving, van reeën die schichtig over de brandwegen springen en moeder ree die van op veilige afstand je onderzoekend aankijkt. De late herfstzon die door de bomenrijen zeeft en de stilte die nog hoorbaarder wordt door je voetstappen op het speldendeken en je schuifelen door de hoge bunt.

 

Ja, het is goed dat je niet zelf de weg moet zoeken: dat iemand hem is voorgegaan.

Zou het kerkelijke jaar dat vandaag begint ook niet zijn als een uitgestippelde wandeling langs ons levenspad. We moeten de weg niet zelf zoeken. Anderen zijn ons voorgegaan en hebben in de jungle van het moderne levensbos voor ons een weg uitgestippeld. Hier en daar staan er stapstenen langs de weg om ons de goede richting te tonen.

Vandaag beginnen we de vier weken durende tocht naar Kerstmis, het vredesfeest tussen mensen en tussen God en de mensen.

Hiermee sluit deze tocht aan bij het diepste verlangen dat in een mensenhart leeft: vrede en tevredenheid, sjaloom zegt de bijbel. Een sjaloom die ons wordt toegezegd, maar waarvoor wij ons tegelijk moeten inzetten.

 

Als je de lezingen van deze zondag goed beluisterd hebt dan kan je een dubbele boodschap horen.

 

1. Aan de ene kant: een belofte, hoop en toekomst.

Aan de andere kant: de opdracht op weg te durven gaan en nieuwe wegen te durven kiezen.

- Jeremia: Er komt een tijd dat ik de belofte vervul.

Jeruzalem zal veilig zijn en de stad zal heten: Heer, onze gerechtigheid.

God belooft vrede en gerechtigheid.

- Jezus: heeft het over rampen en schrikwekkende dingen, slechte tijden. Maar te midden dit alles staat de belofte: Wanneer dit alles zich begint te voltrekken richt u dan op en heft uw hoofden omhoog want uw verlossing komt nabij. De belofte blijft overeind.

 

2. Aan de andere kant horen we in de lezingen van vandaag ook een tweede gedachte: Trek weg… op weg gaan… niet vasthangen aan het verleden of het hebben.

Jezus waarschuwt: zorg ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt.

Afgestompte geesten: onverschilligheid. Mensen die onverschillig worden gaan niet meer op weg. Blijven vastzitten aan hier en nu. Zien niet meer wat er gebeurt of laten maar gebeuren. Meneer ’t is allemaal om zeep, of meneer waar dat gij u nog mee bezig houdt. Of erger nog: je laten drogeren door dronkenschap of de zorgen van het leven. Egoïsme en materialisme.

 

Onderzoek in Frankrijk: Waarom niet meer naar de mis?

La vie moderne! Het moderne leven! het wiegt de mens geestelijk in slaap. Het verslaaft de mens aan het materiële.

Weest waakzaam en bidt

Opweggaan vraagt waakzaamheid. Klaar staan voor wat te doen is en kan gedaan worden.
Bidt: bidden is niet alles overlaten aan God maar je antennen afstellen op Gods zender.

Geloofscrisis en gebedscrisis gaan hand in hand.

Als het ene verdwijnt, verdwijnt ook het andere. Bidden is voor ons geestelijk leven wat het ademhalen is voor het lichaam. Niet ademen leidt tot verstikking: niet bidden leidt tot verstikking van het geloof. De Adventtijd is een uitgelezen tijd om in het gezin, vooral jonge gezinnen te doen aan kleine huisliturgie, rond de Adventskrans, het Mariabeeld, de kerststal… een tijd voor uitdrukkelijk gezinsgebed.

 

Paulus voegt er nog iets aan toe:

Toenemen in de liefde voor elkaar en voor alle mensen

Wij kunnen nooit bij God aankomen zonder de anderen.

Daarom zal onze adventstocht naar God hand in hand moeten gaan met solidariteit met onze medemens.

 

Welzijnszorg met de slogan: “Dump de arme niet!” helpt ons daarbij.

Maria is het grote voorbeeld in deze adventtijd. Zij durft het aan ongebaande wegen met God te gaan. Zij durfde geloven in Gods belofte. Zo werd zij de moeder van het geloof.

Laten wij haar in deze adventstijd een bijzondere plaats geven in ons leven en in ons gezin.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Onlangs was ik op bezoek in de lagere school. Toen ik in een schrift keek van een jongetje van 10 jaar zag ik op de eerste bladzijde een heel lang adres staan. Peter Jansen, Kruisstraat 3 Hoogstraten, Prov.Antwerpen, België, Europa, aarde, Heelal. Wellicht hebben we allemaal als kind weleens zo’n wereldadres geschreven. Meteen voelt zo’n kind dat het in die grote wereld een heel eigen plaats heeft en dat hij de enige is die juist dit over zichzelf kan schrijven. Peter Jansen heeft een heel eigen plaats in de wereld. En hij heeft te maken met dit huis, die straat enz. Hij is er niet van los te maken.

 

Waarom vertel ik dit?

Omdat in het evangelie Lucas ook op die manier te werk gaat wanneer hij ons Johannes de Doper voorstelt.

God roept niet zo in ’t algemeen, neen, Hij spreekt heel concreet tot een welbepaalde mens op een welbepaald ogenblik in de geschiedenis.

In het vijftiende regeringsjaar, toen Pontius Pilatus landvoogd was, Herodes viervorst onder het hogepriesterschap van Annas en Kaifas. Toen kwam het woord van God over Johannes.

Lucas wil als het ware een contrast maken tussen die grote wereld van machthebbers, Wereldheersers en dat klein menske daar in de woestijn. Dat machteloos ventje want in de woestijn daar heb je geen enkel houvast. Je kan er zelfs geen weg maken want hij waait achter u weer dicht. “Jan van Peerken, uit de brousse of uit de hei zouden wij vandaag zeggen.

 

En dat kleine menske moet nu juist in die wereld die helemaal beheerst wordt door die machtigen een boodschap gaan brengen.

Gods woord kwam over hem, zegt Lucas. Gods woord overkomt hem. Zoals ne douche over u komt en u helemaal nat maakt, zo komt Gods woord over hem en grijpt hem helemaal aan. Kleine mens in de grote wereld.

 

Wij zouden ons wellicht afvragen: Kan dat wel?

Lucas verkondigt: Zo is het. Zo komt Gods woord over een mens. Ook nu nog. Daar waar je staat. Of je nu Johannes heet of Peter Jansen, het doet er niet toe.

Cardijn: zijn vader doodmoe, onder het stof van de kolen: “Ik word priester voor de arbeiders. Elke arbeider is een kind van God”. Gods woord kwam over hem.

Tijdens de uitvaart van een moeder van 10 kinderen: “Ik hoorde de priester zeggen wat die vrouw allemaal nog deed in de gemeenschap. Als die dat kan, dan moet ik ook iets doen in de gemeenschap”. Ze werd kernlid van een organisatie. Gods woord kwam over haar… kleine vrouw.

Gods woord komt tot een concrete mens.

 

Een tweede bedenking is wellicht: Wat kan ik toch beginnen, kleine mens van de boerenbuiten, in een klein land enz…

We zoeken graag uitvluchten en excuses om Gods woord niet te horen.

Collega: dat ge dat nu juist vraagt… “anders gere”.

Johannes was ook maar een kind uit de woestijn, kind van een machteloos volk in een landje waar Herodes baas speelde, in een kerk waar Annas en Kaifas het voor het zeggen hadden en waar Herodes baas speelde. Alle reden om te zeggen: mij niet gezien!

En toch durft Johannes antwoord geven. Hij roept de mensen op tot bekering. Wat de grote profeten gezegd hebben moet eindelijk eens gaan gebeuren.

God moet doortocht krijgen in onze wereld

We moeten er wat aan gaan doen: het trek-weg van Abraham

Dan zal je wat beleven: dan zal heel de wereld het heil zien van Gods wege

De redding die God zelf brengt. Gods belofte wordt herhaald.

Vrede door gerechtigheid. Glorie door vroomheid.

 

Vrienden, het evangelie is geen verhaal alleen uit het verleden: het is van alle tijden. Het zegt ons wat nu te doen valt, wat ons te wachten staat.

Nu zegt God tot mij en u… concrete mens: “Jan zoon van Zacharias… vul maar in.

Bekeert u! Begin een nieuw leven. Pak het eens anders aan.

Er zijn massa’s versperde wegen, vol kuilen en barricades. Ruim ze op.

Er zijn bergen van misverstand tussen mensen: slecht ze.

Er zijn kronkelwegen van onrecht en bedrog. Maak ze recht.

Wij moeten er wat aan doen. Wij moeten zoals Johannes vanuit onze kleinheid een tegenstroom op gang helpen die recht en liefde wil voor alle mensen.

Zou Welzijnszorg niet zo’n tegenstroom zijn: Samen armoede uitsluiten.

Laten wij ons in die stroom opnemen om zo vrede en gerechtigheid te brengen voor de minsten.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

1. Hoe moet het nu?

Met de groeiende werkloosheid? Duizenden in Vorst.

Met de groeiende problemen in jonge gezinnen. 80% van het geweld op kinderen gebeurt in het gezin.

Met de armen in onze samenleving: de kloof wordt groter.

Met de politiek in onze stad.

Met de situatie in Irak en het Midden Oosten.

Hoe moet het nu? Het is een vraag voor politiekers, maar ook de man in de straat heeft er zijn gedacht over. De anderen moeten het doen is vaak het antwoord.

 

2. De vraag die wij in het evangelie van vandaag horen luidt: “Wat moeten wij doen?”

Het is een vraag die gesteld wordt naar aanleiding van de prediking van Johannes de Doper. Zijn prediking gebeurt in een duidelijke crisissfeer. Hij kondigt de nakende ineenstorting aan van het bestaande bestel: God wil iets nieuws beginnen met de mens. Zijn optreden is nakend. Reeds ligt de bijl aan de wortel ven de boom. Elke boom die geen goede vrucht draagt, wordt omgekapt en in het vuur geworpen.

De mensen die naar de prediking luisteren, stellen de vraag: Wat moeten wij doen? Het is de eerste stap ook voor ons. De prediking is niet vrijblijvend. We kunnen ze niet enkel beluisteren: we moeten ons de vraag stellen: “Wat moeten wij doen?” Wat wordt van mij las christen verwacht in deze Adventstijd, in deze crisistijd.

Wij kunnen het evangelie niet beluisteren en blijven voortleven alsof er in ons leven en in onze maatschappij geen vuiltje aan de lucht is. Alsof er alles verloopt zoals God het bedoeld heeft.

Wij kunnen de oproep van Welzijnszorg: “Samen armoede uitsluiten” niet zomaar van ons afschuiven. We moeten ons de vraag stellen: wat moeten wij doen.

Deze eerst stap is geen gemakkelijke: want door de vraag te stellen erken je dat je ook iets te maken hebt met wat rondom ons gebeurt.

Wij horen ook antwoorden op de vraag die de toehoorders stellen.

Het treft mij dat wij niet te ver moeten gaan zoeken en dat ieder vanuit zijn eigen situatie een antwoord moet geven.

 

Wel geeft Johannes een drievoudige richting aan.

a. Het eerst antwoord is: tevreden zijn met wat je hebt. In een crisistijd moeten wij de wereld leren bekijken vanuit de zwaksten, zegt Welzijnszorg.

Waarom zijn we ontevreden? Omdat we vooral kijken naar de mensen die boven ons staan; die meer hebben of meer kunnen. Wanneer wij vanuit de zwaksten uit onze wereld naar onszelf kijken, zien we wellicht beter de waarden van de dingen die we bezitten. Misschien gaan wij dan zeggen: het is genoeg. Of zoals een gepensioneerde zei: “Eigenlijk kunnen we allemaal nog wat missen, zonder ongelukkig te zijn”.

 

b. Het tweede antwoord is: Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft en wie voedsel heeft laat hij hetzelfde doen. Solidariteit vooral met de zwaksten.

Niets wordt zo bedreigd in crisistijd dan de solidariteit onder de mensen. Ieder voor zich, pakken wat men te pakken kan, morgen is ’t gedaan. Zijn bezittingen veiligstellen zijn typische reacties van zelfbehoud en paniek in crisistijd. Solidariteit: Ja, als iedereen het doet of als men begint bij de sterksten.

Het evangelie stelt: een “vrijwillige “ solidariteit, iets meer doen dan wat gevraagd wordt. dat is typisch christelijk.

Vrouw op RVA Turnhout, ik wens niet langer te gaan stempelen. Mijn man heeft een behoorlijke wedde, 1 kind, we komen goed rond en ik ben toch niet van plan te gaan werken. Dus. Maar madammeke……Dat is een princiepskwestie: Ik wil geen geld van de gemeenschap als anderen het groter nodig hebben.

 

c. Het derde antwoord is: geen misbruik maken van je macht

Hij zegt het tot de soldaten en de tollenaars: ze zijn machtig door hun wapens en door hun meeheulen met de bezetter.

Positief betekent het: vanuit onze bevoorrechte positie moet onze aandacht en zorg op de eerste  plaats gaan naar degenen die in een zwakkere positie zitten. “macht gebruiken bij voorkeur voor de zwakkeren.

In een maatschappij de zwaksten niet tot hun recht laten komen staat in de bijbel gelijk met het verwerpen van Jahweh. Jezus zegt: “Wat gij niet gedaan hebt voor één van deze geringste, hebt gij ook niet voor Mij gedaan”.

 

Als je al deze dingen echt naar je eigen leven toetrekt dan lijkt het een hele opgave. Toch zegt het evangelie: Zo en met vele andere vermaningen verkondigde hij aan het volk de Blijde Boodschap!

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Overal waar je deze dagen komt is men druk in de weer met alles klaar te maken voor Kerstmis. De boom wordt binnengehaald, de lichtjes ontstoken en het stalleke geplaatst.
Ook in de liturgie worden we opgeroepen ons klaar te maken. De eerste kerststal moet ons hart zijn. Daar vooral moet er plaats gemaakt worden. Is het niet vanzelfsprekend dat enkele dagen voor de geboorte van een kind alle ogen zich richten op de moeder?
 

Zo is het ook in de liturgie van deze zondag: onze ogen worden gericht op Maria. Voor haar wordt het vierde Adventskaarsje ontstoken. Kaarsje van het bidden: bidden met Maria. Haar beeld staat in de Adventskrans.
Een moeder in verwachting" drukt wellicht het mooist de grondhouding uit van de mens in de Advent.
Wachten, zonder te zien, maar zeker zijn dat het komt, want ze weet: het kind groeit in haar, zeker en onstuitbaar. Maar ze kan het niet zien. Ze weet niet hoe het zal groeien, hoe het zal spreken en handelen. Hoe het zal eindigen.
Dit is de rijkdom van Maria's geloof: uitzien en wachten zonder te zien. Na zijn verrijzenis zal Jezus tot de leerlingen zeggen: Zalig die geloofd hebben, zonder te zien.
Maria is daarvan het oerbeeld. Elisabeth prijst haar Zalig. Zalig gij die geloofd hebt dat tot vervulling zal komen wat er vanwege de Heer gezegd is. Zoals Maria uitziet naar het kind, zo moeten we uitzien naar Kerstmis. Geloven dat het ons veel meer kan geven dan gezelligheid en lekker eten. Geloven dat God in ons leven wil binnentreden met zijn vrede en vreugde. Dat Hij in ons geboren wil worden. Bidden is de taal van het geloof spreken.
 

Ook staat de liturgie stil bij de plaats waar het kind zal geboren worden. Gij Bethlehem Efrata, het kleinste onder Judas geslachten. Uit u zal geboren worden, hij die over Israël moet heersen. Hiermede wordt aangegeven dat het kind een bescheiden plaats kiest om geboren te worden, zoals Hij heel zijn leven de minste plaats zal kiezen. Niet in het machtige Jeruzalem zal het gebeuren maar in Bethlehem, de bescheiden plaats. Kerstmis is het feest voor de gewone kleine mensen.
 

Zoals toen zo is het ook nu: de geboorte van het kind kan maar plaats vinden waar bescheidenheid aanwezig is. Ik ontmoette een man: hij zat volop in de miserie. Te midden van zijn ellende zei hij: "Er is maar een lichtpunt in mijn leven. Ik heb God terug gevonden".
God laat zich niet vinden in de pracht en de praal van het moderne Jeruzalem, maar in de bescheidenheid van het Bethlehem van onze wereld.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Kerstmis

De oude droom

 

Er was eens een droom

En die droom leek vervlogen

En hij scharrelde eenzaam en oud door de stad

Door vrienden van vroeger

Verloochend – bedrogen

Een karikatuur die zijn tijd had gehad.

 

En die stokoude droom

Ging langs deuren en huizen

Waar ooit hij het stralende middelpunt was,

Geliefd en aanbeden

Een held in ’t verleden

Met een kroon op zijn hoofd

En met vleugels van glas.

 

En hij nam me mee langs wegen van liefde

Tot hoog in de bergen

Naar toppen van kracht.

En het uitzicht daarboven

Was niet te geloven

Zo mooi en zo ver

En nog nooit zo gedacht.

 

Maar die stokoude droom

Zwerft nu door de straten

Verhongerd, vermagerd, verarmd en halfblind

En niemand heeft tijd om wat met ‘m te praten

Alleen af en toe

Nog een gek of een kind.

 

Dus als je hem tegenkomt

Eén dezer dagen

Haal hem in huis

Probeer het een keer

Geef ‘m een stoel

En dan moet je hem vragen:

“Hé, ouwe droom, hoe zat dat ook weer?”

  

Dat jij ons meenam

Langs wegen van liefde

Tot hoog in de bergen

Naar toppen van kracht

De wereld hervormen, de hemel bestormen

Met nieuwe ideeën

Nog niet eerder bedacht.

De stokoude droom

Heeft nog heel veel te geven

Hij heeft een geheim en dat zijn we soms kwijt

Maar hij zal ons allemaal ooit overleven

Hij is zo oud als de wereld

En zo jong als de tijd.

 

Maar je moet ‘m beschermen

Je moet ‘m verzorgen

Je moet m’ koesteren onder de zon

Je moet ‘m vertrouwen

En vandaag al of morgen

Dan weet je het weer

Waar het ooit om begon.

 

Dan neemt hij je weer mee

Langs wegen van liefde

Tot hoog in de bergen

Naar toppen van kracht

En daar zal dan blijken

Dat je verder kunt kijken

En hoger kunt reiken

Dan je ooit had gedacht.

 

Paul van Vliet, Waar waren we gebleven?

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Deze week gingen onze vormelingen ster-zingen voor de missies en vandaag bidden en geven wij voor de jonge kerken in Afrika.

Daardoor onderlijnen wij dat het feest van Driekoningen, in de liturgie het feest van de openbaring, een missiefeest is.

Inderdaad. De blijde boodschap van dit feest is dat God zich wil laten kennen, zich wil openbaren. Altijd weer opnieuw. Aan de mensen van alle tijden, aan de mensen van alle culturen.

Openbaren is niet enkel het meedelen van waarheden. Dan zou ons geloof enkel een soort filosofie zijn. Als God zich wil openbaren dan heeft dat te maken met zijn hele wezen. Zich openbaren, zich meedelen.

Misschien mogen we hier terug grijpen naar de schoonste momenten van ons menselijk bestaan; Een echt gesprek met je ouders of een vriend is veel meer dan wat waarheden die uitgewisseld worden. Het leert ons de hele mens kennen: Het was een echte openbaring.

 

Verliefdheid of liefde tussen mensen maken dat mensen voor elkaar een openbaring worden. Ze doen ons de hele mens kennen en spreken ook de hele mens aan.

Door zulke ontmoetingen groeit er een diepe verbondenheid tussen mensen.

Als God zich wil laten kennen komt hij niet uit de hemel gevallen. Hij komt tot ons met menselijke woorden, in menselijke tekens in de gestalte van een kind.

Dit betekent dat Gods openbaring vooraf gegaan is door menselijke ervaring. Het is alsof God zegt: er is veel meer te zien in de mens dan dat je oppervlakkig ziet.

 

Er is iets van Gods grootheid in de mens te vinden, vooral in de mens Jezus. Niet elke ervaring wordt een openbaring. Dit vraagt een juiste levenshouding. Het evangelie toont ons enkele levenshoudingen

 

a. De levenshouding van Herodes.

In Herodes zien we een mens die zich krampachtig vasthecht aan zichzelf. Die bang is om zichzelf te verliezen. Die geen concurrentie duldt. Het kind is voor hem een bedreiging. Gaat, en doe zorgvuldig navraag. Dan kan ook ik hem gaan aanbidden. Maar die koelbloedig mensen uit de weg ruimt. Soms kruipen wij in de levenshouding van Herodes.

In een gezin waar ouders en kinderen tegenover elkaar gaan staan en krampachtig vasthouden aan eigen idealen.

In een school of fabriek waar men schrik heeft om macht en gezag door te geven.

In een kerk waar angst leeft om mensen echte verantwoordelijkheid te geven;

Zulk een levenshouding is moordend: er is geen openbaring mogelijk.

 

b. De levenshouding van de geleerden

De geleerden van Jeruzalem wisten allemaal: Ze wisten het in de boeken staan. Ze konden het zelfs citeren en toch werd God voor hen geen openbaring.

Wij doen er ook aan mee als wij alles wit op zwart willen bewezen zien alvorens iets te aanvaarden.

Als wij ons achter theorieën schuilen en het concrete leven geen kans geven. Als wij vergadermensen zijn, die het allemaal mooi zeggen, maar het daarbij laten. Dan gebeurt er geen openbaring

 

c. Tenslotte is er de levenshouding van de Wijzen

Het zijn mensen die naar boven durven kijken, naar de hemel en zijn tekens, die thuis zijn in de nacht en zijn geheimen, die waken en uitzien naar de ster.

Het zijn mensen die oog hebben voor wat beneden ligt, voor de aarde en haar wegen. Mensen die het vertrouwde verlaten en opweg gaan. Ze zien tekens en vermoeden dat er nog meer te zien is dan zij tot nog toe zagen. Ze blijven zoeken ook als de ster verdwijnt. Ze durven geloven in de belofte. Ze durven neerknielen voor de grootheid van de andere en het beste van zichzelf prijsgeven.

Deze houding van ontvankelijkheid en openheid, gaf God de kans zich te openbaren. Ze werden andere mensen en vanuit de ontmoeting met God gingen ze langs andere wegen terug.

 

In deze dagen verkleden de kinderen zich als de drie wijzen en gaan opstap. Wij grote mensen doen dat niet meer. Wij zouden ons moeten bekleden met de levenshouding van de Wijzen: dan kan God zich ook aan ons openbaren en zullen wij langs andere wegen terug keren naar ons leven.

Laten wij met die houding vandaag hier de Heer ontmoeten; Amen

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Wanneer ik deze dagen bij de mensen kom, hoor ik weleens: Ik ben blij dat die feestdagen weer voorbij zijn. Er gaat toch niets boven het gewone leven, zonder al die drukte en al dat eten en drinken.

Ook in de kerk beginnen vandaag de gewone zondagen door het jaar: gewone zondagen; zondagen zonder franjes. Zo zou je tenminste denken. Maar je komt bedrogen uit want uitgerekend op deze gewone zondag door het jaar hoorden we twee lezingen met een uitgesproken feestelijk karakter. Allebei hebben ze het over het vieren van een huwelijk.

 

- De profeet Jesaia kondigt het verbond van God met zijn volk aan als een bruiloftsfeest. Zoals een jongen zijn meisje trouwt zo zal God u trouwen. Zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zo zal God zich verheugen in u;

God zal met de mensen trouwen. Is dat geen mooi beeld om te zeggen dat God begaan is met het wel en wee van de mensen, met het geluk van de mensen.

 

- En in het evangelie wordt ons met een mooi bruiloftsverhaal gezegd: In Jezus wordt deze voorspelling van Jesaia werkelijkheid. Eigenlijk gaat het in dit verhaal niet op de eerste plaats over dat jong koppel dat getrouwd is. Ze worden zelfs niet met name genoemd. Eigenlijk gaat het vooral over de gasten: Jezus, Maria en de leerlingen. Het bruiloftsfeest van die twee jonge mensen wordt door Johannes gebruikt om te spreken over een ander bruiloftsfeest: het trouwfeest van Jezus met de mensen. In Jezus, zijn zoon, sluit God zijn huwelijksverbond met de mensen. In Jezus kiest God zijn volk en dat zijn ook wij, tot zijn bruid.

Johannes noemt het gebeuren te Cana niet een wonder maar een teken…. een teken verwijst altijd naar iets anders.

 

- “Zo maakte Jezus te Cana in Galilea een begin met de tekenen en openbaarde zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden in hem”. Johannes wil zijn lezers en toehoorders duidelijk maken:

Jezus veranderde niet alleen water in wijn maar met Jezus wordt het leven veranderd  van water in wijn. Met Jezus krijgt het leven een hogere kwaliteit, een diepere betekenis, een betere smaak en schonere kleur.

 

Voor ons is wijn wellicht nog niet zo belangrijk. Voor een oosterling is wijn een bestanddeel van zijn dagelijks voedsel. Leven zonder wijn is geen leven. Goede wijn is de maatstaf van zijn levensstandaard. Wanneer de wijn ontbreekt, verflenst het leven. De profeten voorspelden dan ook: Als de Messias komt zal er een nooit geziene voorraad wijn zijn en van de beste kwaliteit en hij zal gratis geschonken worden. Wijn is leven!

We kunnen dan ook de ontgoocheling begrijpen van het jonge koppel en de familie toen de wijn opraakte. Het levensfeest dreigt te mislukken. De mooiste dag van hun leven wordt een ramp. Er is geen wijn meer en nog zoveel dorstige kelen. Wat een noodsituatie!

 

Dan komt Jezus tussen. Hij vertrekt van wat de mensen nog hebben, kruiken en water. De mens moet zijn deel doen. Hij laat ze vullen, uitscheppen en naar de tafelmeester brengen.

In de refter van het seminarie waar ik s’ middags wel eens ga eten hangt een groot schilderij van de bruiloft van Cana. Je ziet de tafelmeester met een mooie romer wijn toosten. Er spreekt verwondering uit zijn ogen. Hij lijkt te zeggen: Est bonum in codore, in odore, in sapore. Goed van kleur, goed van geur, goed van saveur. Dat is de nieuwe wijn. Chateau de Jesus. Alle andere wijn die er nog was wordt opzij gezet en alleen de Chateau de Jesus wordt nog geschonken. En hij raakt niet op.

Grote vreugde bij de mensen! Vragende verwondering! Zou met Jezus misschien de Messiaanse tijd aangebroken zijn? Misschien is Hijzelf wel de nieuwe wijn. De smaakgever van het leven.

“En zijn leerlingen geloofden in Hem”.

 

Durven wij ook geloven dat – als je Jezus op je levensfeest aanwezig laat en doet al wat hij je zeggen zal, dat dan de wijn nooit zal ontbreken.

Dan zal het alledaagse leven, waar alles wat verwaterd is toch smaakvol en genietbaar blijven door de aanwezigheid van de goede levenswijn van Jezus, door de smaak die hij geeft aan ons leven.

 

Deze week bezocht ik een vrouw van 95 jaar, vroeger vriendin van mijn moeder. Voor ik wegging, bad ik met haar nog een weesgegroet. Ik was verrast door haar reactie: Nu heb ik met ne priester ne weesgegroet mogen bidden. Dat geeft moed. Zij schonk mij een borreltje. Ik had haar blijkbaar een beetje Chateau de Jesus gegeven.

Dat gaf moed!

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Er waren eens drie blinden die een olifant ontmoetten en hem betastten:

De eerste betastte de slurf en zei: “Een olifant lijkt op een slang”.

De tweede voelde de poten en zei: “Welnee, volgens mij lijkt een olifant helemaal niet op een slang. Hij lijkt veel meer op de zuilen van de Tempel”.

Maar de derde betastte de oren en zei: “Jullie zijn allebei mis. Een olifant lijkt op een groot blad van een woekerplant in het bos”.

Ze begonnen ruzie te maken. Ieder beweerde dat hij gelijk had. Toen ze elkaar te lijf wilden gaan gingen plots hun ogen open. Daar stond de olifant.

Ze werden beschaamd, bogen het hoofd want elkeen zag zijn klein stukje gelijk en zijn groot stuk ongelijk.

Zou het zo ook niet vaak onder de mensen zijn. Wij zien een stukje van de waarheid en menen heel de waarheid te zien en we gaan mekaar te lijf, we maken ruzie soms jarenlang omdat we gelijk hebben of menen gelijk te hebben. Vaak zijn mensen als de drie blinden uit het verhaal. Ze zien slechts een stukje van de waarheid.

 

Zo is het vele eeuwen geweest tussen de christenen van de verschillende kerken. Ze beweerden allen de volle waarheid te hebben en gingen elkaar in naam van de waarheid in woord en daad te lijf. In onze eeuw en vooral de laatste jaren is hierin verandering gekomen. Er is een beweging ontstaan die opzoek is naar eenheid. Oecumenische beweging. De veiligste weg om tot christelijke eenheid te groeien is de weg naar de bijbel.

De H. Schrift, zowel het oude testament als het nieuwe testament is geheel geïnspireerd door de gedachte van eenheid. Het hoofdthema van het boek der boeken is immers de verzoening tussen God en de mensen en tussen de mensen onderling.

En wat is verzoenen anders dan bijeen brengen van wie uit elkaar zijn gegroeid. Zo naar elkaar toegroeien dat ze elkaar zoenen. Daarom kan men de bijbel met recht het boek van de christelijke eenheid noemen. Hij biedt de meest authentieke en veiligste norm voor het werk van de hereniging. Daar moeten we gaan zien hoe het nu moet; welke de eenheid is die God in Christus naam van ons verwacht.

Daarom luisteren we samen naar de schrift.

 

In de tweede lezing vergelijkt Paulus de christelijke gemeenschap met het menselijk lichaam.

 

1. Het lichaam bestaat uit vele ledematen die heel verscheiden zijn. Al deze ledematen hebben hun eigen taak en bijdrage te leveren. Het lichaam zal zich maar goed voelen als elk lidmaat zijn eigen taak vervult. Hoe klein of bescheiden deze ook lijkt te zijn. Eenheid bestaat dus niet uit eenvormigheid, maar kan best samengaan met verscheidenheid. De kerk moet ruim zijn, zo ruim als de wereld. Er moet plaats zijn voor alle mensen en culturen.

 

2. De verscheidenheid moet gericht staan op eenheid en samenwerking. Augustinus gaf hier een gulden regel. We moeten streven naar eenheid in het wezenlijke, vrijheid in het overige en in alles de liefde.

 

Echte oecumene begint in ons dagelijks leven, ten opzichte van de mensen met wie we dagelijks samen leven. Daar moeten we aandacht hebben voor de verscheidenheid en streven naar eenheid in deze verscheidenheid. Moge onze eenheid met de Heer uitgroeien tot eenheid onder elkaar

 

De verschillende kerken zijn heel wat bescheidener geworden waar het gaat over de waarheid of de ware kerk. Men ziet de waarheid als een dynamische werkelijkheid, als een nooit voltooide opgave. Men kan de waarheid zomaar niet in pacht hebben. Zij is geen monopolie van een bepaalde kerkgemeenschap, ook niet van de R.K. kerk. Ook wij zijn nog niet de volmaakte kerk zonder vlek of rimpel. De ware kerk is de kerk zoals Christus ze gewild heeft. Tot deze kerk moeten wij ons allen bekeren vooral in gebed en evangelisch leven.

Hieruit volgt dat wij het werk van de hereniging niet moeten zien als het sluiten van een compromis, noch als een terugkeer tot de R.K.kerk maar wel als de vrucht van een innerlijke en uiterlijke bekering van alle christenen tot de waarheid die Christus is.

 

Zo is het ook vaak in ons dagelijks leven.

Als er tussen mensen onenigheid ontstaat dan is het vaak zo dat men in ’t begin denkt: ik heb gelijk, de andere heeft ongelijk. Na een zekere tijd begint men in te zien dat ikzelf ook wel een beetje ongelijk heb en de andere een beetje gelijk.

Als zij op dat moment de bescheidenheid durven opbrengen om in te zien dat zij door hun ruzie een veel groter waarde van de familie-eenheid aan het verspelen zijn, dan zijn zij op weg om te groeien naar een diepere eenheid. Een houding van bescheidenheid is een spoor dat leidt tot eenheid.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Elke mis, een trouwmis.

 

We hoorden als eerste lezing het Hooglied van de Liefde uit de brief van Paulus. Wij zijn gewoon deze lezing vooral in verband te zien met huwelijk en gezin. Heel wat koppeltjes die in de kerk trouwen kiezen deze lezing voor hun huwelijksviering.

In de brief van Paulus is deze brief gericht op de gemeenschap van Corinthe. Aan de parochie van de stad Corinthe.

Paulus spreekt daarin over de kerk als een menselijk lichaam. Zoals er vele ledematen zijn in het lichaam: zo zijn er vele taken in de kerk. Elke taak is belangrijk en onmisbaar. Maar het belangrijkste is dat er een onderlinge liefde heerst in die parochie.

Er waren veel talenten in de parochie van Corinthe: maar er was ook nogal wat verdeeldheid. Daartegen reageert Paulus.

 

Er zijn mensen die het goed kunnen zeggen, en dat is belangrijk. Er zijn profetische figuren: mensen die als het ware aanvoelen wat er nodig is voor de dag van morgen en dat is onmisbaar. Tenslotte zijn er de harde werkers… die zich afsloven….de mensen die niet veel zeggen, maar het doen. Ze zijn onschatbaar.

Alle drie zijn ze onmisbaar voor een parochie maar toch, zegt Paulus, alles wat deze mensen doen zal maar echt ten goede komen aan de gemeenschap als deze gedragen worden door de liefde. De liefde is de hoogste gave! Paulus roept ieder van ons op:

Durf beseffen dat ieder van ons een taak heeft in de parochie

Durf uw talenten ten dienste stellen van de gemeenschap

Laten we vooral bezorgd zijn om de onderlinge liefde bij alles wat we doen.

 

Vandaag staan jongeren aan de kerk voor de Damiaanactie. Is Damiaan, iemand uit ons land niet een levend voorbeeld van deze liefde waarover Paulus spreekt.

Liefde is een groot woord en het wordt te pas en te onpas gebruikt en misbruikt. Als Paulus de liefde beschrijft dan vind je er telkens deze kentrek in terug. Liefde heeft alles te maken met het mysterie van de graankorrel, dat uit sterven leven komt.

Pater Damiaan heeft dat gedurfd en gedaan:

Hij ging met zijn bisschop op bezoek naar Molokai om koeien en melaatsen af te leveren. Hij kon zijn ogen niet geloven wanneer zij op de landingsplaats aankwamen. Zoveel ellende. Mensen die de bisschop smeekten om iemand die bij hen wilde blijven. Een priester die hen kon leren wie ze zijn en hoe ze moeten leven. Niet iemand die eventjes op bezoek komt, maar een priester die mag blijven. En Damiaan smeekt zijn bisschop om te mogen blijven. Het heeft veel moeite gekost om te kunnen blijven. Het gezond verstand vindt zoveel redenen om te zeggen dat het niet kan, dat het niet mag, dat het onverantwoord is. Alleen God kon dit als een vraag en verlangen in het hart van een mens leggen. Pater Damiaan is gebleven, voor altijd. Hij is als melaatse gestorven, maar hij leeft verder als de voorvechter voor melaatsen, tbc, aids-patiënten, drugverslaafde enz. Hij roept ook ons op tot solidariteit voor alle uitgestotenen in onze wereld.

 

Tenslotte is er een derde belangrijke gedachte in deze lezing. Liefde is een gave, zegt Paulus; de Hoogste gave.

Ik hoor daarin: liefde moet je geschonken worden. Je kan niemand verplichten lief te hebben. Je moet ze eerst zelf ontvangen hebben om ze te kunnen geven. Liefde heeft iets goddelijks. God is liefde zegt St. Jan. In Jezus is Gods liefde tastbaar geworden en zichtbaar aanwezig. In de mate we Jezus in ons binnen laten, in die mate wordt Gods liefde bron van liefde in ons leven.

 

We kunnen het woordje “liefde” vervangen door het woordje Jezus. Dan klinkt deze lezing anders. Het wordt nog concreter en een hele opgave wanneer je het woordje liefde vervangt door je eigen naam. Dan wordt de liefde onze levenswet.

In de eucharistie wordt dit telkens gevierd. Ons leven van brood en wijn, werk, vreugde en verdriet, wordt doordrongen met de levenskracht van Jezus zelf. Elke mis is een trouwmis.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Geroepen!

 

1. Er loopt een rode draad door de lezingen van vandaag. Alle drie gaan ze over de roeping van mensen. Jesaia, Paulus en Petrus. Een vrome man, een kerkvervolger, een visser. Hun verhaal leert ons hoe God ook nu nog mensen aanspreekt en roept.

Alle drie hebben zij God ontmoet op een bepaalde plaats

- Jesaia tijdens een grootse viering in de tempel.

- Paulus op de weg naar Damascus: op een dwaalweg

- Petrus bij de visvangst: bij het dagelijks werk.

 

2. Alle drie komen zij tot het besef dat ze onwaardig zijn voor die taak.

- Wee mij want ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen.

- Het laatst is Jezus aan mij verschenen. Ik een misgeboorte. Mislukt geval zouden wij zeggen.

- Ik ben niet waard apostel te worden

- En Petrus viel Jezus te voet en zei: “Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens”.

Alle drie nemen zij hun taak op zich vanuit het besef: God roept mij.

 

Jesaia zegt: “Hier ben ik. Zend mij”.

Paulus getuigt: door de genade ben ik wat ik ben. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen: niet ik maar de genade van God in mij.

 

En toen Jezus tot Simon zei: “Weest niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen; was zijn antwoord duidelijk. Zij brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.

Het eerste wat deze verhalen duidelijk maken is dat God op vele plaatsen de mens kan aanspreken. Gods roepstem laat zich op verschillende plaatsen horen.

Voor Jesaia was het de tempel, voor Paulus onderweg, voor Petrus tijdens het vissen.

Toen ik enkele weken geleden op zoek was naar doopcatechisten heb ik dat ondervonden. Ik kwam bij een moeder om haar aan te spreken om doopcatechist te worden. Ze zei onmiddellijk “ja”! Ik hoorde dat zondag afroepen in de kerk en er was iets in mij dat zei: zou dat niets voor mij zijn. En dus ze deed het.

Een ander moeder was juist bezig haar kleinste kindje te verzorgen. “Mijn kindjes, zei ze, dat is voor mij alles”. Toen kwam ik met mijn vraag. Zou je ook iets willen doen voor andere kindjes? En ja, ze deed het. Ze werd geroepen te midden van haar werk. Zo deed God vroeger reeds, zo doet hij ook nu nog.

Het tweede dat mij opvalt is dat de 3 geroepenen uit de lezingen zich hoegenaamd niet als helden voelen. Integendeel: ze zijn er zich heel goed van bewust dat ze maar mensen zijn. Ja, zwakke zondige mensen. De eer ligt helemaal niet aan hun kant.

Ik denk dat dit ook nu nog zo is. Meermaals hoorde ik de bedenking

“Dat je mij daarvoor komt vragen”.

“Denk je dat ik dat zal kunnen”.

“Ik ben niet zo’n goeie katholiek, zei een ander”.

Ik denk dat dat een heel evangelische houding is: dat we bewust zijn dat we eigenlijk te klein zijn voor de taak waartoe God ons roept. Op uw woord, zegt Petrus, wil ik het proberen.

In Gods rijk ligt de bron van onze mogelijkheden bij God, niet bij de mens. De diepste kracht van de geroepene ligt bij God.

Het is goed dat wij ons dit steeds bewust blijven. Het spoort ons aan tot bescheidenheid, maar ook tot vertrouwen. Dank zij God ben ik tot meer in staat dan ik durf vermoeden.

Op de derde plaats vraagt God om een duidelijk antwoord op zijn uitnodiging. De mens staat vrij tegenover God. Hij dwingt niemand. Hij nodigt uit.

Zo zien we dat mensen ingaan op de uitnodiging terwijl anderen ze afwijzen.

Jesaia zegt: “Hier ben ik. Zend mij”.

Paulus getuigt: Door de genade ben ik wat ik ben.

Petrus bracht de boten aan land en laat alles achter om Hem te volgen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

We hoorden telkens en scherpe tegenstelling:

Jeremia

Vervloekt is hij die alleen op mensen vertrouwt.

Gezegend is hij die op God vertrouwt.

 

Paulus

Beklagenswaardig zijn wij als God Jezus niet heeft opgewekt.

Mensen van hoop zijn wij als God Jezus heeft doen verrijzen.

 

Jezus

Zalig zijt gij die arm zijt in de ogen van God.

Wee u, gij die rijk zijt in de ogen van God.

 

En telkens staat tussen deze tegenstellingen hetzelfde woord: nl. God.

Wie droomt er niet van dat zijn leven zal zijn als een levenskrachtige boom aan een rivier, die veel vrucht draagt. De profeet wijst de weg er naartoe. Vertrouw op de Heer en weet u veilig bij Hem.

Kunnen vertrouwen en durven vertrouwen op God is een bron van levenskracht. Dit woord kan ons nog bekoren.

 

1. Vervloekt is hij die enkel op mensen vertrouwt en zich afkeert van God. Hij is een kale struik in de steppe, dor en onvruchtbaar. Dit woord van de profeet komt hard aan voor de moderne mens waar alles op de mens gericht is en de mens bij machte lijkt alles te programmeren en computer vast te sturen. Voor die generatie lijkt het al maar moeilijker zijn oervertrouwen te verankeren in een bestaan voorbij de mens.

En toch! De feiten die op onze dagen gebeuren wijzen erop dat onze wereld nood heeft aan een fundament dat groter is dan de mens. Een fundament dat niet aan tijd en cultuur gebonden is. Zonder God verliest de mens zijn diepste fundament om zijn leven op te bouwen.

 

2. Met Paulus gaan we een stap verder.

Ons vertrouwen op God is niet alleen een waarborg voor de menselijkheid in deze wereld. Het is ook een waarborg voor de zin van het leven tot over de dood. Onze hoop en vertrouwen op God geldt niet alleen voor dit leven maar reikt tot over de dood. De verrijzenis van Jezus is hiervan de waarborg. Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hadden gevestigd, dan zijn we de beklagenswaardigste mensen zegt Paulus. Maar zo is het niet. Hij is door God opgewekt als eersteling van hen die zijn ontslapen.

 

3. Wanneer Jezus tot de mensen zegt:

Zalig gij die arm zijt, prijst hij niet de armoede als dusdanig maar wil hij mensen bevestigen die in de wereld niet meer meetellen. Voor mij mag je er zijn, ondanks je armoede. Zelfs met je armoede. In het Rijk Gods kijkt men anders naar de mensen. Arme mensen kunnen vaak nog rijke mensen zijn.

Een man van in de 80 zei mij eens: “Waar kun je als oude mens nog naartoe, waar ben je nog welkom? In de kerk ben je nog welkom: daar kan je nog naartoe”.

Als Jezus zegt: “Wee u rijken”: dan heeft hij het niet tegen de rijkdom als dusdanig maar tegen de mens die omwille van zijn rijkdom zich opsluit in zelfgenoegzaamheid en egoïsme.

Ik tel je niet volgens je portemonnee of de grootte van je villa of de duurte van je wagen. “Sukkelaar” zegt Jezus, “als je alleen daarin je eigenwaarde zoekt. Je diepste gelukshonger zal niet verzadigd zijn”.

 

Besluitend kunnen wij zeggen:

Wie op God vertrouwt staat anders in het leven.

Wie in Christus gelooft kijkt anders naar de toekomst.

Wie de spirit van God heeft kijkt anders naar de mensen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Palestijn rijdt met zijn auto in een groep wachtende Israëliërs. 9 doden; Israëlische soldaten vermoorden een lijfwacht als vergelding. Zulke berichten horen we bijna dagelijks uit het midden Oosten.

Geweld roept geweld op. Een aanslag van de enen worden met nog grotere wraakacties beantwoord. We weten dat het alleen maar tot escalatie van het geweld leidt en toch kan de mens moeilijk een andere kant op.

 

In de lezingen van vandaag worden we uitgenodigd de andere kant op te gaan. We hebben de keuze: ofwel de weg ten leven ofwel de weg ten dode. De eerste lezing gaf een mooi voorbeeld dat het anders kan.

Koning Saul is in ongenade gevallen bij God en de mensen. David wordt zijn opvolger en is zeer gezien bij de mensen.

Koning Saul is nijdig en hij is op zoek om David zijn rivaal te vermoorden. David vlucht naar de woestijn. Saul achtervolgt hem met 3000 soldaten. Ze slaan hun kamp op.

's Nachts sluipt David en zijn lijfwacht het kamp van Saul binnen tot in diens tent. Daar ligt Saul te slapen. Zijn lans en een waterkruik staan aan zijn hoofdeinde. Dit is de kans van uw leven zegt de lijfwacht tot David. Je kan hem met zijn eigen lans aan de grond priemen. Een stoot en hij is er geweest.

Wat doet David? Hij weigert zijn rivaal te doden maar neemt de lans en de kruik mee. De waterkruik teken van zijn overleven in de woestijn. De lans teken van zijn macht.

David handelt hier niet zoals de meesten in deze wereld zouden doen. Vanuit louter menselijke overwegingen had hij de gelegenheid bij uitstek om Saul te overmeesteren niet mogen laten voorbijgaan. Maar David gelooft in God en hij vertrouwt de toekomstbelofte van God meer dan zijn menselijke kansen.

David die zijn vijand spaart is een voorloper van Jezus die zegt dat je de vijand moet liefhebben.

 

“Bemin uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen. Wees barmhartig zoals uw vader barmhartig is”.

Jezus brengt de liefde tot de vijand uitdrukkelijk in verband met God. Daarmee wil hij zeggen: tot zulk een levenshouding kom je niet vanuit menselijke, aardse redenering, maar alleen als wij ons ten volle aanvaard weten door God. Alleen als wij ons aanvaard weten door God, met al ons kwaad, zullen wij ook onze medemens kunnen aanvaarden met al zijn kwaad.

Hij heeft het niet bij woorden gelaten. Hij heeft het met daden bewezen. Toen boze mensen hem aan het kruis sloegen en hem ineen paar uur tijd doodfolterden was zijn laatste zucht: “Vader, vergeef het hun”. En aan de goede moordenaar beloofde Hij: Vandaag nog zult ge met mij zijn in het paradijs”. Hij doorbreekt de oude maatstaf: “Oog om oog, tand om tand”. Keihard.

Hij neemt als maatstaf: de manier van handelen van God zelf.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Met Aswoensdag begint in de kerk de veertigdagentijd. Oudere mensen spreken over vastentijd. Voor hen was dat vanzelfsprekend een boetetijd. Jongeren vragen wellicht nieuwsgierig wat boete is. Van Broederlijk delen tijdens de veertigdagentijd hebben ze gehoord. Sedert 40 jaar is het ingeburgerd. “Anders gaan leven” hoort men ook hier en daar. Het vasten gedurende de “ramadan” van onze Islamitische gastarbeiders kennen velen ook. Maar boeten, wat is dat?

 

Dit alles heeft voor de meesten op de eerste plaats een negatieve bijklank. Boeten is zich iets ontzeggen of gestraft worden, het is zichzelf kwellen. Deze bijklank op zich heeft zijn waarde, maar dan als bijklank. Wanneer hij een hoofdklank wordt, is het moeilijker te onderkennen waar- het juist om gaat.

 

Als eerste betekenis van het werkwoord “boeten” geven de woordenboeken: “Herstellen, aanvullen, genezen, redden, herstellen van iets dat gescheurd is”. Pas nadien volgen de negatieve betekenissen die in heel wat oren de eerst positieve betekenis hebben verdrongen: “Gestraft worden, zich straffen, pijn doen of pijn hebben”. De eerste betekenis van het werkwoord boeten wordt verduidelijkt door een voorbeeld: visnetten boeten. Na ieder thuiskomst “boeten de vissers hun netten”, ze herstellen hun netten, ze kijken ze na op mogelijke breuken, scheuren of zwakke plekken. Met deze betekenis komen we in de sfeer van de onderlinge relaties, van het netwerk van verbindingen dat een mensenleven op veelvuldige wijze samenhoudt.

 

Relaties boeten wil dan zeggen: relaties herstellen, of beter nog, ze nazien op mogelijke zwakke plekken of breuken. Liefst wordt hier preventief gewerkt om later niet nog meer breuken te moeten herstellen. God, de medemens en de dingen, dat zijn de levensrelaties voor een mens.

 

De veertigdagentijd is inderdaad een boetetijd. Hij biedt de kans om de drie fundamentele levensdraden te herstellen of te versterken, zodat de mensen weer in éénklank kunnen leven met hun God, met hun medemensen, met de dingen, en tenslotte met zichzelf. Bidden, vasten en aalmoezen geven is het traditionele drietal waardoor de Kerk de mensen wil terug brengen naar hun authentieke bronnen; Veertig dagen duurt de vasten, ieder jaar weer opnieuw, veertig dagen om er geen enkele van te missen.

 

JVdV

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Vandaag zijn we met Jezus op de Taborberg. Jezus bestijgt de Taborberg om te bidden zegt Lucas.

 

“Bidden verandert de mens”. Wat Jezus al biddend meemaakt beschrijft de Bijbel in zichtbare tekens. Terwijl Hij aan het bidden is veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. Er gaat als het ware een innerlijk licht op in Hem en doorstraalt Hem als het ware helemaal. In zijn gebed staat Jezus als het ware in Gods licht en ziet Hij beter welk zijn roeping is en zijn levensopdracht. Twee mannen praten met hem: Mozes en Elia. Twee grote figuren uit Israëls geschiedenis. Hun aanwezigheid moet duidelijk maken dat Jezus opdracht in het verlengde licht van Mozes en Elia. Jezus zal de weg naar Jeruzalem gaan. Een lange weg zal het zijn en een eenzame weg, want de leerlingen kunnen hem niet goed volgen. Jezus moet aan Mozes denken. Hij had het ook moeilijk om zijn volk te leiden door de woestijn naar het beloofde land. Hij moest voor Jezus een steun zijn om het vol te houden.

 

Ook de profeet Elia had het moeilijk om het vol te houden te midden van een volk dat niet wilde luisteren. Op een bepaald moment ging hij moedeloos onder een bremstruik liggen en vroeg aan God om te mogen sterven. Jezus denkt in zijn gebed aan die twee figuren. Ze komen als het ware naast hem staan om te zeggen: Hou vol. Wij staan naast u en onze God is ook uw God. “Bidden verandert de mens”.

 

Jezus moet de nieuwe Mozes zijn en profeet zoals Elia. En ze spreken met hem over zijn heengaan dat zich in Jeruzalem zou voltrekken. Geen gezellig onderonsje. Al biddend ontdekt Jezus wat hem allemaal zal te wachten staan in Jeruzalem. Daar zal de grote en pijnlijke confrontatie plaats hebben. In de openbaring die Jezus ontvangt tijdens zijn gebed wordt voor hem duidelijk welk zijn roeping en levensopdracht is.

Ook voor de leerlingen wordt dit gebeuren een ingrijpend gebeuren. Als Jezus aan het bidden is vallen de leerlingen in ’t slaap, zo is het hier, zo zal het ook zijn als Jezus in de Hof van Olijven in zijn doodstrijd aan het bidden is. Dezelfde drie zijn bij hem en vallen in slaap.

 

Hier worden ze wakker. We horen Petrus bidden: een kreet uit het hart. Meester, het is goed dat wij hier zijn!... een mooi gebed; Heer, ik ben blij dat ik hier mag zijn. Bij u op deze berg, in deze kerk.  Hij wil dit zalige moment vasthouden, laten duren in zijn leven.

Maar ook zij ontvangen hun roeping: uit de wolk, de plaats waar God woont klinkt de stem: “Dit is mijn zoon, de uitverkorene, luister naar Hem”.

 

Jezus in zijn ware grootheid zien en naar hem luisteren. Dat zal hun verdere opdracht zijn.. een zware opdracht zeker als men in Jeruzalem de grote confrontatie zal meemaken. De leerlingen krijgen een voorsmaak van Pasen opdat zij Jezus zouden durven volgen op zijn tocht naar Jeruzalem.

 

Wat betekent dit voor ons:

- Wij worden uitgenodigd in deze vastentijd, de stilte op te zoeken om met Jezus te vertoeven in het gebed. Het portaal van de kerk is elke dag open voor een kort Tabormoment in ons leven.

- Dit verhaal leert ons de zin van het gebed.

 

Het gebed verandert de wereld niet, maar het gebed verandert de mens en de veranderde mens verandert de wereld.

Germaine: ik ben blij dat ik een geloof heb en dat ik kan bidden: dat helpt mij om anders om te gaan met het sterven van mijn man, met mijn medemensen. Zelfs sociologen onderlijnen de band tussen welbehagen en geloof. Gelovige mensen zijn minder verzuurd, zijn tevredener en zij die pratikeren zijn verdraagzamer en hebben een groter vertrouwen.

 

Bidden is luisteren naar Jezus “Luister naar Hem”, zegt de stem. Voor moderne mensen is het niet simpel een Taborberg te vinden in hun drukke leven en daarom zo moeilijk om te bidden. Dat drukt de priesterdichter G. Gezelle uit in een volgend gedicht:

 

Gij badt op ene berg.

Gij badt op ene berg alleen

en… Jezu, ik en vind er geen

waar ‘k hoog genoeg kan klimmen

om u alleen te vinden:

de wereld wil mij achterna, alwaar ik ga of sta

of ooit mijn ogen sla

en arm als ik en is er geen,

geen een,

die nood hebbe en niet klagen kan

die honger en niet vragen kan

die pijne en niet gewagen kan

hoe zeer het doet!

O leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet.

 

Laten we deze week eens proberen tijd te maken voor stilte en gebed thuis of in de kerk.

 

Bidden verandert de wereld niet

Bidden verandert de mens

De veranderde mens verandert de wereld

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Het mooiste moment in de lagere school was de vrijdagnamiddag het laatste half uur, dan hadden wij gewijde geschiedenis. Over Abraham, Isaac en Jacob en Mozes.

Het waren boeiende verhalen waar je elk jaar opnieuw naar kon luisteren. Ik herinner mij dat ik die verhalen als kind in mijn verbeelding plaatste in de streek waar ik woonde. Zo speelde het verhaal van de brandende braambos zich af in een dicht begroeide heggekant waar ik als kind weleens doornbessen ging plukken. Pas veel later heb ik ontdekt dat die verhalen een blijvende betekenis hebben en daarom altijd weer opnieuw kunnen verteld worden. Vandaag wil ik jullie het verhaal van Mozes vertellen.

 

1. Mozes was een sociaal bewogen man. Als arm kind van het slavenvolk der Hebreeërs werd hij ontdekt in zijn mandje aan de kant van de Nijl en door de dochter van de Farao aangenomen als haar kind. Zo komt hij in de rijke wereld van de Farao terecht. Wat een geluksvogel zou je zeggen. Hij zal niets te kort hebben.

En toch…. toen hij opgegroeid was neemt hij opnieuw contact op met zijn volk en hij was getuige van de dwangarbeid die zij moesten verrichten. Op een dag ziet hij hoe een Egyptenaar een Hebreeër neersloeg, “een van zijn broeders”, zegt de bijbel. Hij kijkt rond of iemand in de buurt is en slaat de Egyptenaar neer en verbergt het lijk onder het zand.

Toen hij ’s anderendaags ontdekt dat zijn mansslag ontdekt is door enkel landgenoten, vlucht Mozes naar de streek van Midjan. Ook de Farao kwam op de hoogte en zocht Mozes te doden.

Op zijn vlucht maakt Mozes kennis met één van de dochters van de priester van Midjan, een rijke schapenboer. Hij trouwt een van de dochters en voor de tweede maal is hij een geluksvogel. Rijk en goed getrouwd zou men zeggen.

En toch, ook nu weer raakt hij de band met zijn volk niet kwijt. Het is als met het spreekwoord dat zegt: Je gaat weg uit je dorp, maar je dorp gaat niet uit je weg!

Inderdaad, hoe goed Mozes het ook heeft in den vreemde, er blijft een vuur branden voor zijn volk. Het bewijs: ze krijgen een zoon. Ze noemen hem: Gersom dwz. Ik ben gast ineen vreemd land. “gastarbeider” zoals zijn volk in Egypte.

We zouden kunnen zeggen: Mozes was een sociaal bewogen man. Te midden van de welvaart die hem te beurt viel bleef hij verbonden met het lot van zijn volk in verdrukking en dwangarbeider.

 

2. Vandaag hoorden we een tweede tafereel. De brandende doornstruik, de stem die roept: Mozes, Mozes. De God die zegt: ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien. De God die Mozes zendt: Ga er dus heen! Gij moet mijn volk Israël uit Egypte leiden.

Twee kanttekeningen bij dit verhaal.

 

a- In de bijbel wordt vaak de innerlijke strijd in het hart van de mens beschreven in een uiterlijk en ruimtelijk gebeuren. bv. de innerlijke strijd van Jacob met God wordt beschreven als een gevecht met de engel. De innerlijke strijd van Jezus in de woestijn wordt beschreven in taferelen waarbij de duivel in menselijke gedaante tot Hem spreekt.

- Zo wil ook het tafereel van de brandende braamstruik dat niet te doven is, uitbeelden dat er een onblusbaar vuur leefde in het hart van Mozes: een niet te doven verlangen om bij zijn volk te zijn.

- En als God spreekt in dat vuur dan betekent dit: dat diepe verlangen in hem is niet zomaar een bevlieging: God is erin aanwezig. God is het die die heilige onrust, het vuur aanwakkert, zodat het niet te doven is. Kortom: Mozes ontdekt hier dat die diepe honger, die roepe om met zijn volk verbonden te zijn, van God komt. God roept in die roep van het hart.

 

b. Jahweh sprak: Ik heb de ellende van mijn volk gezien. dwz. God is aanwezig in het roepen en zuchten van zijn volk. Hij is geen God die hoog en onverschillig in de hemel troont, maar een God die meetrekt met zijn volk doorheen de geschiedenis. Wie het roepen van het volk niet beluistert, beluistert Jahweh niet. En wat God voor zijn volk wil zijn, moet de mens die in God gelooft doen. “Ga er dus heen! Gij moet mijn volk leiden”.

Mozes ontdekt dat in het roepen en zuchten van zijn volk Jahweh zijn God hem roept en oproept. Zo ontdekt hij dat zijn sociaal bewogen zijn een diepere betekenis heeft: een religieuze betekenis. Zijn sociale bewogenheid wordt een religieuze bewogenheid.

 

3. Mozes geeft zich zomaar niet gewonnen aan zijn God. Namens welke God moet hij optreden. Hoe is uw naam, vraagt hij. Hierop krijgt hij een tweevoudig antwoord:

Ik ben de God van uw vaderen: De God van Abraham, Isaac en Jacob, de aartsvaders van het Joodse volk. Op onze dagen zouden we deze lijst kunnen verder trekken: de God van Martin Luther King, JohannensX111, Gandhi, moeder Theresa enz. het is de god van de grote religieuze denkers en doeners van de voorbije geschiedenis. Een waarborg dus!

Ik ben, die ben is mijn naam: dwz. een god waarop je kan rekenen. Wie met de God van Mozes op weg gaat krijgt die dubbele belofte.

Kijk naar de gewijde geschiedenis, naar de grote figuren, hun god, zal ook uw god zijn.

Ik zal er zijn. Ik zal er altijd zijn voor u.

 

Bij heel dit verhaal kunnen we ons drie vragen stellen:

1. Welk vuur brandt er in ons hart, durven we nog luisteren naar de diepere verlangens die in ons leven.

2. Zou God ook vandaag niet tot ons roepen in de beelden van de strijd en ellende die we zien.

3. Durven wij nog geloven: dat God er zal zijn, durven we vertrouwen op zijn woord.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Schilderij van Rembrandt. De verloren zoon.

 

Grote gestalte van de Vader. Hij lijkt wel een aartsvader- oervader. De zoon verdwijnt als het ware in de schoot van de vader. Hij wordt als het ware gehuld in de grote mantel van de Barmhartigheid van de Vader. Uit het gelaat van de vader spreekt deernis: Hij heeft geleden, maar hij is gelaten.

Opvallend zijn de twee handen: Ze verschillen sterk van elkaar. De linkerhand is sterk en gespierd, korte vingers. Een echte mannenhand. Die hand lijkt niet alleen aan te raken, maar met kracht vast te houden.

De rechterhand is ontspannen, lange vingers, het lijkt wel een vrouwenhand. Deze hand houdt niet vast maar rust zacht op de schouder van de zoon, liefkozend en strelend. het si een moedershand. Rembrandt wil uitdrukken: God is vader en moeder: Hij houdt vast: zij liefkoost Hij bevestigt, zij troost.

De zoon verbergt zich in de schoot van de vader:we zien zijn gezicht niet: hij moet zijn gezicht niet verliezen; Zijn schamelheid wordt uitgedrukt door de kleren die met een koord rond zijn lichaam hangen. Kijk vooral naar zijn blote voeten. Zijn schoen of wat er van overblijft staat naast zijn blote voet: hij staat naast zijn schoenen. Ze tonen de berooidheid van de jongste zoon. Hij is niets meer en verdwijnt in het niets.

 

Dit schilderij verwijst naar de parabel van de verloren zoon uit het evangelie van Lucas.

Lucas heeft als groot leidmotief in heel zijn evangelie: God ziet om naar de mensen. In het 15de hoofdstuk: God ziet om naar de verloren mensen. God wil redden wie verloren ging. De farizeeërs en schriftgeleerden verweten Jezus dat hij zich ophield met tollenaars en zondaars. Ja, dat Hij zelfs met hen aan tafel ging. Ze verwijten Jezus dat hij partij kiest voor de verkeerde groep. Zo doe je je naam geen eer aan.

Aan hen vertelt Jezus 3 parabels met telkens dezelfde grondwoorden.

Verloren – zoeken en vinden – feesten

Man heeft 100 schapen, verliest er een, gaat het zoeken en vindt het, houdt feest voor de buren.

Vrouw: 10 drachmen, verliest er 1, zoeken en vinden, viert feest met de buurvrouwen.

Vader: 2 zonen, verliest ze, zoeken en vinden, feesten.

Drie namen voor hetzelfde verhaal.

- Verloren zoon: klemtoon op de jongste

- Barmhartige Vader: klemtoon op de vader.

- Een vader en twee zonen (laatste vertaling van de bijbel) hij verliest ze allebei.

 

1. De jongste gaat naar een ver land. Hij wil zijn eigen weg gaan. Hij blijft niet op het bedrijf. Hij waagt zijn kans in de stad. Het mislukt, komt aan lager wal. Hij is reddeloos verloren. Hij heeft alles verloren behalve zichzelf. Hij komt tot bezinning. Ziet zijn situatie in; gaat op weg. Hij wil helemaal onderaan beginnen als een knecht. Het is een lange weg terug. Hij was verloren.

 

2. Ook de oudste is verloren. Hij blijft thuis, neemt geen risico, leeft correct. Onderhoudt alle geboden. Doet geen vlieg kwaad. Hij is koel en hooghartig voor zijn medemensen. Hij lijkt sprekend op de farizeeërs waarmee Jezus het aan de stok heeft.

Hij staat ver van zijn vader. Hij begrijpt het hart van zijn vader niet. Hij staat kilometers ver van zijn broer. Hij noemt hem: die zoon van u. Hij reageert net als de farizeeër die kwaad zijn omdat Jezus het opneemt voor zondaars en tollenaars. Hij verwijt zijn vader dat hij partij trekt voor de verkeerde zoon. Hij weigert naar het feest te komen. De jongste heeft alles verloren, maar zichzelf behouden. De oudste heeft alles behouden maar zichzelf verloren. Beiden zijn verloren en de Vader gaat zoeken.

 

3. De vader gaat op zoek naar zijn zonen.

Naar zijn jongste. Het is een lange weg. Hij zag hem al in de verte: op de uitkijk. Hij werd door medelijden bewogen: Hij snelde op hem toe, viel hem om de hals, kuste hem hartelijk. Met een overvloed aan feestdetails beschrijft Lucas de thuiskomst van de jongste: het mooiste kleed, een ring aan de vinger, sandalen aan, het gemeste kalf, feest.

Verloren -  zoeken en vinden -  feesten.

De vader gaat ook op zoek naar de oudste zoon. Het is een moeilijke weg. Hij stoot op onbegrip, kwaadheid, weigering om binnen te komen Zijn vader gaat naar buiten, dringt aan. Hij incasseert de verwijten van zijn oudste zoon en zijn hooghartige houding tegenover zijn broer: Die zoon van u

Als hij uitgeraasd is noemt hij hem met een troetelwoord: “jongen”, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is is ook van u. Hij biedt hem alles aan: zijn hebben en houwen.

 

Wat er gebeurt is met de oudste weten we niet. Belangrijk is dat God nooit iemand laat vallen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Hoe moet je omgaan met de falende mens? Hoe gaan mensen ermee om en hoe gaat Jezus ermee om? We kunnen het leren uit het evangelie van de overspelige vrouw dat we vandaag hoorden.

 

1. Hoe gaan de mensen om met de falende mens.

- Ze brengen hem aan. Ze brengen het aan het licht. Een kluifje naar hun tand. Nieuws voor de roddelpers. Ze stallen de zwakheden van hun medemens uit.

- Ze plaatsen haar in het midden: geen beschermende kring maar een vijandige kring. De mensen rond haar zijn dreigende mensen. Ze willen haar klein krijgen. De wet is de dekmantel voor hun optreden. Ze maken zichzelf tot uitvoerders van de wet. Ze wordt een geval, geen menselijk wezen meer, een hoopje ellende.

- Eigenlijk willen ze Jezus raken. Ze gebruiken deze vrouw om Jezus te vangen. De vrouw wordt de stok om te slaan. Hun eigenlijke bedoeling is niets dan moord, de vrouw stenigen en Jezus met die steen treffen. Ze willen Jezus strikken.

Dit alles openbaart ons hoe mensen in een vernietigende houding kunnen staan tegenover de falende mens.

 

2. Hoe gaat Jezus om met de falende mens?

- Hij buigt het hoofd en schrijft op de grond, in het zand. Hij kijkt weg van dit kleinmenselijk wezen en van het klein menselijk gedoe van de aanbrengers. Hij schrijft in het zand. Wat in het zand geschreven staat, waait weg met de wind. Zand erover zouden we zeggen.

- Jezus plaatst de farizeeërs in de kring. Zij worden het middelpunt van het verhaal. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Hij confronteert hen met zichzelf. Hoe sta je zelf tegenover de wet van Mozes. Wie helemaal in orde is met de wet die mag de ander straffen. Jezus wil niet het kwaad van de vrouw goedpraten, maar hij wil vooral de huichelachtigheid van de omstanders aan het licht brengen, die zich aanstellen tot rechter zonder zichzelf als zondaar te erkennen. Zo doorbreekt hij de dreigende kring van de beschuldigers. Hij bevrijdt hen van hun louter wettisch benaderen van deze falende mens. Jezus nodigt hen uit, de falende mens te benaderen vanuit hun eigen mens zijn. En hij buigt weer het hoofd en schrijft verder: hij geeft hun en ontsnappingsmogelijkheid. Ook zij worden niet veroordeeld. Hij schrijft in het zand. Zand erover.

- Jezus die zonder zonde is, die de eerste steen zou mogen werpen. Hij doorbreekt de dreigende kring en spreekt een bevrijdend woord. H. Augustinus zegt: “Wanneer die mannen van de overspelige vrouw zijn weggegaan blijven ze met tweeën over: de ellende en de barmhartigheid. Jezus spreekt een woord van barmhartigheid. “Ook ik veroordeel u niet. Ga heen en zondig niet meer”. Hij verwerpt de zonde maar niet de zondaar. Hij aanvaardt haar in haar gebrokenheid. Maar tegelijk roept hij haar op om te groeien in het goede.

 

3. Blijft de vraag: hoe gaan wij om met de falende mens?

Hoe het met de vrouw verder is gegaan weten we niet. Het verhaal is niet af. Het is een open verhaal, dat wij moeten afmaken. Want deze vrouw wordt ook vandaag in onze gemeenschap geplaatst. Hoe gaan wij haar opnemen? Hier in onze kerk? Hierbuiten in het leven van elke dag.

God zegt nooit: zoek maar een andere firma. Bij hem krijg je steeds een nieuwe kans.

In deze vastentijd worden we uitgenodigd ons tot God te bekeren; ons leven af te stemmen op zijn levenshouding. Biecht en boeteviering zijn hiertoe een uitnodiging. Zo plaatsen wij ons leven onder Gods bevestigende liefde. Zo zullen wij ook elkaar kunnen dragen met Gods bevestigende liefde.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Met Palmzondag luisteren we in de kerk naar het lijdensverhaal van Mattheus en thuis luister ik naar de Mattheus Passion van J.S. Bach.

Een bezinning over het evangelie laat je hopelijk nog beter genieten van de muziek.

 

Passie van Goddelijk Mededogen.

De evangelist onderlijnt in heel zijn Evangelie hoe Jezus als een waarachtige Mensenzoon heel de menselijke conditie heeft geproefd en doorleefd. Zo bracht Hij de schriften in vervulling. Zijn lijdensverhaal zal dan ook gekenmerkt zijn door de diepmenselijke manier waarop Jezus het lijden draagt en dit in diepe verbondenheid met zijn God. Zo is Hij het grote voorbeeld hoe mensen in het lijden moeten en kunnen staan.

Wat treft ons in zijn getuigenis?

 

1. Jezus proeft de eenzaamheid en toch blijft Hij in een houding van diepe aandacht die heel zijn leven typeert. Zijn beste vrienden laten Hem in de steek. In zijn hoogste lijdensnood sluimeren zijn getrouwen in. Judas verraadt Hem voor een handvol zilverlingen. Het enthousiasme van Petrus valt als een kaartenhuisje in elkaar. Voor velen van hen blijft Jezus aandachtig. Liefdevol ontnuchtert Hij het enthousiasme van Petrus. Hij brengt begrip op voor de vrienden die inslapen en Judas noemt Hij “vriend”.

 

2. Jezus wordt op vele wijzen aangevochten maar Hij is in alles weerloos en Hij zwijgt. Bij zijn aanhouding weigert Hij zich met het zwaard te laten verdedigen. Hij verwerpt het systeem van slaan en terugslaan. Tijdens de agressieve verhoren zwijgt Jezus.

Jezus staat rustig in een diepere werkelijkheid en die wordt niet geroerd door dit onmenselijk gebeuren. “Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders”. (Jer. 53,7)

 

3. Jezus kent diepe bestaansangst, maar zijn hart is verankert in zijn levensgroot geluk. In Getsemane is Hij bedroefd “tot stervens toe”. In de geseling, de bespotting en doornenkroning is Hij “ de man van smarten”, om “onze zonden gebroken” (Jer. 53) O Hoofd vol bloed en wonden. In zijn sterven ervaart Jezus niet meer de tastbare aanwezigheid van God. “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”

Alles wat een mens kan doorstaan, deelt Hij ten einde toe. Alles doorleeft Hij, ook datgene wat uiteindelijk het zwaarst is: God als ver weg ervaren. Maar ook dan blijft Jezus bidden: “Mijn God…”.

 

4. Jezus wil geholpen worden.

Simon van Cyrene wordt geroepen om het kruis van Jezus mee te dragen. Zo nodigt Jezus ieder van ons uit om als Simon langs de weg van deze tijd het kruis van Jezus mee te dragen. Anders kunnen wij zijn leerlingen niet zijn. Deze Jezus die zo diepmenselijk ons levenslot heeft gedeeld en in dat alles ten einde toe in God geworteld bleef, Hij nodigt ons “luisteraar” uit tot navolging.

 

Mogen wij opgenomen worden in dit Goddelijk Mededogen en tot navolgen ten overvloede worden uitgenodigd.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Zalig Paasfeest!

 

Pasen is het hart van het christelijk geloof. Het hele christendom zou ondenkbaar zijn zonder het gebeuren van Jezus’ opwekking uit de doden.

En toch, velen die zich christen noemen, zullen moeten toegeven dat ze juist met die Paasboodschap de grootste moeite hebben.

Dan zijn we zoals de apostelen zelf. Ook zij hebben de Verrijzenis niet meegemaakt. Zij verwachtten zich helemaal niet aan de Verrijzenis. Voor hen was het gedaan.

Toch zien we dat ze op een bepaald ogenblik vurige getuigen worden voor de Heer. Het is de Heer zelf die zich aan hen heeft laten zien.. die voor hen de schriften ontsloten heeft en die hen de vreugde van zijn aanwezigheid liet aanvoelen.

Pasen is een geschenk van de Verrezen Heer. Ook nu nog wil de Heer ons zijn Pasen schenken. Maar wij moeten in de juiste houding leven om dit geschenk te kunnen aanvaarden.

Het evangelie van vandaag laat ons zien hoe de leerlingen tot het geloof in de Verrezen Heer gekomen zijn. Die weg willen wij ook proberen te volgen.

In drie woorden wordt die weg aangegeven.

Opweg gaan – Binnen gaan – Zien en geloven.

 

1. Het eerste wat we moeten doen is opweg gaan

Het treft mij dat op die eerste Paasmorgen een echte drukte heerste.

Maria Magdalena kwam naar het graf.

Ze liep naar Petrus.

Petrus en de andere leerling gingen naar het graf.

Ze liepen vlug voort.

Er heerst een geweldige drukte: een zoekende drukte.

Dat is de eerste stap: opweg gaan.

Deze stap hebben wij ook gezet. We hebben tijd gemaakt en zijn naar de kerk gekomen om onze Pasen te houden. Proficiat.

Velen onder u hebben zich voorbereid op deze viering door de boeteviering of de diensten van de Goede week

Het is belangrijk dat we met Pasen opweggaan. Thuisblijvers kunnen Pasen niet ontdekken.

 

2. De tweede stap is dat wij binnengaan. Binnengaan in het leven en sterven van Jezus.

Eerst keken de leerlingen zomaar “vooroverbukkend” in het graf. Ze zien alleen maar zwachtels en doeken liggen.

Dan gaan ze binnen: letterlijk en figuurlijk. Ze gaan er dieper op in… op alles wat ze zien en horen. En ze beginnen te begrijpen… want tot hiertoe hadden ze nog niet begrepen alles wat over hem geschreven staat.

Gelovig wordt je maar als je er dieper op in durft gaan. Als je niet aan de buitenkant van de dingen leeft.

Ook wij worden tot deze tweede stap uitgenodigd.

We kunnen hier heel oppervlakkig aanwezig zijn. Misschien zien we dan enkel: dat de kerk proper is, dat ze mooi versierd is, dat er veel volk is.

Ik denk dat we dan nog niet echt binnengaan.

Als ik echt binnen ga dan durf ik mezelf vragen stellen: wat betekent die Jezus in mijn leven?

Kies ik echt voor hem of doe ik maar alsof?

Straks worden we uitgenodigd onze doopbeloften te vernieuwen. Tot driemaal toe vraagt de priester dat we echt zouden kiezen voor een christelijke levensstijl. Tot driemaal toe zeggen we: Ja, dat beloven wij. Gaan we het echt beloven. Met heel ons hart. dat is ingaan in dit Paasgebeuren. dat is een keuze maken.

 

3. Zo groeit de derde stap in ons leven: Zien en geloven.

De apostel zag en geloofde zegt het evangelie.

Geloven is zich van harte toevertrouwen aan de Heer. Het is zich durven overgeven aan… Zich gewonnen geven

Dit geloven maakt de leerlingen tot getuigen. Ze durven ervoor uitkomen. De Heer leeft.

Echt geloven drukt zich uit in getuigenis. Wat je gelooft laatje zien. daar kom je voor uit.

Hebben we al eens getuigenis afgelegd van ons geloof?

Straks vraagt de priester tot driemaal toe of wij geloven; het is een uitnodiging tot deze derde stap..

Ons met heel ons wezen toevertrouwen aan de Vader, Zoon en Geest. Wanneer we dat echt gemeend doen zal de Verrezen Heer ons maken tot Zijn getuigen

Ons eerste getuigenis is dat we elkaar een Zalig Paasfeest toewensen. Het zal ons de Paasvreugde doen ervaren

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Thomas

 

In het slot van het evangelie schrijft Johannes wat de bedoeling is van zijn evangelie: het werd geschreven opdat wij zouden geloven dat Jezus de Christus is en door te geloven zouden leven. Met andere woorden er wordt zomaar niet iets verteld om het verhaaltje maar met de duidelijke bedoeling mensen tot geloof te brengen. Mensen doen leven. Concrete mensen: jij en ik. Jongeren en ouderen.  Achter het verhaal steekt dus eigenlijk een tweede verhaal: mijn en uw levensverhaal. Het eerste verhaal wil een licht zijn om het tweede te begrijpen. Toegepast op het verhaal van Thomas mogen we dus zeggen dat dit met ons leven te maken heeft. Dit is ook ons verhaal.

 

1. Thomas is het beeld van de zoekende gelovige, van de ontgoochelde gelovige.

Thomas is een bijzonder figuur. In de volksmond wordt hij genoemd: de ongelovige Thomas maar eigenlijk horen we uit zijn mond een van de mooiste geloofsgetuigenissen: “Mijn Heer en mijn God”. Ook elders in het evangelie zien we dat Thomas een idealist was. Wanneer Jezus naar Jeruzalem gaat zegt hij: Kom laat ons met hem meegaan om met Hem te sterven. Nu zien we hem als een man die totaal ontgoocheld is en zich zomaar niet iets laat aanpraten, maar tastbare bewijzen wil.

Wat leert ons dit verhaal?

Het zegt ons dat geloof en ongeloof soms heel dicht bij elkaar kunnen liggen in het leven van een mens. Geloven is iets kwetsbaar in het leven. Mensen kunnen geloven in mensen, maar kunnen ook diep ontgoocheld zijn in mensen. Mensen kunnen geloven in God, maar mensen kunnen ook diep ontgoocheld worden in hun geloof in God. Dit is wellicht een stuk van het dieper verhaal dat achter deze Thomas figuur steekt. Geloofszekerheid en onzekerheid kunnen in het leven van een mens dicht bij elkaar liggen. Geloofsopstandigheid en geloofsgehechtheid gaan hand in hand ook in het hart van het evangelie nl. onmiddellijk na het Paasgebeuren.

 

2. Thomas toont ons ook de weg om te groeien tot geloof.

Er is een uitweg voor mensen die leven in deze geloofsonzekerheid, in deze geloofsontgoocheling. Het evangelie toont ons de weg om te groeien in dit gelovig worden.

 

- Het geloof groeit door een ontmoeting. Het is in de ontmoeting met de levende Heer dat Thomas gelovig wordt. Ontmoeting sluit altijd in: overgave, vertrouwen. Een contact tussen mensen waar het moeten wegvalt en mensen open komen voor elkaar: “Kijk en steek je hand uit” zegt Jezus. Waag het je over te geven aan mij. Wat betekent dit voor ons leven?

Als mensen hebben we de neiging om iemand waarin we niet meer geloven links te laten liggen. Daardoor versterken we ons in ons ongeloof. Geloven in God en de mensen kan maar terug groeien als we het aandurven de mens of God te ontmoeten.

De weg om te groeien tot geloof is de ontmoeting. Ontmoeting door gebed en bezinning maar ook ontmoeting door de concrete overgave en inzet voor de mensen rondom ons.

 

- Geloven doe je in gemeenschap.

Het verhaal van Thomas gaat verder. De ontmoeting met de Heer gebeurt binnen de gemeenschap van de leerlingen.

Thomas was ontgoocheld maar keert met zijn twijfels terug binnen de gemeenschap. In deze gemeenschap wordt hij getuige van de Verrezen Heer. In heel de geschiedenis van de eerste kerk zien wij hoe sterk deze verbondenheid is met de gemeenschap rond de apostelen. Zij die geloven vormen samen een nieuwe gemeenschap binnen de wereld waarin zij leven. Hierin vinden wij ook een verwijzing voor ons geloven nl.:

Dat wij de gemeenschap nodig hebben om gelovig et blijven.

Dat wij elkaar nodig hebben om gelovig te kunnen blijven.

Soms hoort men zeggen: Ik ben gelovig maar op mijn eentje. Ik heb de kerk niet nodig om katholiek te zijn.

Het verhaal van Thomas leert ons: We hebben gemeenschap nodig. Breken met de gemeenschap van de gelovigen, niet meer naar de kerk komen, is vaak het begin van het verloren gaan van alle geloof en diepgang in het leven van de mens. We hebben nood aan een gemeenschap waar de ene misschien meer ziet dan de andere en waar wij zo elkaar kunnen optrekken naar het volle licht.

 

- Het grote teken om de Verrezen Heer te ontmoeten is de eucharistie.

Nergens staan we zo dicht bij de boodschap van Jezus leven en nergens is de Verrezen Heer meer tastbaar onder ons dan in het breken van het brood.

Het is het teken waarin de leerlingen de Verrezen Heer herkenden, het is voor ons ook het mysterie van ons geloof. En telkens wij het vieren verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

 

Moge wij in echt spoor van Thomas de Heer ook hier ontmoeten en binnen de gemeenschap van de kerk groeien in geloof.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Heb je mij lief.

 

Petrus staan vandaag centraal in de lezingen: Hij legt vandaag zijn Pastoraal examen af.

Eerst een praktische proef: laat eens zien dat je kan vissen. want als je niet kan vissen op het meer dan kan je zeker geen mensenvisser zijn.

“Ik ga vissen” zegt hij aan zijn maten. “Dan gaan we mee”! Heel zelfverzekerd dat het hen wel zal lukken. Heel de nacht gevist, niks gevangen. Glansrijk gebuisd.

Met lege netten en hangende oren komen ze ’s morgens aan op het strand. Een koopgrage vreemdeling vraagt hen wat vis! Ze hebben niets. Die man weet te vertellen dat ze het over een andere boeg moeten gooien. Hij spreekt op een manier dat je er niet kan aan weerstaan; “werp het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen. Ze doen het en vangen een massa vis.

Vertrouwend op hun eigen methode vangen ze niets. Luisterend naar het woord van de vreemdeling, hebben ze het net vol.

Je voelt aan de sfeer van het verhaal dat ze er ’t onderste boven van zijn. Ze herkennen de vreemdeling als de Heer, maar ze durven hem niet vragen: wie zijt gij? Bij het breken van het brood en het delen van de vis herkennen ze de Heer.

Dan volgt het eindexamen: 3 vragen:

Simon zoon van Johannes, hebt ge mij lief. Driemaal opnieuw. Dan stelt Jezus Petrus aan tot herder. Hij vraagt niet naar zijn diploma’s, niet naar zijn pastorale successen, niet naar zijn gezagvolle positie te midden van zijn vrienden. Hij vraagt hem alleen: “Petrus, bemin je mij”.

 

Jezus wijst hier op de sleutel van alle pastoraal: zowel voor priesters als leken. Te vlug hebben we gedacht dat evangeliseren een kwestie van methode was. En als we ons evangelie niet meer verkocht kregen met de traditionele pastorale werkwijzen, zochten we naar nieuwe manieren, moderne technieken. Maar de kerken bleven leeg lopen. Misschien betekent de raad van Jezus vandaag dat we terug moeten keren naar de methodiek van Jezus zelf: de vriendschap voor allen, te beginnen met de kleinsten.

 

Ik sprak deze week met een priester die niets dan godsdienst geeft aan grotere studenten; Hij zei: “moest ik het resultaat van mijn werk meten aan wat ik hen heb kunnen bijbrengen dan zou het maar mager zijn. Je stoot  vaak op zo’n muur van onverschilligheid. Maar ik denk dat de echte invloed die je bij jonge mensen hebt voortkomt van het gevoel dat ze hebben dat je onvoorwaardelijk voor hen kiest”.

Onvoorwaardelijk voor iemand kiezen is dat niet de eerste liefde van God waarover St. Jan spreekt: zonder enig voorbehoud en grenzeloos bemind worden.

Wij hebben lief, zegt hij, omdat God ons eerst heeft lief gehad. Wanneer Jezus aan Petrus vraagt: “Heb je mij lief”, betekent op de eerste plaats: aanvaard je mij in je leven als de mensgeworden eerste liefde van God. Pas als we echt ons gedragen weten door de eerste liefde van God, zullen we in staat zijn tot de tweede liefde voor God en de medemens. Het radicale goede nieuws is dat de tweede liefde maar een afspiegeling is van de eerste liefde en dat de eerste liefde ons wordt aangeboden door een God in wie geen schaduwen zijn.

 

Petrus moet een herder zijn die zich gedragen weet door de eerste liefde van God en zo met zijn tweede liefde zorg kan dragen voor zijn kudde. Zulk een herder zal zich niet vastklampen aan belangrijk zijn, aan titels en functies, zelfs niet aan successen en resultaten, maar juist in de wereld staan met niets anders dan zijn of haar kwetsbare zelf. Hierdoor zullen zij juist verschillen van de wereld waar alles gemeten wordt naar belangrijkheid titels, functies en prestaties? De herder van de toekomst zal juist moeten durven staande houden dat de onbelangrijke plaats die hij in de moderne maatschappij inneemt juist beleefd kan worden als een goddelijke opdracht. Zo zal hij solidair kunnen zijn met de schreeuwende nood die vaak schuil gaat achter de schittering van het succes en de zucht naar belangrijkheid.

 

Een collega: Je priester zijn moeten ze niet zien, maar voelen. Je moet zijn als heerlijke tandpasta. Je ziet zijn kwaliteit niet. Je voelt ze.

 

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Vorig jaar rond Pasen schreef de kardinaal zijn Paasbrochure over het roepingtekort in onze kerk:

 

1- Er heerst in onze westerse wereld een antiroeping mentaliteit: die maakt het open bloeien van roepingen haast onmogelijk. Vooral jonge mensen leven in een cultuur van anti-roeping.

Het beeld dat de media geven van kerk en geloof heeft meestal te maken met sensatie, met conflicten of schandalen. Een ernstig programma komt nauwelijks aan bod tenzij om half twaalf ’s avonds zoals Braambos.

Alleen kijkcijfers tellen en dan is een sfeer van anti-roeping, anti-kerk en anti- God belangrijk. De mens houdt van sensatie en van de vuile was van de buren.

 

2- Maar belangrijker dan de schuld aan de media te geven is ons afvragen: wat kunnen wij doen voor een positief klimaat rond kerk en geloven.

 

De kardinaal geeft hiervoor 3 suggesties:

1. Wij moeten terug bewust worden van onze doopselroeping.

We moeten zorgen voor de evangelische kwaliteit van het leven als gedoopte. Elke gedoopte is geroepen niet alleen om een fatsoenlijk mens te zijn maar om een christen te zijn.

Bewust dat God ons heeft uitgekozen om een mens te zijn naar zijn hart en te leven naar de maat van het evangelie en het voorbeeld van de Heer zelf.

Een christen moet in ieder geval een fatsoenlijk mens zijn, maar een fatsoenlijk mens is nog geen christen. Daarvoor is meer nodig. Die probeert de lat zo hoog te leggen als Jezus zelf deed. Ons doopsel is onze eerste en belangrijkste roeping. Vele gedoopten leven in roepingscrisis. Daar kunnen we zelf iets aan doen.

 

2. Een tweede crisis is de crisis van het gebed.

Het gebed is de moedertaal van de christen….. en de moedertaal leer je van je moeder, van je thuis. De eerste stappen in die moedertaal moeten we thuis leren. Jonge mensen weten niet hoe eraan te beginnen. De moedertaal van het gebed begint in het gezin, later wordt het gevoed door de school en in de kerk.

Enkele tijd geleden vroeg ik aan een groepje jonge moeders: bidden jullie nog met je kinderen, leer je je kindjes nog een weesgegroet bidden? Uit de aarzeling kon ik opmaken dat het niet iets vanzelfsprekend is.

Op het einde van een doopviering doen we de toewijding aan Maria. Als er kleuters en kinderen bij zijn dan zeg ik hen: “We doen onze handjes mooi samen terwijl de grote mensen bidden en daarna bidden we een weesgegroetje”. Ik ben dan blij als ik zie dat kleine kinderen daarmee vertrouwd zijn. Dit is een stukje van je roeping als christen: daar kan je iets aan doen.

 

3. De derde crisis is deze van het “vrijmoedig” uitkomen voor je christen zijn.

Wij zouden ons meer bewust moeten zijn dat Christus en het evangelie onmisbaar zijn voor het geluk van de mens en de geestelijke gezondheid van de samenleving.

Hoe meer kerken leeglopen – hoe voller de gevangenissen stromen.

Hoe minder de mensen leren luisteren naar hun innerlijk kompas, hoe onveiliger het wordt in onze samenleving.

Hoe minder pastoors, hoe meer politie. Camiel Huysmans, de grote socialist zei ooit: “ elke pastoor is vijftien politieagenten waard”.

De zondagsviering en het vieren van de zondag is heel belangrijk. Het is het wekelijks Pasen. Het is een engagement dat men niet mag loslaten, niet enkel om aan een gebod te voldoen, maar omdat het nodig is en noodzakelijk voor ieder bewust en consequent christelijk leven.

In vele streken zijn of worden de christenen een “kleine kudde”. Dit draagt hen uit hun “identiteit” hun christen zijn sterker te beleven in de eenzaamheid en in moeilijke omstandigheden.

De zondageucharistie is het meest natuurlijk tegengif tegen de vereenzaming. Als de kwantiteit daalt, moet de kwaliteit de hoogte in. Die kwaliteit is te meten aan de manier waarop wij deelnemen aan de eucharistie. We gaan niet alleen naar de kerk, we komen hier om iets te vieren. En vieren vraagt van iedereen een minimum aan betrokkenheid. Meebidden, meezingen, de boekjes gebruiken, niet allemaal achteraan blijven zitten dat zijn kleine stapjes om de kwaliteit van de vieringen te verhogen.

Als je een kerk wil verwarmen dan moet je elk plaatsje een beetje opwarmen.

Als je een gemeenschap warmer wil maken dan zal dat ook het werk zijn van alle aanwezigen.

 

Deze christelijke vrijmoedigheid ligt wel in onze handen: daar kunnen we wat aan doen.

De kardinaal gaf precies dezelfde elementen aan die de paus als prioriteiten voor het nieuwe millennium aan geeft:

Onze doopselroeping.

De gebedscultuur

De zondagsviering.

 

Laten we bidden dat we die bewust mogen beleven.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Jezus spreekt over het nieuwe gebod van de onderlinge liefde: Zoals ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben.

Het lijkt allemaal van zelfsprekend, we hebben deze kernwoorden uit het evangelie al zo vaak gehoord. Toch is de onderlinge liefde allesbehalve van zelfsprekend. Het is een blijvende opgave. Op aanstaande 10 mei vieren wij het feest van de zalige pater Damiaan. Hij wordt wel eens genoemd "de apostel van de naastenliefde". Hij heeft Jezus woorden concreet gemaakt in de situatie waarin hij leefde. Vanuit het evangelie kijken we naar Damiaan en vanuit Damiaan kijken we naar het evangelie.

 

Er zijn twee woorden die opvallen in dit evangelie:

Verheerlijking en liefde

 

Verheerlijking: Nu wordt de mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in hem. Jezus wordt verheerlijkt door God en God wordt verheerlijkt door Jezus.

Dit is het typische van heiligen: Zij danken hun grootheid aan God en zij verheerlijken Gods grootheid in zich.

Dat is het verschil tussen een held en een heilige. Een held bewonderen wij omwille van zijn sterk karakter, zijn ijzeren wil, zijn menselijke heldhaftigheid. Menselijk gezien had Damiaan nogal wat gebreken en kleine kanten: een moeilijk karakter, nogal vlug kwaad en in conflicten, ruw en onbeschaafd. Maar zijn liefde was heldhaftig. Zijn menselijke fouten verbrandden als stro in het vuur van zijn naastenliefde.

Damiaan is een levende heenwijzing naar God. Hij putte zijn kracht uit zijn geloof en zijn verbondenheid met God.

Een held presteert, een heilige gelooft. Zo was het met Damiaan. Het is niet toevallig dat hij ingetreden was in de congregatie van de Paters der Heilig harten. De mensen vertellen over het hart van God. Hen Gods goedheid laten aanvoelen: ook op die verdoemde plek die Molokai heette. Heiligheid groeit uit genade.

Damiaan heeft God verheerlijkt, God heeft Damiaan verheerlijkt.

 

Het tweede trefwoord in dit evangelie is Liefde.

“Een nieuw gebod geef ik u: gij moet elkaar liefhebben. Zoals ik u heb lief gehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben”. Hieraan zullen allen herkennen dat gij mijn leerlingen zijt.

Jezus noemt de liefde het nieuwe gebod en het herkenningsteken. Het christendom kan alleen maar iets betekenen als het temidden, van de harde, zakelijke maatschappij en temidden van vaak onmenselijke structuren het primaat van de liefde blijft prediken en vooral voorleven.

In Damiaan is die liefde sprekend geworden. Hij is naar Molokai vertrokken om iets voor de melaatsen te doen. Hij is er gebleven. Geen buitenstander maar bondgenoot en lotgenoot.

“Wij melaatsen” Hij is solidair gebleven. “Mijn afkeer voor de zieke mens heb ik in 14 dagen kunnen overwinnen: mijn afkeer voor de ziekte nooit”. En die kracht vond hij in zijn geloof.

 

In het leven van Damiaan gaan de Verheerlijking van God en de liefde voor de mens hand in hand. Voor hen was er gaan tegenstelling tussen zijn geloven in God en het beminnen van mensen.

Liefde is een gave van de geest daarom moeten wij erom bidden.

Kom H. Geest en vervul mijn hart van Uw liefde.

 

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

In deze verkiezingstijd zijn er heel wat woorden gesproken en geschreven. De mooiste beloften werden gedaan en als we hen mogen geloven dan wordt ons de hemel op aarde toegezegd.

Meer en meer mensen hebben weinig vertrouwen in al deze woorden: Het zijn zo vaak woorden in de wind, of erger nog soms geldt voor hen het spreekwoord: Luister naar mijn woorden maar zie niet naar mijn daden.

 

Heel anders zijn de woorden die Jezus spreekt in het evangelie. Bij hem is er geen tweespalt tussen woorden en daden. Zijn woorden zijn daden. Zijn woorden drukken uit wie hij is en wat hij doet. Hij zegt niet enkel: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”, maar hij gaat zelf de weg, doet de waarheid, is het leven.

Zo sterk is bij hem de eenheid tussen woord en daad dat hijzelf genoemd wordt: “Gods woord”. Hij is de belichaming van wat God is voor de mensen.

Vandaag nodigt Jezus ons uit ons vast te klampen aan zijn woord. “Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden”. Zozeer is zijn woord verbonden met zijn persoon dat wij hem niet kunnen liefhebben zonder ons vast te houden aan zijn woord. Zonder liefde blijven zijn woorden niet meer dan dode letter. Hoe kunnen wij Gods woord vast houden? De heilige schrift kent drie manieren.

 

1. Luisteren naar het woord van God. Luisteren is veel meer dan horen. Denk aan uw kindertijd: Als wij ’s avonds aan het spelen waren, hoorden we wel moeder roepen dat het bedtijd was, maar we luisteren niet, zo gingen we op in het spel. Tot moeder rustig riep: “luister dan toch”. Dan wisten we dat we moesten gehoorzamen aan wat ze vroeg. En toen we groter werden kloegen onze ouders weleens dat de jongeren niet meer luisterden. En jongeren vertelden weleens over hun ouders dat ze niet luisterden. Ze konden er niets aan kwijt.

Echt luisteren kan je alleen met het hart. Je hart moet openstaan voor Jezus woord, anders kan het niet opgenomen worden in je hele persoon. Je moet verlangend uitzien naar Gods woord. Zoals Samuel zei:” Spreek Heer, uw dienaar luistert”. Je moet je laten gezeggen.

 

2. We moeten vertrouwen op Gods woord.

Ik zeg weleens aan trouwers die juist hen trouwbelofte hebben uitgesproken: Trouwen heeft alles te maken met vertrouwen. Vertrouwen is nodig om je te kunnen blijven vasthouden aan de woorden van iemand. Vertrouwen, ver-gaan in de trouw. Dit is ook waar voor Gods woord. Gods woord zul je nooit helemaal doorzien Gods woord kan dikwijls indruisen tegen je eigen inzichten. In tijden van beproeving hebben wij het vaak moeilijk om God ons vertrouwen te blijven geven. God heeft ons als het ware in de steek gelaten. Dan blijven vasthouden aan God en zijn woord is niet eenvoudig. De heilige Petrus geeft hiervan een mooi voorbeeld in het evangelie. De hele nacht hebben zij tevergeefs gevist en als ze aan land komen zegt Jezus: “Werp het net uit aan de andere kant”. Hij wist dat het geen visweer was en toch doet hij het. “Op uw woord zal ik mijn net uitwerpen”. Dit is een daad van vertrouwen: Gods woord is meer betrouwbaar.

 

3. Ten slotte moeten we Gods woord ook doen.

“Weest niet alleen toehoorders van Gods woord, schrijft Jacobus, maar ook uitvoerders”.  In Jezus is Gods woord mens geworden. Zo moet Jezus woord ook vlees en bloed worden in ons dagelijks leven dan wordt Jezus woord een woord ten leven.

De mensen van de Focolarebeweging komen elke maand samen rond een woord uit het evangelie en amen zoeken ze wat dit woord concreet betekent voor hun leven en ze proberen dit woord te beleven. Deze maand gaat het over dat zinnetje: Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden.

Gods woord onderhouden betekent dat je je met je hele persoon aan Christus durft toevertrouwen. Voor wie zich zo aan Gods woord durft toevertrouwen heeft Jezus een wonderbare belofte: “Mijn vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen”.

 

Chiara Lubich schrijft: Gods aanwezigheid kan dus van nu af gerealiseerd worden in de christenen en te midden van de gemeenschap. We moeten niet op de toekomst wachten. De tempel waar hij komt wonen is niet die welke uit muren bestaat, maar het hart zelf van de christen, dat op die manier het nieuwe tabernakel wordt van de levende God.

Deze woorden zijn diepzinnig. We hebben de heilige geest nodig, de helper. Hij zal u alles leren en in herinnering brengen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Vandaag horen we Jezus bidden. Regelmatig zien we dat Jezus zich terug trekt om alleen te bidden. Bidden toont ons hoe we geloven, hoe we tegenover God staan, hoe we betrokken zijn op Christus.

 

Er bestaan 3 vormen van gebed die telkens een niveau van betrokkenheid openbaren.

 

1. Soms gaan mensen bidden vanuit een behoefte, vanuit een “nodig” hebben. Onlangs was ik op een zondagnamiddag in Scherpenheuvel. In de basiliek sloeg ik de mensen gade die biddend rond het beeld en het altaar van O.L.Vrouw gingen en bij iedere toer wierpen ze met een bijna misprijzend gebaar een geldstuk over de omheining. De kinderen deden het ook met hun cent maar die keken met verstomming naar al dat geld dat ze zomaar wegsmeten. Er wordt veel gebeden in Scherpenheuvel. Ik denk dat vele mensen er bidden vanuit een nood, een behoefte. Ze zoeken in dat bidden steun en hulp voor de levenssituaties. God, Jezus en O.L. Vrouw worden in het bidden vooral gezien als helpers; zij kunnen wat ik niet kan. Vanuit onze onmacht gaan we te rade bij de machtigen. Het is bidden waarbij de mens centraal staat. God staat bijna in dienst van de mens. Iedere mens zal in het leven weleens situaties meemaken dat hij op deze wijze gaat bidden. Toch is het nog een onvolmaakte vorm omdat God meer in dienst van de mens wordt gezien, en niet de mens in dienst van God.

 

2. Als je met jonge mensen praat over Jezus en wat Hij voor hen betekent, dan hoor je vaak het woord “inspiratie” terug komen. Jezus leven inspireert hen om ook hun leven op een bepaalde manier uit te bouwen. Jezus is een inspirerend voorbeeld. Hun bidden zal dan vaak zijn een dialoog gebeuren: een dialoog, een spreken over Jezus, een samen beluisteren van een evangelietekst, een zoeken naar een weg om te leven. Jezus als inspiratie voor het leven is een waardevolle manier om hem een plaats te geven in ons leven. Toch is dit nog niet het diepste niveau van verbondenheid die mogelijk is. Jezus zou verwisseld kunnen worden met Maarten Luther King, Romero of andere  figuren die ook inspirerend werken.

In dit bidden blijft de persoon van Jezus nog een stuk buiten ons leven. Ook een niet gelovige kan Jezus een boeiend figuur vinden en er zich door laten inspireren.

 

3. Wanneer wij Jezus vandaag horen bidden dan wijst dit op een zeer persoonlijke betrokkenheid tussen hem en de Vader. Ik en de Vader zijn één en zijn gebed voor ons is een vraag om één te zijn met hem.

Er is veel meer dan een relatie, het niveau van de persoonlijke vriendschap. Ook Stefanus horen we bidden vanuit een persoonlijke vriendschap: “Heer Jezus, ontvang mijn geest! Heer, reken hun deze zonde niet aan”.

Hier wordt het bidden heel persoonlijk omdat ook de relatie heel persoonlijk is. Het pastoraal examen in het evangelie kent maar één vraag:

Driemaal herhaald: Simon, zoon van Johannes, hebt gij mij lief?

Simon zoon van Johannes; heel persoonlijk dus. Je moet er je eigen voornaam maar eens invullen. Hier begint de diepste relatie tussen een mens en Jezus. Daar groeit ook de diepste vorm van gebed.

 

We horen Jezus bidden voor de eenheid, geen uiterlijke eenvormigheid, geen menselijke eenheid, maar een eenheid met Hem en de Vader. Jezus maakt van godsdienst een liefdesverhouding…. tot dat diepste niveau wil God ons doen groeien.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Goede vrienden.

 

Tijdens onze tocht hebben we onze benen gebruikt. Maar belangrijker nog zijn onze longen. Ieder mens heeft longen. Daarmee doen ze twee dingen: we ademen in en we ademen uit.

We ademen eerst in- dan ademen we uit.

Als je niet goed hebt ingeademd, kan je ook niets uitademen.

 

Een christen heeft ook longen: hij neemt eerst in zich op wat God hem zegt, hij ademt eerst in, daarna ademt hij het uit en straalt het uit.

Het eerste dat we moeten doen als wij onze boodschap aan de wereld willen brengen is inademen; de boodschap in ons opnemen. Voor dat we beginnen te spreken moeten we eerst lange tijd inademen, in ons opnemen.

Wat wij in de wereld moeten brengen is niet iets van onszelf. Het evangelie is niet iets wat wij gemaakt hebben. Wij hebben het gekregen. We moeten eerst lang gebeden en nagedacht hebben voordat we de mond kunnen openen om te verkondigen. Daarop wil het jaar van het gebed onze aandacht vestigen.

Vele christenen zijn op onze dagen moe. Ze zijn ten einde adem. Ze hebben zo hun best gedaan en het lijkt allemaal niets uit te halen. Er heerst moedeloosheid en angst, niet goed weten wat en hoe. Parochies vallen zonder priester ter plaatse e n leken hebben de indruk dat de mensen hun inzet in de liturgie niet waarderen.

In zulke tijden zegt kard. Danneels moeten we ons terug trekken in de bovenzaal, zoals de apostelen deden na de Hemelvaart. Voor we aan de planning of strategie gaan beginnen, moeten we ons hart openen voor de Geest die zorgt dat de eenheid het haalt op alle verdeeldheid.

 

De eerst Pinksterkerk is gestart vanuit het biddend samenzijn in het Cenakel. Biddend zijn ze open gekomen voor de Geest en durfden zij de deuren van het Cenakel wijd open gooien om het goede nieuws naar de mensen te brengen.

Wij zijn hier bij Maria op de goede plaats om te leren inademen in de Geest. Maria heeft Jezus ontvangen door de Geest terwijl zij aan het bidden was. Maria heeft zo geluisterd naar God dat zij het Woord heeft gesproken en ons Jezus heeft gegeven.

Een sterkere uitademing kon zij niet doen. Wij spreken woorden, zij sprak Het Woord. En het woord werd vlees en bloed. Haar woorden waren geen woorden in de wind. Haar woord was één grote daad van de geboorte tot aan het kruis. Ja tot op het Pinksterfeest.

In de litanie noemen wij haar Koningin der apostelen en hulp der christenen.

Vragen wij haar hulp om echte christenen te zijn en hoe wij kunnen apostel zij n in deze tijd en in deze kerk. Amen

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Het overkomt ons allen weleens. Mensen die we goed kennen verrassen ons in positieve of negatieve zin. Ze blijken toch anders te zijn dan we dachten. Zelfs van mensen waarmee we nauw verbonden zijn, echtgenoot, ouder of kind, een vriend weten we niet altijd wat er in hen omgaat, wat ze echt denken of voelen. Mensen blijven voor elkaar altijd een beetje mysterie. De diepste grond van de ander is voor ons onbereikbaar.

Als mensen al voor elkaar een mysterie zijn hoeveel te meer dan God, die we nooit gezien hebben. Zouden we dan niet beter over God zwijgen? Zoals sommige beweren. Ik denk het niet.

Het is niet omdat we God niet kunnen doorgronden dat we over Hem niets zinnigs kunnen zeggen.

De vraag is echter: Hoe komen we God op het spoor? “God, waar zijt Gij te vinden” zingen we in een kerklied.

 

Ik heb de grootvader van mijn vrouw nooit in levende lijve gezien. Maar door de verhalen die zij over hem verteld heeft, is hij voor mij een man geworden van vlees en bloed.

Zo gaat het ook met onze kennis van God. Langs de verhalen van mensen leren wij God kennen. Mensen die God hebben meegemaakt, die God in hun leven hebben ervaren.

 

De bijbel is zo een groot verhalenboek. Een boek dat eeuwen omspant. Het eerste deel bevat de verhalen van het volk van Israël en van zijn grote religieuze figuren. In heel verschillende omstandigheden hebben ze God ervaren, in perioden van welvaart en vrede; in tijden van vernedering en ellende; wanneer ze grootse dingen hadden gerealiseerd, maar ook wanneer ze gemeen en ondermaats waren geweest.

Doorheen al deze verhalen, hoe primitief ze soms ook zijn , loopt als een rode draad deze ervaring: God is Jahwe, wat betekent: “Ik ben er voor u, ik zal er voor u zijn. Op Mij kunt ge rekenen. Ik laat u nooit in de steek”.

We hebben het nog gehoord in de eerste lezing vandaag: “De Heer is een barmhartige en medelevende, medelijdende God, groot in liefde en trouw” die zijn volk als zijn bezit, als zijn eigen familie beschouwt.

Zo is geleidelijk het beeld gegroeid van God, die als een goede Vader is. De almachtige Vader. Jezus zelf gebruikt ook bij voorkeur het woord Abba, lieve Vader als Hij over God spreekt.

Maar ze hadden ook het beeld van Moeder kunnen nemen als uitdrukking van de levenwekkende en onbegrensde liefde van God. Sommigen spreken daarom van God als Vader en Moeder tegelijk.

 

Het tweede deel van de bijbel, het nieuwe testament, bevat een verzameling van verhalen over Jezus, de man van Nazaret. Zijn vrienden hebben Hem leren kennen als een mens die heel zijn leven had afgestemd op God, die Hij zijn Vader noemde. Door zijn grenzeloze zorg, liefde en barmhartigheid jegens de mensen is Hij de weerspiegeling van God. In deze mens, als in geen ander, is God ons zichtbaar en tastbaar nabij. Johannes noemt Hem in zijn evangelie dan ook de eniggeboren Zoon, die God gezonden heeft opdat de wereld door hem zou worden gered.

Maar de bijbel eindigt niet bij de dood van Jezus. Er staan verhalen in van Jezus volgelingen die in zijn voetsporen stappen. Zij spreken en handelen vanuit de inspiratie, de gedrevenheid, de Geest die Jezus bezielde. De Geest van God. Jezus had trouwens zijn leerlingen deze Geest beloofd. Die Geest is voelbaar en tastbaar in hun woorden en daden aanwezig. Die Geest is ook nu nog in onze wereld werkzaam. In mensen die vrede stichten en verzoening brengen, die zich in liefde toewijden aan hun medemens.

Vanuit de bijbel wordt ons een rijke schat aan Godservaringen meegegeven die door de kerk aan elke nieuwe generatie wordt doorgegeven.

God komt hier ter sprake als:

Als de hemelse Vader,

Als Jezus, de Christus, de Zoon van God en als H. Geest

Tekens weer wordt die God ervaren als een menslievende en barmhartige God

Johannes vat dit mysterie in één zin samen: God is liefde.

 

Emiel Ooms

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

In het evangelie van vandaag zien we een dubbele stoet.

 

1. Een rouwstoet. Een weduwe troosteloos van verdriet achter het lijk van haar enig kind, haar zoon. Het gaat over een weduwe: iemand die aan de rand staat van  het maatschappelijk leven toen. Iemand die onbeschermd in het leven staat. Gelukkig heeft ze nog een kind en wel een jongen. Een lichtpunt voor de toekomst. Er zal toch iemand zijn die voor haar zal zorgen. Nu die wegvalt, valt de laatste hoop weg. Zij bevindt zich in een nulpunt situatie. Het is dus een stoet vol droefheid, een stoet in het teken van de dood. Er is geen leven en levensuitzicht meer.

 

2. De tweede stoet is een vreugdevolle stoet. Mensen die opgetogen zijn want ze hebben Jezus in hun midden: de Messias, de wonderdoener van het land. De man van het leven. De man die toekomst biedt.

 

Deze twee stoeten ontmoeten elkaar bij de stadspoort.

De stadspoort is de scheiding tussen leven en dood. Tussen vreugde en eenzaamheid. Binnen de stad is er leven. Buiten de stad wacht de vergetelheid. De stadspoort is een scharnierplaats. Zij zal ook een scharniermoment worden in het verhaal.

Bij de stadspoort ontmoeten de twee stoeten elkaar.

Jezus wordt genoemd de Heer, een titel die aan de Verrezen Christus wordt toegekend. Een Paastittel. In Jezus is Pasen aanwezig, het feest waarop de dood een halt wordt toegeroepen. Jezus wordt hier gepresenteerd als de Heer over leven en dood. Nu verstaan we de ontmoeting al beter. Het is de ontmoeting tussen de dood en het leven.

De ontmoeting van Jezus, de man van het leven, met de stoet van de dood wordt door de Lucas nauwkeurig beschreven.

Jezus zag haar. Hij zei:” Schrei maar niet. Hij trad op de lijkbaar toe. Hij raakte haar aan. Hij deed de stoet stoppen. Hij sprak:” Sta op”. Hij gaf hem aan de moeder terug.

Jezus zet vele kleine stapjes om iemand weer het leven binnen te leiden. Jezus medelijden is geen medelijden op afstand of uit de hoogte. Het is een geëngageerd medelijden. Warme, delende gebaren, die goed doen, die hoop wekken en wie weet de duivelskring van de dood doorbreken. Jezus doet de stoet stoppen: een protest tegen de dood. Dit protest wordt een beweging die uitloopt op de woorden: “Jongeman, ik zeg u: sta op”.

 

De hoop die Jezus heeft opgewekt gaat in vervulling. De hoop die in de woorden steekt wordt werkelijkheid.

De dode kwam overeind en begon te spreken. Hij kon weer staan. Hij gaf hem aan zijn moeder terug. De zoon krijgt nieuw leven. De moeder krijgt nieuwe toekomst.

Het hele verhaal zegt dat Jezus nieuw leven schenkt en dat Jezus mensen doet opstaan uit de dood. Hij haalt ze uit de kring van de wanhoop.

 

Elke zondag maken wij dit verhaal mee, telkens wij eucharistie vieren. Elke zondag stromen mensen samen in de kerk: zij vormen een stoet. En in elke mis komt de stoet van de priester en zijn dienaars, hen met het Woord en het brood van de Heer tegemoet.

Laten we even die twee stoeten bekijken.. de stoet van mensen die naar de kerk komen. Er zijn erbij die zoals in het evangelie een kind verloren hebben. Een vrouw vertelde mij deze week: op minder dan een jaar hebben wij drie naaste familieleden verloren. Dat valt niet mee.

Heel wat mensen komen naar de mis om een dierbare te gedenken. We zien het aan de misintenties. En de stoet die zondags naar de kerk trekt is wel op zijn zondags gekleed, maar de meesten dragen het doordeweekse leven mee; met zijn pijn, zijn ontgoochelingen, zijn ontmoediging; dingen die gestorven zijn of levenloos neerliggen.

 

In elke eucharistie is er ook die andere stoet die op ons toekomt. De stoet met de Heer zelf. We staan ervoor recht. We zingen Hem toe. De Heer van het leven komt in ons midden. Zoals toen treedt Jezus ons ook nu met vele kleine stapje tegemoet. Jezus zag haar. Jezus ziet ons leed nu Hij ons tegemoet treedt.

Hij zegt: “Schrei maar niet”. Schreien is soms hopeloos wenen. Jezus treedt op de lijkbaar toe en houdt de stoet tegen. Misschien zijn wij ook op een doodlopende weg in ons leven en houdt Hij ons tegen. Wil Hij ons tot stilstand brengen.

Jezus raakte ze aan. Jezus is niet vies van het dode, van wat opweg is naar de ondergang.

 

Iemand vertelde mij hoe hij van de drank was afgeraakt dank zij AA. Ik was opweg naar de ondergang. Zij waren niet vies van mij. Ze zijn op mij toegetreden en hebben me aangeraakt. Ik werd door hen geraakt en zo van mijn drankprobleem verlost.

Jezus spreekt ook tot ons: Mens sta op.

Opstaan doet denken aan de Verrijzenis: het opstaan voorgoed. Opstaan doet denken aan het beginnen van een nieuw leven. Niet langer blijven liggen in de sleur en slenter van het leven. Sta op. Blijf niet zitten. Blijf niet liggen. Herleef.

Elke eucharistie is een ontmoeting van de stoet van het menselijk leven met de stoet van Gods heil.

 

Mochten wij ook, zoals de mensen toen, door ontzag bevangen worden.

Mochten wij komen tot die prachtige geloofsbelijdenis. God heeft genadig neergezien op zijn volk.

En mochten wij ook komen tot het getuigenis geven van wat God voor ons doet.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

De ouderen onder ons weten nog zeer goed dat de maand juni in het teken stond van het H. Hart. Op het dorpsplein en in de kerk werden bloemen neergelegd bij het H. Hartbeeld door jong en oud.

In alle dorpen was er een processie waarin iemand opstapte als de goede herder met het verloren schaap dat terug gevonden was op de schouders.

Het waren eigenlijk allemaal symbolen en tradities die ons duidelijk wilden maken dat onze God een hartelijke God is… een God met een hart voor de mens… ook voor de zwakke mens.

De tijden zijn veranderd; veel verdween van wat eens was, maar de boodschap blijft ook voor onze tijd belangrijk.

 

Als onze God een hartelijke God is dan moeten wij ook een hartelijke kerk zijn. Het evangelie geeft hierover vandaag te denken. We zien Jezus in gezelschap van twee soorten mensen.

 

1.Simon. Hij is een wetgetrouwe man. Een man van aanzien in de gemeente. Iemand waarop niets te zeggen valt. Bovendien is hij gastvrij en vereerd met het bezoek van Jezus. Een mens die in orde is met God en alleman.

 

2. De zondares. Er is een ander soort mens in dit verhaal. Iemand die helemaal niet past in het klassieke kerkschema van Simon. Iemand die i n het leven een heel andere weg is gegaan. En iedereen weet het: het is publiek gekend, zegt Lucas. Is er voor zulk een mens plaats in de nabijheid van Jezus? Nee toch, dat kan toch niet. Simon heeft er last mee! Met zulke mensen zou hij zich niet ophouden. Over zulke mensen heeft hij allerhande bedenkingen. Simon heeft er ook moeite mee dat Jezus haar toelaat in zijn nabijheid en hij zich haar dienstbaarheid laat welgevallen.

Jezus dreigt in diskrediet te vallen bij Simon. “Als hij een profeet was, zou hij weten wie en wat voor een vrouw het is die hem aanraakt. Het is immers een hoer”.

Dit zei hij bij zichzelf: innerlijk sluit hij zich af voor deze mens.

Jezus houding is heel anders. Heel het evangelie van Lucas tekent Jezus uit als Degene die op zoek gaat naar het verlorene.

Die zijn liefde niet bindt aan voorafgaande voorwaarden of goede resultaten. Achter alle gebrokenheid ziet hij de mens, met zijn pogen, lukken en mislukken. Zo maakt Hij in de mens een grote mogelijkheid tot liefde los, waarvan iedereen staat te kijken.

 

Vanuit dit verhaal moeten we ons de vraag stellen:

Zijn wij de kerk van Jezus of zijn we de kerk van Simon?

We leven in een wereld en een kerk waar heel veel gebrokenheid is tussen mensen. Gebroken relaties. Allerlei samenlevingsvormen. Rond de viering van de eerste communie en vormsel ervaar je deze gebrokenheid in onze kerk. We kunnen de gebroken mens benaderen vanuit het hoge ideaal van het evangelie, vanuit de verheven principes. Zo kijkt Simon naar de vrouw. Dan lopen we gevaar dat er alleen afwijzing is voor de gebroken mens, veroordeling. Ze beantwoorden niet aan de normen…dus. Ze horen er niet bij.

 

Zo doet Jezus niet. Hij plaats zich op de plaats waar de vrouw staat. Hij laat de gebrokenheid van de vrouw aan zijn lijf komen. Hij laat zich doen door haar. Zo neemt hij als het ware de gebrokenheid op zich en tilt haar op naar het hoge ideaal. Haar wordt veel vergeven omdat ze veel liefde heeft betoond. “Uw zonde zijn vergeven”!

Zo moet de kerk van Jezus zijn. Ze moet een hoog ideaal hebben en verheven levensprincipes, maar ze moet vooral durven afdalen en gaan staan in de gebrokenheid van mensen en met mensen opweg gaan en op zoek gaan naar het diepste goed in hen. Dan zal zij mensen verlossen en optillen tot groei naar waarachtig mens zijn. Pas als iemand echt in je gelooft, word je zelf tot geloof in staat. De zondares ontmoette Jezus, niet als werkgever, maar als iemand vol begrip en zo kwam de liefde in haar leven op onstuimige wijze naar boven. “Omdat haar veel vergeven werd, kon zij veel beminnen”.

Ook individueel moeten wij ons afvragen: Hoe benaderen wij deze gebroken mensen? Simon “dacht bij zichzelf”. Wat denken wij bij onszelf als we met dergelijke situaties in contact komen? Zijn wij zoals Simon? Veroordelend; moest Hij weten…. of zijn we bij de vele mensen die graag de mensen “bepraten” maar weigeren hen te dragen.

 

De kern van dit evangelie is: Bij God staan we allemaal in het krijt, de goeden zowel als de slechten. Allen hebben we Gods barmhartigheid en vergeving nodig. Als we dat beseffen, zullen we veel liefde kunnen tonen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Feest van St. Jan de Doper

St. Jan streng en eerlijk.

Op ’t Vat van ’t Stad ontmoette ik een oud leraar van Vito. “Overal waar ik kom ontmoet ik jonge mensen aan wie ik ooit les gaf” vertelde hij. Ik ken ze niet meer maar zij kennen mij wel. “Je was een strenge leraar, maar eerlijk” zeggen ze. Blijkbaar waarderen ze dit achteraf en het doet goed dat te horen.

 

“Streng maar eerlijk” dat zouden we ook van Johannes, onze patroonheilige kunnen zeggen. Hij praatte de mensen niet naar de mond, hij probeerde hen een weg te wijzen.

Laten we vandaag even bij hem stilstaan en kijken we naar zijn beeld. Zijn uitgestoken vinger geeft aan dat hij naar iemand wijst dat hij de weg wijst. Hij is een weg wijzer en een wegbereider voor Jezus. “Zie daar het Lam Gods, dat de zonden van de wereld draagt”. Het boek met het Lam verwijzen naar Jezus, die Gods woord is onder ons, en die het Lam Gods is.

 

Hij wordt ook de Voorloper genoemd: degene die de komst van een belangrijk iemand komt aankondigen en die de mensen oproept zich klaar te maken voor die komst.

Ten slotte wordt hij ook de Doper genoemd: zijn doopsel was niet zomaar een ceremonie, een vrome plechtigheid. Het was een doopsel van bekering… Wie zich door Johannes liet dopen, koos bewust voor de weg van God, weg van de zonde en onrecht.

Daarom doopte Johannes in de Jordaan, juist op die plaats waar eertijds het volk van God, onder leiding van Mozes de slavernij van Egypte verlaten had, om de tocht naar het beloofde land te beginnen. Zijn oproep was streng en eerlijk.

 

Durven wij ook radicaal zijn en eerlijk in onze levenswandel?

Ook zijn verschijning tussen de mensen was opvallend. Hij droeg een kleed van kameelharen en lederen gordel om de lenden; hij liep blootsvoets in de woestijn. Ook zijn eten was bijzonder, sprinkhanen en wilde honing, het voedsel van landlopers en zwervers. Eten wat je in de natuur vindt. Blijkbaar had hij zich teruggetrokken van de wereld van zijn tijd om zich te bezinnen over zijn roeping. Wanneer hij terug keert uit de woestijn klinken zijn woorden tot zijn toeschouwers als een donderpreek: vooral de godsdienstige leiders moeten het ontgelden. Adderen gebroed, zorg dat je levenswandel echt is en de boom vruchten draagt. Denk niet dat je bij God privileges kunt inroepen, je relaties zullen je niet helpen. De bijl ligt klaar om de zieke boom te vellen. Ook de gewonen mensen roept hij op tot ommekeer. Hij is voor hen heel wat milder, maar iedereen moet wat inleveren:

            Tot de soldaten: niet plunderen

            Tot de tollenaars: niemand afpersen

            Tot de gewone mensen: deel van je bezittingen

Hij vraagt het niet om hemzelf, maar omwille van degene die zal komen om Gods rijk te vestigen in deze wereld. Ons bekeren, zal ons juist een groter geluk meebrengen. Wij leveren in, opdat de hele mensheid zou groeien in geluk. Wij zijn pas rijk als niemand arm is.

 

Als Johannes zo optreedt, is het niet omdat hij de man wil zijn. Integendeel. Ik moet kleiner worden, zegt hij, opdat Hij tot volle grootheid zou kunnen komen”.

Wat moeten wij met zulk een patroonheilige op Wortel kermis? Misschien moeten we dan kijken naar Jezus. Johannes leefde streng en sober, Jezus at en dronk zelfs met de tollenaars, hij ging naar het bruiloftsfeest en zorgde er voor en overvloed aan wijn. Johannes zal het wel kunnen verdragen dat we met de kermis, niet zo streng en sober leven als hijzelf, maar dat we zoals Jezus kunnen genieten van het feesten en drinken en gezellig samenzijn, maar dat we het nooit doen ten koste of op de kap van een ander.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

De verdraagzaamheid van Jezus.

 

Stelt u eens voor: een pastoor gaat een nieuwe parochiaan bezoeken. De huisdeur gaat open, de pastoor wordt van kop tot teen opgenomen en als ze dan zijn kruisje zien, gaat de deur niet verder open: “Dank u wel, wij gaan niet naar de kerk” en de deur gaat dicht! Hoe voelt een pastoor zich op z’n moment?

 

Zo kunnen wij ons een beetje de situatie indenken van de leerlingen die voor Jezus onderdak gingen zoeken. De Samaritanen wilden Jezus niet opnemen voor de nacht, omdat Hij naar Jeruzalem op bedevaart ging.

Dat was echte onverdraagzaamheid uit religieuze motieven. Johannes en Jacobus, die in het evangelie twee donderzonen genoemd worden, vroegen aan Jezus: “Moeten wij die onverdraagzaamheid niet met dezelfde wapens bestrijden? Laat over dat dorp vuur uit de hemel regenen. Dat zou een goed voorbeeld zijn voor anderen”. Zij kenden zulke voorbeelden uit de Bijbel.

Over Sodom en Gommorra was ook vuur uit de hemel geregend. Jezus zelf had gezegd, dat het een stad, die zijn leerlingen niet wilde opnemen, nog slechter zou vergaan dan Sodom en Gommorra.

En toch… hier berispt Jezus zijn leerlingen: “Ik ben niet gekomen om te veroordelen, maar om te redden”.

 

Wat Johannes en Jakobus wilden doen, blijft een voortdurende bekoring voor elke godsdienst, dat zien we wel in het Midden Oosten. In elke religieuze overtuiging schuilt het gevaar, je eigen overtuiging te verabsoluteren en ze met alle middelen, zelfs met bedreigingen en geweld, aan anderen op te dringen. Je eist de vrijheid op voor je eigen overtuiging, maar je wilt de vrijheid niet toekennen aan hen die een andere overtuiging hebben. Dit blijft een bekoring voor onze kerk. De hevigste debatten in het laatste concilie vonden plaats toen het ging om de godsdienstvrijheid. En als het concilie toen verkondigde dat in religieuze zaken niemand gedwongen mag worden, dat iedereen volgens zijn eigen geweten mag handelen, dat het geloof alleen in vrijheid beleefd kan worden, dan wordt deze overtuiging in de praktijk nog lang niet gedeeld door alle christenen.

 

Het probleem is niet opgelost door te zeggen: zij moeten het zelf maar weten. Maar de echte zorg om het heil van de mensen sluit elke vorm van dwang uit. Vragen sommige ouders van hun kinderen geen dingen, die ze zelf niet meer doen? Geen wonder dat zulke kinderen dit “moeten” van zich afwerpen. Dan zul je met dwang niet veel meer bereiken. Het geloof kun je alleen maar voorleven.

 

Verdraagzaamheid is geen teken van zwakte, geen verloochening van eigen overtuiging, maar een teken van eerbied en vertrouwen dat God vele wegen kent om het hart van de mensen te vinden en om het heil van de wereld te bewerken.

 

(Naar J. Lammers)

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Tafelmanieren.

Er wordt in onze wereld van welvaart en weelde nogal wat getafeld en gegeten. Kijk maar eens in de eetgelegenheden in de restaurants en terrasjes: het is meestal vollen bak.

Ook Jezus ging tijdens zijn leven nogal eens eten en tijdens dat eten deed hij soms nogal belangrijke uitspraken. Ook vandaag is Jezus te gast bij een voornaam rijk persoon van de gemeenschap. Hij doet hier vandaag enkele krasse uitspraken zowel voor degene die op het feest zijn als voor degene die het feest geeft.

 

1. Eerst heeft hij het over de genodigden. Ze zoeken de beste en voornaamste plaatsen. Ze willen perse zitten bij hun vrienden en vriendinnen en daarom hebben de eersten sjaaltjes, sjachochen en zakdoeken gelegd op de stoelen naast hen. Die moeten aan de anderen zeggen “hier is geen plaats voor jouw”, hier wordt iemand anders verwacht. Als er dan toch iemand komt die voor de eerste keer komt dan dreigt die nergens terecht te kunnen. Hij of zij hoort niet bij een bepaald kliekje en dus… tot er iemand van het bestuur zich over haar of hem ontfermt. Vaak gebeurt dat niet want sommigen komen gewoon niet omdat ze er niet voor schut willen staan.

Toen Jezus dit zag gebeuren zette hij hen op hun plaats:

“Wanneer ge ergens uitgenodigd wordt ga dan op de minste plaats zitten”. Zorg ervoor dat de anderen een goede plaats hebben zodat ze weten dat ze welkom zijn.

 

2. Ook voor degene die het feest geeft en uitnodigt heeft hij zijn raad gegeven. De algemeen aanvaarde gedragscode wordt zonder meer als onvoldoende afgewezen.

“Wanneer gij een maaltijd geeft nodig dan niet uw vrienden uit en rijke buren”!

In Jezus tijd, evenals in onze tijd, heerste er een felle relatiekoorts. Relaties hebben en relaties opbouwen was een belangrijke bezigheid. Dat begint ook al heel jong. Laats was ik in een familie. Het zoontje werd 11 jaar en hij had uitnodigingen gemaakt voor zijn schoolvriendjes die mochten komen: hij zou ze zelf in de bus steken. Wie mag er komen en wie niet? Leerkrachten vertellen dat het soms pijnlijk is dat een of ander kind nooit uitgenodigd wordt op zo’n verjaardagsfeestje. Het hoort er niet bij. Sommige ouders doen aan dat selectief feestjes geven niet mee om hun kinderen zulk onheil te besparen.

Andere ouders hebben daar wel aandacht voor en leren hun kinderen ook kinderen die minder kansen hebben dan zij een plaats te geven in de groep. Zo voeden ze hun eigen kind op tot een evangelische breeddenkendheid.

 

Waarom al die aandacht voor die onbekende en ongewenste medemens? Als Jezus vandaag in het evangelie zegt: als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkige, kreupelen en blinden uit” dan wil hij daarmee zeggen dat er met Hem en nieuwe maatschappelijke ordening begint. Een ordening die niet vertrekt van hen die bovenaan staan op de ladder, maar met hen die zelfs geen plaats hebben op die ladder.

Jezus heeft niet alleen deze woorden gesproken: Hij heeft ze ook zelf in zijn leven tot vervulling gebracht.

Tijdens zijn leven gaat hij eten bij tollenaars en zondaars, tot grote ergernis van de goegemeente. Op het laatste avondmaal wast hij de voeten van zijn leerlingen als een meid voor alle werk.
De laatste plaats kan je niet meer innemen, zegt Ch. de Foucauld. Deze is al benomen door Jezus zelf. En als hij sterft is het tussen twee boeven.

Met Jezus is de nieuwe wereld van het Godsrijk begonnen. Aan zijn tafel mogen wij te gast zijn: rijk en arm, groot en klein, goeden en slechten. Maar of die nieuwe wereld verder reikt dan dit gebouw zal van ons afhangen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Loslaten

Het begin van het nieuwe schooljaar zijn spannende dagen: niet alleen voor de kinderen maar ook voor de ouders. Een Franssprekend gezin kwam onlangs hier wonen. De kinderen moeten voor ’t eerst naar school. Hoe zal het zijn? Zullen ze goed opgevangen worden? Ouders moeten hun kinderen loslaten opdat ze zouden kunnen groeien.

Een mama uit een afgelegen buurt vertelde. Ons dochtertje, 10 jaar, is voor de eerste keer met de fiets naar school. Ik hou mijn hart vast! Maar je moet ze loslaten op ze te helpen groeien naar volwassenheid.

 

Jezus heeft het in het evangelie ook over loslaten. Als je Hem wil volgen dan moet je heel wat durven loslaten. Hij zal zich moeten durven losmaken van zijn ouders en familie, zijn vertrouwde omgeving. Hij moet zich ook durven losmaken van zijn bezittingen.

Jezus woorden klinken nogal negatief, toch gaat het bij Jezus om iets positiefs “Zijn leerling worden” Bij Jezus horen.

 

Veel mensen hebben de indruk dat de kerk altijd “neen” zegt tegen wat er in de wereld omgaat. Het kerkelijk njet op zovele domeinen van de samenleving geeft de indruk dat de kerk wereldvreemd is en niet echt van de wereld houdt. Toen journalisten de paus eens attent maakten op dat voortdurend neen zeggen van de kerk was zijn antwoord: Het christendom, het katholicisme, is geen verzameling van verboden maar een “positieve optie“. Wij hebben een positieve kijk op de mens, op het leven, op het huwelijk.

Waar juist deze positieve optie bedreigd wordt zal de kerk een neen laten horen. Elk verbod is slechts de negatieve formulering van een positieve waarde” zeggen de bisschoppen.

“Gij zult niet doden” wil immers zeggen: zie hoe kostbaar , aantrekkelijk en mooi het leven is: respecteer het leven dan ook.

 

Misschien moeten wij daarom niet op de eerste plaats verboden uitspreken maar de “waarden” op de kandelaar plaatsen.

Als je opreis gaat ben je toch vooral geboeid door de mooie dingen die je te zien zal krijgen. Dat er hier en daar ook risico’s zijn neem je erbij.

“Als je mij wil volgen. Als je mijn leerling wil zijn”; dat is de positieve uitnodiging in dit evangelie.

 

In de sportwereld van vandaag zou het klinken: Als je topsporter wil zijn, als je bij de selectie van de Spelen wil zijn……. dan…... moet je jezelf heel wat ontzeggen. Een sportman of vouw is gegrepen door de sport en dan vallen de opofferingen niet zwaar.

Een christen die gegrepen is door Jezus zal ook met vreugde de consequenten van zijn keuze aanvaarden.

 

In het parochieblad vertelt de Afrikaanse topspeler van Westerlo Patric Ogunoto, de witte krullenbol, dat voor hem godsdienst op de eerste plaats komt, eigenlijk nog voor de voetbal. Elke zondag wil hij naar de kerk ofwel in Westerlo ofwel naar een Engelstalige dienst in Antwerpen. Ik lees de bijbel om dichtbij God te blijven.

 

Elke ochtend en avond lees ik psalm 20, mijn lievelingstekst. Met God is alles mogelijk. Ik vertrouw op Hem.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Redden wat verloren is

 

De evangelist Lucas noemt men weleens de evangelist van Gods barmhartigheid. Meer dan de anderen tekent hij in het optreden van Jezus Gods barmhartigheid uit. Het XV hoofdstuk is hiervan het hoogtepunt. We vinden er drie verhalen die als een triptiek Gods barmhartigheid uittekenen.

Aan de buitenkant 2 taferelen die het zoeken van God naar het verlorene beschrijven en in het middentafereel, breed, uitgeschilderd, het vieren van de verzoening van de verloren mens met God. De parabel van het verloren schaap en de verloren drachme en centraal de parabel van de verloren zoon of soms genoemd: de parabel van de barmhartige vader.

Vandaag willen we blijven stilstaan bij de twee buitentaferelen.

Lucas begint met een scherpe tegenstelling te maken: tegenstelling tussen de houding van de farizeeërs en de houding van God.

Er kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus. Hij beweegt zich niet enkel tussen de goegemeente. Tollenaars zijn mensen die meedoen met de bezetter, die profiteren van heel de maatschappelijke situatie en zondaars zijn de mensen die niet passen in het godsdienstig bestel van het land. Beide groepen zijn afgeschreven door de godsdienstige leiders en vooraanstaanden.

Ze morden daarover. Ze ergeren zich aan Jezus houding. Bij hen gaan eten, tafelgemeenschap is het toppunt van solidariteit met deze groep.

 

Daartegenover wil Lucas de houding van God plaatsen. God is anders, God kijkt anders naar mensen. Hij doet het met een verhaal .

Hij schildert het in een tafereel uit het volksleven.

Jezus wil iets over God zeggen.

Zie je die herder: hoe hij zoekt, ook dat 1 op 100 is voor hem heel belangrijk. Hij heeft geen zwarte schapen. Hij zoekt, Hij zoekt tot hij vindt. Hij legt het op de schouders, er is vreugde.

Zie je die vrouw: hoe zij zoekt. Hoe blij ze is als ze het gevonden heeft. Zo is God zegt Jezus.

Een parabel is nooit af. We moeten hem zelf afmaken. Het is een open verhaal dat wij moeten door vertellen in ons leven. Als ik dit met deze twee verhalen wil doen dan zou ik zeggen: “Mensen er is reden om hoopvol te staan in het leven”. Als we vanuit God durven leven is er hoop, en wel op 2 vlakken.

 

Voor mij persoonlijk: wij moeten ons nooit totaal verloren voelen. Zelfs als wij ons verloren voelen, mogen wij weten dat God zoekende is. Er is voor een mens niets zo erg dan het gevoel hebben dat niemand wat om je geeft. Dat niemand je draagt in het leven. Het evangelie zegt ons: Gods is altijd zoekend naar u. Het vraagt dat wij echt durven luisteren naar Hem. Ons durven overgeven aan zijn woord.

 

Voor de anderen. Naar de anderen toe betekent het dat wij een stukje God kunnen zijn. Zoekend, vindend, op de schouders leggend. Niet klasserend of afschrijvend. bv Je man zit er zomaar bij! Je kan er je aan ergeren. Maar je kan ook op zoek gaan naar elkander.

- Je ligt overhoop met je thuis. Wie zal de eerste stap zetten. God zet de eerste stap zegt Jezus. En hij is er gelukkig om. Zijn vreugde kan niet op. Hij moet ze delen met anderen.

- Of je zit in de knoop met je relaties, als verloofden, als vrienden. Je kan elkaar beschuldigen, verwijten. Stilstaan bij de fouten ofwel verder kijken. God ziet verder. Hij steekt licht aan. Hij gaat zijn licht opsteken. Hij keert alles bij elkaar. Alles, het goede en kwade en daartussen vindt hij het kostbare.

 

Laten we deze week op zoek gaan naar mensen die zich verloren voelen in het leven en als jij eens een rotdag hebt, weet dan: Iemand is op zoek naar jou. Onze lieve God, die wij vader noemen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

God of de Mammon

Als je de krant openstaat dan vind je bijna wekelijks verhalen over allerhande duistere praktijken die met geld te maken hebben. Geldverduisteringen misbruik van zijn positie om financiële voordelen, smeergelden. Sommigen deinzen er niet voor terug gewapenderhand zich van geld meester te maken. Geldtransporten worden overvallen. En mensen worden gegijzeld om grote losgelden te bekomen.

Heel onze westerse welvaartwereld lijkt rond geld te draaien. Het christelijk middenstandsverbond deed een onderzoek hoeveel zakgeld de jongeren van vandaag hebben. Resultaat: gemiddeld 140 euro per maand. Dus onze jeugd is interessant. We moeten onze handel op hen richten. Wie geld heeft is interessant.

 

In de bijbel wordt geld vaak gezien als de grote vijand van God, als zijn voornaamste concurrent. Het geld krijgt een naam: de Mammon.

De eerste lezing laat zien tot wat de geldhonger leidt. De profeet Amos is er aan het woord. Hij was een vijgenkweker en een schaapfokker, een boerke van den buiten zouden wij zeggen. Hij leefde in een tijd dat er grote welvaart heerste, maar ook schrijnende ellende onder de massa. Hij trekt van den buiten naar de stad waar de rijken wonen en handel drijven, maar ook de armen samenhokken. Wij kennen deze beelden uit de ontwikkelingslanden van de derde wereld.

 

Amos trekt er naar toe en houdt er zijn donderpreken. Hij neemt geen blad voor de mond. Hij spot met hun vroom onderhouden van de Sabbat en de religieuze gewoonten, omdat ze hen niet weerhouden af te zien van oneerlijke praktijken.

Jullie zeggen dus: Wanneer is de nieuwe maan voorbij? Wanneer de Sabbat? Dan kunnen wij ons graan uitstallen! Dan verkleinen wij de korenmaat. Dan verhogen wij de prijs en bedriegen wij met een vervalste schaal. Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen en verhandelen wij het uitschot van ons koren.

Toen wij deze tekst eens in een groep jongeren bespraken zei iemand: “Honderd vijftig jaar geleden ging het er hier zo ook aan toe en in de derde wereld is het nog actualiteit.

In het evangelie vinden we een opmerkelijk Jezus woord:

“Maakt u vrienden door den onrechtvaardige Mammon”.

 

Geld moet je aanwenden om er goed mee te doen. Geld mag geen doel op zich worden. Dan wordt het je god. Geld moet altijd een middel zijn, een middel om van te leven en te laten leven. Daarom prijst de Heer de onrechtvaardige rentmeester. Hij handelt met overleg door de schuldenaars van zijn Heer tot zijn vrienden te maken door hun schulden te verminderen. Hij is vindingrijk om zich uit zijn netelige positie te redden. De kinderen van de duisternis zijn soms slimmer dan de kinderen van het licht.

 

De kinderen van het licht zouden even creatief moeten zijn in het doen van het goede als de kinderen van de duisternis in het bedriegen.

Geld of je leven! Dat is niet alleen de keuze bij een overval, maar de keuze voor elke mens.

Man van zestig: “We waren thuis met 10 kinderen. Ik heb ze nooit over geld horen spreken. We hebben moeten werken om te leven, maar we hebben geleefd. Nu hoor ik ze alleen maar over geld praten, maar ze hebben geen leven meer. Geld of leven het is de keuze waarvoor de welvaartsmens en christen staat. Het evangelie wijst de weg:

“Gij kunt niet God dienen en de Mammon.

Maak u vrienden door de onrechtvaardige Mammon”.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

De Rijke vrek en de arme Lazarus. 

Als ik het evangelie van vandaag tot mij laat spreken dan treffen mij drie dingen.

Ten eerste. De arme Lazarus lag voor de Poort van de Rijke

Hij kon er dus niet naast kijken. Hij dreigde erover te vallen. En toch zag hij hem niet. Rijkdom dreigt de mens blind te maken. Misschien ken je dat parabeltje.

Een arme kwam in het huis van een rijke en vroeg wat hij zag door het vensterraam. De rijke antwoordde dat hij vele mensen zag. Toen hield de arme de rijke een spiegel voor en vroeg wat hij zag. “Alleen mezelf” zei de rijke.

De arme dacht na: een spiegel is toch ook een beetje vensterglas. Het is wellicht het zilver dat ons de medemens belet te zien. Rijkdom kan ons blind maken voor de arme.

Bij ons ligt de arme niet voor de deur, maar hij komt dagelijks in onze huiskamer binnen langs de TV. Vaak halen we de schouders op. Er is toch niets aan te doen. Wij kunnen dat niet oplossen. Inderdaad maar dat vraagt het evangelie niet. Wij moeten de problemen niet oplossen maar wij moeten wel proberen te doen wat wij kunnen doen. De arme Lazarus was immers tevreden met de kruimels van de tafel van de rijke.

 

Ten tweede: ik weet niet of het u opgevallen is dat de harteloze rijke in het evangelie geen naam heeft. Maar de arme wel.

In onze wereld is het andersom: de rijken hebben naam, zijn gekend en bekend. Voor God niet zegt de bijbel. De harteloze rijke is geen naam waard. Hij telt niet voor God. De arme heeft een naam. Hij die niemand is voor de wereld is iemand voor God.

En weet je wat de naam Lazarus betekent: “God helpt”.

Eigenaardig Lazarus – god helpt – God lijkt helemaal niet te helpen of toch…. de arme kan de weg zijn waarlangs God de rijke helpt om zijn harteloosheid af te leggen, een andere mens te worden.

Franciscus van Assisi was van rijke afkomst. Hij leefde er ook heel rijkelijk op los met zijn vrienden. In de buurt van Assisi buiten de stad verbleven ook veel melaatsen. Arme stakkers die de dood in hun lijf droegen. Op een van zijn tochten te paard door de Umbrische vlakte stootte hij op een melaatse. Hij stond vlak voor hem. Hij wilde in een reflex wegspringen. Maar iets in hem weerhield hem. Hij ging naar de melaatse toe, gaf hem een geldstuk en kuste hem. Sinds die dag kwam er een totale omkeer in Franciscus leven. De arme melaatse gehad Franciscus leven veranderd. De arme heet Lazarus: God helpt. In de armen helpt God ons om betere mensen te worden. Jezus vereenzelvigt zich met de arme.

 

Ten derde: In de pijniging van de hemel vraagt de rijke aan Abraham dat hij iemand uit de hemel zou zenden naar zijn 5 broers om hen te waarschuwen opdat ze niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: “Ze hebben Mozes en de profeten, laat ze naar hen luisteren”.

Zijn wij mensen uit het rijke westen niet de vijf broers van de Rijke. Soms hoor je de mensen zeggen: “Der moest nog maar eens een oorlog komen dan zouden de mensen wel veranderen”. Neen zegt het evangelie: we moeten niet wachten tot er een of ander onheil uit de hemel komt. Maar we moeten luisteren naar het woord van de bijbel dat ons geschonken wordt. Gij hebt Mozes en de profeten en Jezus zelf. Luister naar hen.

 

Een waarschuwing aan ons adres om Gods woorden ernstig te nemen.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Vredeszondag

 

De eerste week van oktober is in de kerk de Vredesweek. Ze wordt georganiseerd door de Vredesbeweging Pax Christi: De vrede van Christus. Samen onder één paraplu.

 

In die week nl. op 4 oktober wordt ook het feest gevierd van Franciscus van Assisi. Franciscus van Assisi is en blijft een grote heilige, ook voor onze tijd. Wie in Assisi komt voelt als het ware nog de geest van Franciscus.

Hij die zichzelf en zijn volgelingen de naam “ Minderbroeders” gaf, om uit te drukken dat ze niet de grote Jan of sterke broer moesten zijn in deze wereld maar de “Mindere, de dienende broeder, zoals Jezus zelf die de minste plaats heeft ingenomen. Er hangt iets van die stille bescheidenheid over de stad, de streek en zijn mensen.

 

Op de tweede plaats is Franciscus ook populair op onze dagen om zijn grote liefde voor de vogels en de natuur. In Portioncula staat in de gang een Franciscus beeld met een vogelnestje en in dat nest zit elk jaar een duif te broeden. Er passeren duizenden mensen door de gang voorbij het beeld en ze blijft rustig zitten. Ik kom hier al dertig jaar, vertelde de gids, en telkens zit hier een duif te broeden. Franciscus was geen aanbidder van de natuur, een groene jongen. Doorheen en in de natuur ontdekte hij God en verheerlijkte hij God. Hij was een aanbidder van God. Omdat hij God ontdekte in de natuur had hij zo’n grote eerbied voor de natuur.

 

Tenslotte is Franciscus ook tot op vandaag zo populair omdat hij een echte Vredesapostel was. Hij waagde het zelfs de Sultan op te zoeken om de vrede tussen de christenen en de Islam te bepleiten. En vooral in Assisi zie je de spreuk die Franciscus aan zijn stad heeft gegeven. Pax et bonum. Vrede en alle goeds. Om deze redenen is hij ook een heilige van deze tijd.

 

In het Europa van de 12de eeuw waren ook heel nieuwe verwachtingen en mogelijkheden ontstaan. Er ontstond een nieuw ideaal van gelijkheid en broederlijkheid. Maar de gevechten tussen de rijke families, de rivaliteit tussen de stadsstaten kelderden dit ideaal. Franciscus redde de droom van zijn tijd door een radicaal evangelisch getuigenis van broederlijkheid en vrede, geworteld in God, de Vader van alle mensen. Op het feest van Franciscus en naar aanleiding van de Vredesweek kunnen wij ons de vraag stellen: Welke zijn vandaag, de grote vragen en diepste hunker van onze cultuur? Ook wij beleven nieuwe kansen en mogelijkheden in Europa. Twee vragen leven sterk in onze tijd.

 

1. De vraag naar de waardigheid van de mens. Te pas en te onpas horen wij spreken over en oproepen tot het erkennen van de mensenrechten. Onze tijd komt sterk op voor de erkenning van de rechten van de mens. Toch zien we tegelijk dat de hedendaagse mens op vele plaatsen en wijzen ontluisterd en verminkt wordt door uitbuitingen en minachting, misbruik en onrecht. Denken we maar aan de droeve beelden die we te zien krijgen op tv.- bv. in Birma. Maar toch groeit er een protest en een nieuwe verbondenheid om op te komen voor de eigen unieke waardigheid van elke mens.

 

2. Er leeft in onze wereld ook een duidelijke vraag naar verbondenheid en gemeenschap. In de loop van de geschiedenis heeft de mens al belangrijke stappen gezet.

Vroeger vochten de steden tegen elkaar: dat is voorbij.

Later vochten de steden tegen elkaar: ook dat is voorbij.

Nog later vochten landen tegen elkaar. Wij dachten dat dit ook voorbij was en dat we stilaan groeiden nar de eenwording van continenten. Het wegvallen van het ijzeren gordijn en de afbraak van de Berlijnse muur deed de hoop ontstaan dat Oost en West voortaan in vrede zouden leven en dat men eindelijk werk zou kunnen maken van de Noord-Zuid tegenstelling, de tegenstelling van Rijk en Arm.

 

Meer en meer beseffen wij dat de gemeenschap tot in zijn kleinste vorm van het gezin bedreigd wordt. Maar toch klinkt de wekroep tot waarachtige ontmoeting en verbondenheid steeds duidelijker. Wij hebben het geluk toevallig geboren te zijn en te leven in het rijkste deel van deze wereld. Onze verantwoordelijkheid is des te groter. Päx Christi waarschuwt ons dat we ons niet zouden opsluiten in zelfgenoegzaamheid. Dat we geen economische muren zouden optrekken om onze welvaart te beschermen, maar dat wij bewust zouden kiezen voor solidariteit.

 

De eerste lezing riep ons op het geloof in het visioen van vrede niet op te geven. “Schrijf het visioen op” zegt de profeet. Zet het duidelijk op schrift. Dit visioen hunkert naar vervulling. En hij spoort ons aan: Ook al blijft het uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet telaat. Wij moeten Gods visioen blijven verkondigen en erin blijven geloven.

En in het evangelie zegt Jezus: “Als gij een geloof had als een mosterdzaadje dan zou je een moerbeiboom met wortel en al in zee kunnen planten”. Wat een gedurfde vergelijking. Het mosterdzaadje is immers het kleinste zaadje en de moerbeiboom is een grote boom met uiterst sterk wortel gestel.

Met het geloof als een mosterdzaadje kunnen we de haast onmogelijke taak van vrede en verzoening aan.

 

Misschien moeten ook wij met de leerlingen bidden: Geef ons meer geloof

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Tien Melaatsen

 

Ik las deze week volgend verhaal: Twee mensen keerden terug uit de kliniek. Ze waren beiden genezen. Door de artsen werden ze beiden van de rand van het graf gehaald. Na een lang genezingsproces werden ze uit het ziekenhuis ontslagen.

En toch is er een groot verschil te zien tussen beiden.

De ene loopt weer precies door het leven als vroeger, net of er niets gebeurd is. De andere is veranderd. Die ziekte en dat genezingsproces hebben hem tot in de kern geraakt.

Hij is niet alleen genezen: Hij is een ander mens geworden. Niet meer zo uitbundig en luidruchtig, maar wat stiller en blijer. Zijn leven heeft precies aan diepte gewonnen. Hij staat vooral dankbaar tegenover elke dag van het leven.

Ik dacht aan dit verhaal terug toen ik het evangelie van vandaag las. Er gebeurt iets gelijkaardigs: alle tien zijn ze genezen.

Negen van de tien lijken het leven weer in te lopen alsof er niets gebeurd is. Maar die ene is door het gebeuren veranderd. Hij keert terug. Hij keert zich letterlijk en figuurlijk om.

Er heeft een ommekeer plaats in zijn leven.

Hij verheerlijkt God en dankt Jezus in wie hij Gods tegenwoordigheid vermoedt.

Negen zijn alleen genezen. Lichamelijk hersteld.

Deze ene is werkelijk “gered”. Jezus spreekt  tot hem een verrijzeniswoord: Sta op, uw geloof heeft u gered. Hij heeft de werkelijkheid van het leven tot in zijn diepste betekenis begrepen: achter het lichamelijk gebeuren  zag hij de Heer van het leven.

En het was een vreemdeling, zegt het evangelie: Iemand waarvan men het niet zou verwachten. Iemand die niet vertrouwd was met de Joodse godsdienst. Het was zelfs  een Samaritaan. Juist die man wordt door het evangelie tot voorbeeld gesteld aan de Joodse toehoorders. Toen een Turkse vader zijn kind kwam halen  in de kliniek  zei hij: “Allah heeft het kind genezen en de dokter heeft zijn best gedaan”.

Het evangelie lijkt mij de vraag te stellen naar de kwaliteit van ons leven en naar de diepte van ons geloven.

Ieder van ons maakt allerhande gebeurtenissen mee: wij moeten er vaak doorheen. Ontdekken dat juist in die concrete gegevenheid de grote levensopdracht ligt die God ons geeft, kan heilbrengend zijn en reddend voor de mens.

Zoals die ene Samaritaan moeten wij in de gebeurtenissen van het leven Gods werkzame aanwezigheid herkennen. Dan zal ons geloof reddend zijn: het zal ons op de been helpen en op weg zetten. “ Sta op” zei Jezus “en ga heen”.

De maatstaf om de diepte van ons geloof te meten is dankbaarheid.

Toen men aan kardinaal Danneels vroeg naar het verschil tussen een gelovige en een ongelovige was zijn antwoord: “Een, gelovig mens is meestal een dankbaarder mens”.

Als kind hebben we het wellicht ervaren dat “dank u” zeggen belangrijk is. Iedereen kent wel het huiselijk tafereeltje waarbij de Bomma op bezoek komt. Ze heeft een snoepje bij voor de kleine kleuter. Terwijl de kleine kleuter zijn handje uitsteekt begint het:

“En wat zeg je? Dank U”.

Maar het lijkt nog niet genoeg: want Bomma houdt het snoepje nog stevig vast:

“Dank U wie” vraagt ze…  “Dank u Bomma” is het antwoord.

Zo is de les volledig. Dank u leren zeggen – en dank u leren zeggen  aan iemand. Doorheen het iets moest het kind iemand leren zien.

De gelovige mens ziet achter het leven – de levende bij uitstek.

Een moeder zegt aan haar kind dat niet graag naar de mis kwam, “kind, denk eens aan al wat je in het leven hebt”. Is het dan teveel om eens in de week God dank u te zeggen?

Jongeren klagen over de mis: “We hebben er niets aan”.

Misschien moeten we meer ontdekken dat de mis er niet is om nog maar eens te hebben en te krijgen, maar om onze dank te geven.

Ze wil ons behoeden dat we zouden worden als de 9 melaatsen uit het evangelie die het dank u verleerd hebben.

Brengen we dank aan de Heer onze God.

Toch moet onze dankbaarheid voor God dieper worden dan alleen maar danken voor wat we kregen.

“Wij danken u om uw grote heerlijkheid” zeggen we in de mis.

God danken omdat Hij God is. Omdat Hij die Gij met hoofdletter is die ons voortdurend oproept om meer mens te worden, om uit te stijgen boven onszelf. Zo worden wij gered.

Laat deze eucharistieviering een uitnodiging zijn om dankbare mensen te blijven voor elkaar en voor God.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Vertrouw op God en doe wat je kan

 

Wij leven in een wereld vol contrastervaringen.

Aan de ene kant: ontzettend grote problemen

Aan de andere kant: onze beperkte mogelijkheden.

Honger in de wereld:: acties als 11-11-11  Broederlijk delen. Een druppel op een hete plaat.

Oorlog en terreur: Vredesacties met kaarsen en handtekeningen.

Onverschilligheid tegenover God en Kerk: Onze kleine missie ijver.

Echtscheidingen en zelfdodingen: Inzet voor jongeren en kinderen.

Hoe houden wij dat vol? Als mens en als christen.

De lezingen van vandaag wijzen ons een weg ….. misschien een weg voor ons….

De eerste lezing vertelt hoe Mozes en zijn volk op het einde van de woestijntocht stootte op Amilek en zijn benden die hen de doortocht naar het beloofde land ontzeggen. “Over mijn lijk”, zegt Amilek. Jullie komen er niet door. Daar staan ze, vermoeid en uitgeput door de lange en  zware woestijntocht tegenover Amilek die als een gier loert op zijn prooi.

Toch werd Amilek verslagen. Er gebeuren twee dingen:

Jozua verzamelt zijn beste manschappen. Zijn beste krachten en trekt ten strijde. Mozes gaat op de top van de heuvel bidden met de beide armen ten hemel gericht. Zolang Mozes de armen opgeheven houdt is Jozua aan de winnende hand. Als hij zijn armen laat zakken wint Amilek.

Het verhaal is duidelijk: Jahweh heeft het laatste woord. Gods gerechtigheid overwint. Maar de mens moet twee dingen doen: Bidden en strijden. Inkeer en strijd.

Het evangelie plaatst ons ook voor zo’n schijnbaar hopeloze situatie. Aan de ene kant: Een goddeloos rechter: Iemand die zich om god noch gebod bekommert. Die slechts één norm kent: zichzelf . Zijn willekeur.

Aan de andere kant: Een weduwe, compleet hulpeloos en weerloos; iemand zonder rechten in die maatschappij.

Hoe kan zo iemand ooit recht bekomen bij zo iemand. Geen kans zouden wij zeggen.
De vrouw doet twee dingen: Ze houdt vast aan haar geloof dat Jahweh het opneemt voor de kleinen en zwakken. dat hij hun pleitbezorger is. Ze bidt. Ze doet al wat haar mogelijk is. Ze gaat op weg. Ze legt haar verzoek voor. Ze blijft het altijd herhalen.

En wat zien we: De Goddeloze rechter verschaft haar recht. De sterke wordt zwak en de zwakke sterk. Het is een rode draad doorheen het evangelie dat de zwakke met God een kracht heeft die het haalt op de sterke van de wereld zonder God.

Zo nodigen de lezingen de eerste christenen maar ook ons christenen uit tot die dubbele levenshouding.

 

1. Geloven in God dat zich uitdrukt in volhardend bidden: het niet loslaten van God, Gods droom over mens en wereld.

 

2. Doen wat mogelijk is. Missiezondag houdt ons vandaag voor: Als de mens een vraag is, Christus is het antwoord.

Het eerste wat wij in het licht van de lezingen te doen hebben is:

 

a. Geloven dat Christus het antwoord is.

Biddend op dezelfde golflengte komen als Jezus hart. Zo komt zijn vertrouwen in ons en raken wij doordrongen van zijn zaligsprekingen. Bidden zegt H.Benedictus is het “ Werk van God”. God in je laten werken. Het verbreedt onze horizon zodat de zaak van God onze zaak wordt.

b. Doen wat in onze mogelijkheden ligt.

Ghandi heeft eens gezegd tot zijn volgelingen in het geweldloos verzet.

“ De meeste dingen die wij doen zijn niet zo belangrijk. Maar het is heel belangrijk dat we ze doen”.

Missiezondag, 11-11-11, Broederlijk delen, Vredesacties. Schijnbaar zijn het niet zo’n grootse dingen: machtloze dingen en toch mogen wij geloven dat zij vanuit God een macht bezitten die een antwoord wordt op de levensvragen van de mensen.

Laten wij op deze missiezondag ons geloof dieper verankeren in Gods woord en in echte solidariteit met de jonge kerken over de wereld. Amen 

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Bij het beluisteren van het evangelie voelen we sympathie voor de nederige tollenaar en afkeer voor de hoogmoedige farizeeër.

In Jezus’ tijd moet deze parabel wel erg provocerend overgekomen zijn. Een farizeeër was immers hooggeacht bij het volk. Het waren een soort vooruitstrevende leken, die naast de 613 voorschriften van de Thora, zich ook nog hielden aan de mondelinge wet of Talmoed. Ja, een farizeeër deed zelfs meer dan de wet voorschreef. Hij vastte twee maal per week, hoewel de wet maar één dag vasten per jaar eiste. Hij gaf tienden aan de Tempel van alles wat hij kocht, daar waar anderen slechts van bepaalde goederen tienden afstonden. De meeste farizeeërs waren dan ook prachtkerels.

 

De tollenaar, van wie wij nu een lieven jongen maken, was in Jezus’ tijd niets meer en niets minder dan een landverrader. Hij was een collaborateur die niet alleen voor de Romeinse bezetter belasting inde, maar ook veel geld in eigen zakken liet verdwijnen. Kortom: een grote profiteur en dief.

Hoe komt het dan dat Jezus de waardenschaal op zijn kop zet?

Jezus maakt dat duidelijk door een gebedshouding. Kijken we eerst naar de farizeeër: hij staat vooraan in de tempel, met opgeheven hoofd, en zijn gebed staat bol van de ik-zinnen: “Ik ben niet zoals de rest. Ik vast veel. Ik geef grote aalmoezen”.

 

En wat doet de tollenaar? Hij blijft achteraan staan, hij durft zijn hoofd niet opheffen en hij hoopt op Gods genadigheid.

De farizeeër wordt dus niet door Jezus veroordeeld om zijn farizeeër zijn, maar om zijn zelfgenoegzaamheid. Hij is zo voldaan dat hij op de anderen neerkijkt. En in heel het evangelie gaat het juist om de nederigheid. “ Zalig wie nederig is”, horen we in de Bergrede. En tijdens het laatste avondmaal wast Jezus de voeten van zijn leerlingen. Alleen wie nederig is, komt tot echt respect voor de anderen, en is tot naastenliefde in staat.

 

Ik zou nu aan u en mijzelf de vraag kunnen stellen : gelijken wij het meest op de farizeeër of op de tollenaar? Ik denk echter dat dit geen goede vraagstelling is. Het gaat niet om twee categorieën van mensen, maar om twee ingesteldheden.

Ik ben ervan overtuigd dat beide houdingen in ieder van ons aanwezig zijn. Wij moeten eerlijk durven toegeven dat wij iets van beide figuren in ons meedragen.
Voor onszelf, diep in ons hart, zijn we misschien meestal de tollenaar, mar voor de buitenwereld spelen we meestal de rol van de farizeeër. Hoewel we maar al te goed beseffen dat we zelf veel gebreken hebben, kijken we te vaak neer op de anderen. Het evangelie nodigt ons dan ook uit om wat meer zelfkritiek aan de dag te leggen en Jezus ‘ woorden in ons hart te overwegen: “ Ieder die zichzelf verheft zal vernederd worden. Maar wie zichzelf vernedert, zal verheven worden”.

 

Maar het evangelie van vandaag houdt niet alleen een appel in om iets te veranderen aan ons omgaan met elkaar, maar ook aan Godsbeeld. De farizeeër verwacht van God erkentelijkheid. Hij doet wat moet en zelfs meer dan dat en daarom vindt hij het vanzelfsprekend dat God hem beloont voor zijn goede daden. De tollenaar daarentegen weet dat hij een zondaar is en hoopt op Gods vergiffenis, op een nieuwe kans. Het evangelie vraagt ons dus niet op te scheppen over onze goede daden, maar God dankbaar te zijn voor de talenten die hij ons gegeven heeft. Het komt ons niet toe om zelf God te spelen: ik doe goed, dus ben ik goed, dus verdien ik de hemel.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Zacheus

 

Enkele mensen gingen op vakantie naar Frankrijk. Ze zouden ook eens langs Lourdes passeren. Een van hen die er nogal warmpjes inzat en zich niet veel van godsdienst aantrok had wel zijn bedenkingen, maar uit curiositeit wilde hij dat ook weleens zien.

Zo gezegd zo gedaan. Ze gingen naar de grot. Zagen en hoorden de mensen zingen en bidden. Zieken lagen op wagentjes te wachten op de zegening. Onze vriend was duidelijk aangeslagen, hij werd er stil van. s’ Avonds na het avondmaal was er lege tijd. Onze vriend was weg. Toen het echtpaar nog een avondwandeling maakten naar de grot troffen ze tot hun verwondering hem aan de grot. De hele verdere reis moest hij voortdurend terug komen op het gebeuren te Lourdes.

In het evangelie van vandaag gebeurt iets dergelijks.

Zacheus is iemand die er warmpjes inzat. Hij heeft zich goed ingeworteld in de structuren van het egoïsme. De collaboratie met de Romeinse bezetter heeft hem geen windeieren gelegd.

Hij heeft er alles uitgehaald: uit zijn positie en uit de mensen. Hij was een nieuwe rijke geworden. Een bolwerk van egoïsme. Maar ook in dit bolwerk kunnen barsten zitten.

In zijn burgerlijk leventje dat hij leidde had hij over Jezus allerhande dingen horen zeggen. Het moest een bijzonder iemand zijn. Nu Hij toch naar Jericho kwam wilde hij hem weleens van dichterbij zien. Hij was nieuwsgierig en ging op weg. Hij klom zelfs in een boom.

Nieuwsgierigheid zet een mens op weg, naar Lourdes, naar Jericho. Maar het bleef niet bij nieuwsgierigheid, er werd iets opengebroken in het leven van onze Lourdesreiziger en in het leven van Zacheus. Iets of beter iemand had hem te pakken.

 

In het verhaal van Zacheus gebeurt iets dergelijks: Zacheus zit in zijn boom, te wachten, af te wachten. Dan gebeurt het: Jezus komt ter plaatse, vlakbij, Jezus kijkt omhoog. De grote Jezus kijkt op naar de kleine Zacheus en Hij spreekt hem aan: “Zacheus klim vlug naar beneden, want vandaag moet ik in uw huis te gast zijn”.

Stel je voor: Zacheus weet niet wat hij hoort en nog minder waar hij staat. Een mens kan plots aangesproken worden door een woord of een gebeuren. Onze vriend kwam anders naar huis na zijn Lourdeservaring.

Ook voor Zacheus is er sinds dat moment iets veranderd. Het een volgt op het ander: anders denken, anders leven. Hij kwam snel naar beneden en ontving hem met blijdschap. En plots zag hij hoeveel hij teveel had en hoevelen hij tekort deed. En hij begon te geven en te delen. De helft van zijn bezit en viervoudig wat hij tekort deed.

Zacheus en onze vriend waren sinds die dag andere mensen geworden. Jezus zei:” Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen want ook deze man is een zoon van Abraham, een volgeling van de eerste geroepene, van de vader der gelovigen.

 

Het verhaal van Zacheus is een ontmoetingsverhaal en de reis langs Lourdes werd een ontmoetingsgebeuren.

Beiden tonen aan dat de mens van alle tijden God in het leven kan ontdekken als een levende werkelijkheid, als een boeiend Iemand die je leven kan veranderen.

Goede vrienden, elke eucharistie kan een ontmoeting worden. Het verhaal van Zacheus wordt vandaag niet enkel verteld, het gebeurt in ons midden... misschien ook in ons leven.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Zeven broeders gaan de dood in omwille van hun geloof in God.

Zeven broeders trouwen dezelfde vrouw maar sterven alle zeven zonder nageslacht.

We zouden hierbij het refreintje kunnen zingen: hoe rijmt men dat tesaam.

 

1. Zeven is een heilig getal. Daarmee wil de bijbel zeggen: het gaat hier niet over een banaal gebeuren…. er steekt iets diepers achter. Er steekt een belangrijke boodschap in deze verhalen. Rijst dan de vraag: Wat mag die boodschap zijn.

 

2. Eigenlijk gaat het in beide verhalen over de toekomstvraag. Hoever geeft God toekomst aan de mens? Welke toekomst is er weg gelegd voor de mens.

 

1/ De zeven broers en hun moeder verkiezen de dood boven de ontrouw aan de tradities van hun volk omdat ze geloven en vertrouwen op Gods belofte dat Hij hen zal doen verrijzen.

“Het is niet zo erg door mensen omgebracht te worden, wanneer wij mogen vertrouwen op Gods belofte dat Hij ons weer zal laten verrijzen”. Hun God is een God van leven, een God die altijd toekomst geeft.

 

2/ De zeven broers uit het evangelie trouwen allemaal met de weduwe van de oudste om de vrouw nalatenschap te geven. Vruchtbaarheid gold als de grootste zegen van God. Geen kinderen hebben  werd gezien als een onheil. Geen kinderen hebben betekende geen toekomst na dit leven.

Voor Jezus en de Farizeeërs wel. Ook al hebben wij geen voorstelling hoe die toekomst zal zijn, ze is er. Onze God is de God van Abraham, Isaac en Jacob. Zij huwden alle drie een onvruchtbare vrouw. Toch werden zij stamvaders van een groot volk. Onze God is toch geen god van doden maar van levenden want voor hem zijn allen levend.

Ook voor deze vrouw met een dode schoot is er toekomst want onze God is een God van levenden, bij Hem is er altijd toekomst.

 

Gelovige mensen zijn mensen die geloven in de toekomst.

Over het hiernamaals kunnen wij mensen eigenlijk niets zinnigs zeggen, wij kunnen alleen menselijk praten over het hiernamaals, omdat ons menselijk leven zich hier en nu, in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats afspeelt, maar bij de dood verlaten wij nu juist deze tijd en ruimte. Voor wat er achter de dood ligt hebben wij geen begrippen meer en die werkelijkheid kunnen wij dan ook nooit onder woorden brengen.

Het geloof in het leven na de dood heeft zijn moeilijkheden voor veel mensen. Wat zij niet kunnen bewijzen, bestaat volgens hen niet. En toch zal de dood niet het laatste woord hebben. Op het einde staat Gods woord, dat reeds in den beginne scheppend aanwezig was en dat leven schenkt, omdat het liefde is.

 

Misschien is het het beste er maar niet te veel over te praten en maar gelovig op Gods woord te vertrouwen. Kinderen vragen zich ook niet af of hun ouders morgen nog wel voor hun zullen zorgen. Als ze maar met een klein beetje vertrouwen in het leven staan, dan gaan ze daar gewoon van uit. Voor hen is dat vanzelfsprekend.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

De WTC toren van Washington was een symbool van de grootheid en de macht van Amerika. Iets om mee te pronken. Een statussymbool.

Moest iemand gezegd hebben zoals Jezus in het evangelie: Wat ge daar ziet, er zal een tijd komen dat er geen steen op de andere zal gelaten worden; men zou hem voor dwaas of een onheilsprofeet gehouden hebben.

En toch gebeurde het: in het jaar 70 werd de tempel van Jeruzalem verwoest en op 11 september werd de WTC toren neergehaald.

De toeristen die stonden te kijken naar de fraaie stenen en wijgeschenken van de tempel van Jeruzalem en de toeristen die voor de WTC toren stonden hadden het nooit voor mogelijk geacht. En toch gebeurde het: het jaar 70 en 11 september zullen voortaan in de geschiedenis boeken staan.

In het evangelie was sprake van onheilspellende gebeurtenissen. Ook Jezus tijd was voor velen een slechte tijd. De mensen spraken ook toen over het einde der tijden. Er liepen heel wat doemdenkers rond die voorspelden dat het einde nabij was. Jezus zet zich af tegen deze doemdenkers. Als je het woordje doem omdraait dan krijgt je het woord moed.

 

Jezus is geen doemdenker: Hij is een moed denker.

Ook al gebeuren er verschrikkelijke dingen, verlies je vertrouwen niet. Stel je diepste vertrouwen niet in menselijke prestaties: je carriére, je rijkdom. het kan als een kaartenhuisje in elkaar vallen. Stel je diepste vertrouwen in God.

In Amerika werden sinds 11 september de laatste tijd opvallend meer Bijbels verkocht en mensen gingen meer naar de kerk. Een dominee hoorde ik zeggen: in zulke tijden hebben mensen meer nodig dan een sandwich van Mac Donald. Je zag mensen binnen gaan in een kerk. “Alleen bij God ben je veilig”.

Wees op je hoede! Laat je niet meesleuren door een geest van onverschilligheid en oppervlakkigheid.

 

Na de crash van de Amerikaanse boeing gaat men onderzoeken wat de oorzaak kan geweest zijn. Meestal is de grote oorzaak:”metaalmoeheid” het metaal heeft zijn innerlijke kracht verloren.

Vele christenen lijden aan “metaalmoeheid”. Door de onverschilligheid en de oppervlakkigheid is hun innerlijke kracht aangetast en zonder dat je het uiterlijk ziet ontstaat er een geestelijke ontbinding en vallen ze uiteen. In onze consumptiewereld dreigen we materieel overvoed en geestelijk ondervoed te geraken.

 

De zondagsviering is de wekelijkse geestelijke maaltijd die de kerk ons aanbiedt. We moeten er een hele week van leven. Blijf er trouw aan.

Het parochieblad helpt ons “lezende leden” van de kerk te blijven. Ook daarin vinden we geestelijk voedsel voor ons christen zijn.

De tweede opdracht: Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis. Ge moet durven kleur te bekennen..I

Iemand uit Meer: mijn kleinzoon gaat naar de Vito. Hij is misdienaar in de parochie. Tijdens een avonddienst voor een overledene waren enkele leraars en leerlingen in de kerk. Ze zagen mijn kleinzoon misdienen. ’s Anderendaags kon hij het horen: ha! keskespisser. De jongen is ermee gestopt. Hij is niet de eerste jongere die zoiets overkomt.

Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis. Naar de kerk gaan is een getuigenis geven! Er zijn mensen die niet durven naar de kerk gaan: wat zouden de buren zeggen!

je valt immers op als je gaat.

In de kerk een boekje nemen en proberen mee te doen is getuigenis geven. We willen erbij horen. We moeten geen schrik hebben om getuigenis te geven; zegt Jezus: “Ik zal u een taal en wijsheid geven die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken”.

Door standvastig te zijn zult gij uw leven winnen.

Daarvoor hebben we elkaar nodig.

 

Vandaag verzorgt de fanfare de mis. Een groep muzikanten, heel wat jongeren tussen volwassenen. Moest je aan een van hen zeggen: hier, speel dat eens!. De meesten  zouden het niet durven. Solisten lopen niet zo dik. Niet in een fanfare. Niet in een kerk. We hebben mekaar nodig en samen kunnen deze groep mensen mooie muziek maken.

Ook wij als kerk: we zijn geen kerk van solisten maar we hebben allemaal wel iets in onze marge: dat samen leggen, dat delen met elkaar dan zit er muziek ook in onze kerk en onze parochie.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Christus Koning

 

Tijdens het laatste stormweer zijn in het Zonieënwoud bij Brussel enkele mooie oude beuken uitgewaaid. Opvallend was het dat het beuken waren die alleen stonden.

De laatste jaren zijn er nogal wat werken gebeurd om het Zonieënwoud meer en beter toegankelijk te maken voor het grote publiek. Heel wat begroeiing die vroeger rond de grote beuken stond werd weg gekapt voor wandelwegen. Zo kwamen de beuken alleen te staan.

Plots komen de groene jongens tot de ontdekking dat een boom die alleen komt te staan in gevaar is als het stormt en dat het voor bomen belangrijk is dat ze omgeven zijn door lager groeiend gewas en struiken. Ze geven beschutting aan de grote bomen.

Zou het voor mensen niet zijn als voor de bomen? Een mens die alleen komt te staan loopt het gevaar te begeven bij ontij. Hij heeft nood aan een beschermende kring van mensen, leeftijdsgenoten om goed te kunnen groeien.

Is dat juist niet de taak van sociale organisaties en jeugdbewegingen. Er voor zorgen dat mensen niet alleen vallen in deze maatschappij, maar dat zij een vangnet vinden in moeilijke tijden en een beschermend sociaal weefsel dat hen warmte en geborgenheid geeft.

Zou het ook voor christenen niet zijn als  voor onze beuken. “Een christen die alleen komt te staan, is in levensgevaar voor zijn geloof” zegt Kardinaal Danneels.

Zeker in een wereld waar kerk en geloof zoveel tegenwind krijgen is het van levensbelang dat men contact houdt met elkaar en dat men steun zoekt in het samenzijn. Het blijven samenkomen op zondag, het lezend verbonden zijn langs het parochieblad zijn van levensbelang voor een gezond christelijk leven.

Ik weet het: dit klinkt niet modern in een wereld van extreem individualisme: Ik trek mijn plan, ik heb niemand nodig, opkomen voor jezelf. Ik geloof op mijn eigen.

De beuken in het Zoniënwoud dachten er wellicht ook zo over. Ze weten ondertussen wel beter.

Zelfs onze politici die de laatste jaren alles deden om het sociaal middenveld uit te schakelen en rechtstreeks zich tot de burger te richten, komen weer tot de ontdekking dat een gezonde samenleving niet kan zonder een gezond middenveld van verenigingen en organisaties allerhande die de verzuring in de samenleving moeten tegengaan.

Ook de kerk is het noodzakelijke middenveld tussen God en de individuele gelovige. Ons land staat bij de koplopers van het aantal zelfdodingen. Zou het niet een noodkreet zijn van de geestelijke leegte waarin onze wereld verzinkt: Moeder, waarom leven wij?

Vandaag zijn we hier met velen samen:  En we zijn er samen als groep, als vereniging. De vlag is daarvan het symbool. het is een gemeenschapsteken en het is een teken dat we ergens voor staan. Laten we ons niet ontmoedigen wanneer we vaststellen dat organiseren niet gemakkelijk is, dat het egoïsme ook toeslaat in eigen rangen.

Laten we vooral blijven geloven dat ons leven en onze wereld overspannen zijn door het Hemels Baldakijn van Gods liefde, waarvan het feest van Christus Koning een hoogtepunt is.

De bespotters van Jezus  op het kruis, zonder het te beseffen zeggen wat de kern van Jezus leven was.

“Anderen heeft Hij gered”. Zichzelf redden kan Hij niet.

Inderdaad. Voor anderen heeft Hij geleefd en is Hij gestorven. Hij heeft niet zijn eigen glorie gezocht. Zelfs op het kruis is Hij nog begaan met zijn medemens.

Vandaag nog zal je met mij zijn in het Paradijs.

Christus Koning is niet de koning van eigen glorie, maar een koning die heerst van op het kruis.

De H.Isidorus geloofde in de paardenkracht van de dieren, maar ook in de geest