|
|
|||
|
|
|
||
|
Als je zin hebt om zelf iets te schrijven, stuur dan je tekst naar Vertel er bij of het mag gepubliceerd worden in het parochieblad of op deze site. |
|
|
Wortel
...een groene uitnodiging voor iedere wandelaar en fietser.
Wortel wordt als het ware omarmd door velden, weiden en bossen. In de prachtige dreven van de Kolonie is het heerlijk om te wandelen en te fietsen.
Wortel is als parochie ouder dan Hoogstraten. Door de fusies der gemeenten in 1977 werd het tot spijt van de echte Wortelnaren als vanouds weer samengevoegd met Hoogstraten. Op 2 juni van dat jaar vond er in Wortel een academische zitting plaats waarbij de inwoners op een waardige wijze en volgens de voorschriften van het begrafenisritueel afscheid namen van hun autonome gemeente. Aan de parochiezaal achter de kerk herinnert een gedenksteen met inscriptie "Wortel 1200-1977" aan dit dorpsgebeuren.
St.-Jan-De-Doperkerk Dit sobere gotische dorpskerkje dateert uit de 15de eeuw, al kan het benedengedeelte in de kerk wel ouder zijn. Links boven de deur bevindt zich een geijkt referentiepunt van het Belgische triangulatienet (hoogtemetingnet) ; het eenduidig gelokaliseerde punt is precies gelegen op 42,245 meter boven het gemiddelde waterpeil van de Noordzee in Oostende.
In de massieve toren hangt het oudste klokje uit de streek ( 1421). De laatbarokke doopkapel met zijportaal tegen de zuidwand van de toren, dateert uit de 18de eeuw.
In de zijkant van de kerk steekt een kanonskogel. Een oud verhaal wil dat deze kogel zou zijn afgeschoten door het Spaanse leger tijdens de belegering van het kasteel van Hoogstraten in 1603. De glas-in-lood-ramen uit 1935 zijn van Jan Huet ( 1903-1976), een Wortelse kunstenaar die op het kerkhof vlakbij de kerk begraven is.
De kapelanie Het kleine huisje, als het ware ruimtelijk geïntegreerd binnen de omheining van het kerkhof, was eertijds het zogenaamde ‘Beneficiael huys’, de woning van de kapelaan. Het huidige gebouw is het resultaat van een verbouwing uit 1787. Architecturaal is en blijft dit pand hoe dan ook een verwijzing naar de schamele behuizing en de sobere levensstijl die in die tijd aan de functie van kapelaan verbonden was.
De Rijksweldadigheidskolonie Landloperij was in de vorige eeuwen een maatschappelijk fenomeen. Aan het einde van de 18de eeuw kreeg de armenzorg met de Franse overheersing een nieuwe structuur en nam de overheid diverse initiatieven. Zo richtte ze in 1822 te Wortel een vrije landbouwkolonie op .
Twintig jaar later werd de kolonie gesloten omdat de kolonisten er niet in slaagden de grond te ontginnen. Na de nodige aanpassingen startte de Rijksweldadigheidskolonie in 1881 opnieuw, ditmaal als een bijhuis van de kolonie van Merksplas. Landlopers en bedelaars vonden hier onderdak. De beide kolonies hadden tot aan de Eerste Wereldoorlog een bezetting van meer dan vijfduizend landlopers-gedetineerden. Met een domein van 516 hectare was de kolonie van Wortel sinds 1955 een zelfstandige instelling. Na de afschaffing van de wet op de landloperij in 1993 werd de Rijksweldadigheidskolonie van Wortel omgevormd tot strafinrichting.
|
||
|
De kerk van Wortel is eertijds gebouwd ter vervanging van een kleine kapel, ook wel eens bedehuis genoemd, welke op dezelfde plaats als de kerk stond. In 1425 is men begonnen met de bouw van de toren. Deze diende tevens als verdedigingstoren van het kasteel van Hoogstraten. Het kerkschip dateert van 1429. Oorspronkelijk was de kerk bedekt met stro. Het is pas in 1650 dat het stro door schalies vervangen werd.
In1935 werd o.l.v. architect Stan Leurs uit Antwerpen de kerk gerestaureerd. Tijdens de tweede wereldoorlog werd de kerk zwaar beschadigd en al vrij vlug hersteld. In de periode 1967-1972 volgde een volledige restauratie.
Sedert 3 juni 1950 is de kerk beschermd als monument en het omringend kerkhof als landschap.
De parochie Wortel staat onder de bescherming van Sint-Jan de Doper. Vandaar dat men in Wortel en omgeving wel eens spreekt van de Sint- Janskerk.
Parochiebestaan De parochie Wortel werd gesticht in 1155 door Bisschop Nicolaas van Kamerijk. Naast het kerkhof werd toen een kapelaniehuisje gebouwd als eerste woonst voor de parochiepriesters.
Rond 1450 behoorde de parochie tot het bisdom Breda, onder het kapittel van Antwerpen. Later tot het bisdom Mechelen en thans tot het bisdom Antwerpen.
Meubilair Voor de inrichting van de kerk heeft men in Wortel veel te danken aan graaf Antoon de Lalaing en gravin Elisabeth van Culemborg (van het kasteel van Hoogstraten). Vandaar dat men naast het hoogaltaar de beelden van Antonius en Elisabeth aantreft.
Hoogkoor Op het hoogkoor staat een portiek Renaissance hoogaltaar in gemarmerd hout uit de 17e eeuw met een doek: "De prediking van Sint-Jan de Doper." Een schilderij van Pieter Ykens (1648-95) van de Rubensschool. uniVermoed wordt dat de priester op het doek het portret van de schilder is. Boven het doek staat een nis met Sint-Jan met een lam.
Men treft er ook grafstenen aan van pastoors en kerkmeesters, een doopvont uit de 17e eeuw, een eiken koorgestoelte uit 1654 en ook een klok met koord. Deze klok is de klok van de vroegere pastorij in de Pastorijstraat. Ze werd gemaakt door de befaamde klokkengieter Le Fever in 1677.
Aan de linkerzijde rechts boven het tabernakel hangt een eikenhouten engel.
Links en rechts vindt men ook de toegangsdeuren van de sacristies. Het zijn zware eiken deuren in massief hout die zonder scharnieren werden opgehangen en ieder een gewicht van 800 kg. hebben.
Naast het huidige altaar staat tegen de wand een beeld van een engel. Het is het beeld dat tot 1960 de preekstoel droeg.
Achter het huidige misaltaar staan vier zitstoelen. Het zijn merkwaardige sedeszetels van 1654. Ze vormen een geheel met het gestoelte.
Zuidelijke dwarsbeuk In de zuidelijke dwarsbeuk hangt een doek van Sint-Joris die de draak bevecht. Dit werd eertijds met het altaar geschonken door de confrerie van de plaatselijke Sint-Jorisgilde. Rechts hiervan hangt een wandkast met een unieke vergulde buste van Sint-Jan de Doper en ernaast een Italiaans O.L.Vrouwbeeld.
De drie mooie glasramen zijn van de hand van kunstschilder-glazenier Jan Huet, waarover U verder meer kunt lezen.
Links ziet men een engel die aan Zacharias komt meedelen dat zijn vrouw Elisabeth op hoge leeftijd nog zal bevallen. De doopselaankondiging zogeheten van Johannes de Doper. Het middelste glasraam stelt het doopsel voor van Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan. Het glasraam aan de rechterzijde stelt de onthoofding voor van Johannes de Doper.
Onder deze glasramen wordt Kristus op de koude steen voorgesteld. Het is een kunstwerk uit de 16de eeuw van een houtsnijder uit het Duitse Oberammergau. Een merkwaardig beeld uit één blok hout gekapt.
Noordelijke dwarsbeuk In deze dwarsbeuk hangt een doek dat de tenhemelopneming van Maria voorstelt. Het is een doek van een onbekende meester.
Verder staat er een typisch beeld van een Kempische Onze Lieve Vrouw.
In de kast naast het schilderij van Maria ziet men in de wandkast de beelden van de HH. Cornelius en Willibrordus. Het zijn beelden in hout uit de 18de eeuw waar goud op gebrand werd.
Doksaal Achteraan in de kerk bevindt zich het doksaal. Het vormt met het portaal en de orgelkast ongetwijfeld een mooi geheel.
Verder staan er aan de zijwanden in de kerk kruiswegnissen en hangen er nog een tweetal schilderijen waarvan bijzondere gegevens ontbreken.
Vier klokken in de toren Op het uur is er een klokkenspel. Kleinste klok: Pieter (Moerklokje) uit 1421, werd in 1820 teruggevonden in de turfgroeven naast de kerk. Klok van de graaf en de gravin: 170 kg van 1575, rijkelijk versierd. Tiende klok: 1.000 kg van 1725, gegoten door Alexis Julien. O.L.Vrouwklok: 260 kg van 1972, als herinnering aan de laatste restauratie.
DE OMGEVING VAN DE KERK
Jan HUET (1903-1976),
Ere-professor aan de Academie te Antwerpen, kunstschilder en glazenier.
Jan Huet werd geboren in de volle buiten, zelfs buiten het dorp, in het Staatsdomein van Wortel-kolonie waar zijn vader ambtenaar was.
Godsdienstigheid stond bij hem op de eerste plaats. Daarna kwam natuur.
Jan kende het domein en omgeving van binnen en van buiten. Hij kende de rivier als zijn binnenzak en als kleine jongen ging hij vaak 's avonds palinglijnen uitzetten en die moesten voor zonsopgang opgehaald worden. Zo leerde hij genieten van alles wat groeide, leefde en door de zon beschenen werd.
De invloed van zijn ouders en omgeving is nooit uit zijn kleren geweest. Ook niet in zijn verder leven als kunstenaar.
Tientallen kerken en kloosters, stadhuizen en publieke gebouwen heeft hij met zijn kunstwerken gloed en warmte bijgezet, intimiteit en vroomheid, vreugde en schoonheid. Zijn hele persoonlijkheid en zijn vele gaven van geest en hart liggen gekristalliseerd in honderden ramen waarvan de diepreligieuze zin en de flonkerende glorie de huidige en komende generatie hopelijk eraan herinnerd zullen worden, dat onze wereld bezig is contact te verliezen met dingen die verschrikkelijk belangrijk zijn. Zo schreef zijn vroegere klasgenoot Ast Fonteyne in KONTAKT 76 na de dood van Jan Huet die in Wortel, waar hij ooit wortel geschoten had en waar hij op zijn wens begraven werd. Hij ligt er tegenover zijn glasramen met op zijn grafzerk volgend gedicht van Remi Lens.
Voor Jan Huet glasschilder + 2 april 1976 Te rusten in de schaduwkant van’t schoon kerkske van uw land, ter Mark€ aan haar vallei ontsproten, hebt gij uw wortel daar geschoten met vogel vis en wolk, te midden van uw volk.
Met kleur en vuur en glas, mijn dia’s voor uw licht geschoven, met God! om U te loven en al uw santen samen in mijn ramen Amen Lens Wortel 07.04.’76
Historische kanonskogel Aan de noordelijke buitenkant van de toren zit op een hoogte van een vijftal meter een ijzeren kanonsbal ingemetseld. Die werd in 1603 door belegeraars van het kasteel van Hoogstraten tegen de toren geschoten.
De kanonsbal viel meteen op de grond en om deze gebeurtenis voor het nageslacht te vereeuwigen heeft een schrandere Wortelse metselaar hem met cement er rond wat bepleisterd. Als souvenir wellicht.
Een typisch detail bij deze historische kanonskogel is dat de Wortelaren de enige in het hele land zijn die kunnen zeggen: "Bij ons is de kogel nog niet door de Kerk!"
Zo'n kanonskogel heeft een gewicht van ongeveer 12 kilo.
Gevechtstoren Langs de westzijde bevindt zich de hoofdingang van de kerk. Boven de deur vindt men in een nis een beeld van de patroonheilige Sint-Jan de Doper.
Aan de buitenzijde van de toren ziet men ook een ronde gevechtstoren die eertijds gebouwd werd als schutstoren van het kasteel van Hoogstraten.
J. Noeyens
|
|||
|
Onlangs kwam ik van de kust, en nam mijn tijd. Ik was niet gehaast. Dat gebeurt niet vaak, maar het had geen zin, want er was nog volk op de autostrade. Veel volk. In St. Niklaas zag ik 5 luchtballons. Die namen blijkbaar ook hun tijd. En de zon, die nam blijkbaar ook haar tijd om onder te gaan. Ik keek op mijn kilometerteller, en besefte dat ik een van de dagen mijn olie diende te verversen.
Ik moest er een beetje om lachen: IK moest MIJN olie laten verversen. Dat klinkt een beetje stom natuurlijk. Wie laat er nu zijn olie verversen? Het was alsof ik voor het eerst in mijn leven de bedenking maakte dat ik mij vaak verpersoonlijk met mijn auto. Maar dat doen we allemaal een beetje. Bedenkt maar eens de volgende uitspraken, en sta erbij stil dat je eigenlijk over je wagen aan het praten bent. Mijn linkerrem maakt een beetje lawaai. Mijn ruitenwissers hebben 2 snelheden. Mijn trekhaak is verroest. Mijn banden staan te plat. Ik moet mijn handrem laten nakijken. Ik verlies een beetje olie. Ik verbruik 8 liter benzine per 100 km. Mijn achterlicht werkt niet. Ik sta in de ondergrondse garage; hoe kan dat nu als ik dat zeg in de living bij mijn moeder. Ze hebben in mijn gat gereden, en ik heb een grote bluts in mijn achterbumper. Ik moet volgende week naar de controle. Ik moet mijn voorste nummerplaat vervangen. En ten slotte ik heb een boete gekregen omdat ik te vlug reed.
Inderdaad, Ik reed te vlug, plots gaat het niet meer over mijn wagen, maar over mezelf. Het is zo’n beetje het omgekeerde van bij een student. Die zegt: “IK ben geslaagd”, ofwel “ ZE hebben mij gebuisd dit jaar”. Het is gevaarlijk als je je auto wordt. En toch heb je dat in de hand. Als ik stop voor de moeder die wil oversteken, en het kindje in de “poeset” zwaait lachend naar mij, dan doet mij dat iets. En als ik het bejaard koppel de straat laat oversteken, doet die, met moeite opgestoken hand van de man mij deugd. Als de fietser wil afdraaien en ik vertraag om de weg vrij te maken voor hem, dan maakt zijn glimlach mij gelukkig!
Het is een kleine moeite om hoffelijk te zijn in het verkeer, en het kost geen moeite. Echt niet! Probeer het maar eens een tijdje. En het zal zelfs een gewoonte worden. En geloof het of niet, maar zo kan je mee een beetje de wereld veranderen: beginnen met jezelf. Zo ben je misschien minder een “gevaar” op de weg.
vaem
|
|||
|
Tien dagen met een rugzak van 7 a 8 kg op de rug elke dag een 20km doen – van 7.00u ’s morgens tot 14.00u in de namiddag – dat hoort bij een voettocht. “Is dat niet lastig”? vragen mensen. Neen. Wel is het wat wennen in het begin. Het is natuurlijk belangrijk dat het gewicht goed verdeeld is. De zwaarste stukken niet onderaan zitten, maar bovenaan. Zo draag je ze meer op je schouder en wegen ze minder in de rug. De lasten van de rugzak moeten goed verdeeld zijn.
Met de rugzak trekken betekent dat je alles bij hebt wat je nodig hebt. Elk jaar dat we trekken wordt de rugzak lichter omdat we elk jaar leren dat je overbodige dingen meeneemt of dingen die je niet dubbel met je maat moet hebben, bv. 1 zakmes, 1 fotoapparaat, 1 notitieboekje volstaan. Je leert dus met elkaar praten over je rugzak.
De rugzak is niet alleen een last, het is ook een hulp. Na enkele dagen ontdek je dat je rugzak je rechthoudt letterlijk en figuurlijk. Je loopt rechter, je ademt vrijer. Last en lust gaan in het trekken hand in hand en wie wat verder kijkt ook in het leven. Zo ontdekken we al stappend dat de zwaarste tochten vaak de mooiste zijn. Ze kosten meer, maar je hebt er wat aan. Op een bepaald moment kwamen we een groep wandelaars tegen. Ze waren ook trekkers, maar zonder bagage. Die werd voor hen elke dag vervoerd. Wij moesten de helling op, zij daalden de helling af. Voor hen ging het in looppas, voor ons in muilezelpas. “Petje af” zei de leider van de groep. Waarvoor dit teken van bewondering? vroegen we ons af. Zou het dan toch misschien “menselijker” zijn je rugzak te dragen dan zonder last door het leven te lopen. Zo hadden we een hele babbel over “ De Rugzak”. Ooit las ik eens volgend verhaal: In de zomermaanden kan je het meemaken: langs de weg staat een jonge vrouw autostop te doen. Haar vriend staat heel bescheiden opgesteld. Stopt een automobilist dan komen beiden aandraven met een hoop bagage. Te laat! Auto weg! Het is een courante verleidingsstrategie langs de weg. Ondanks alles , werkt ze nog steeds.
Zo gaat het ook in menselijke relaties. In een eerste fase verleiden mensen elkaar. Ze stellen zich prettig op en laten zich van hun beste kant zien: ”neem mij, ik ben je geluk, je schat, voor jou geboren, voor jou van alle eeuwigheid bestemd”. Wat de persoon in kwestie verborgen houdt, zijn zijn negatieve kanten, zijn schaduw, kortom zijn rugzak.
Zoals de autostopper, zo verbergt de minnaar aanvankelijk zijn rugzak. Hij of zij zijn zich niet bewust dat die hij/zij een rugzak heeft, en nog minder wat erin zit. Aanvankelijk lopen dus man en vrouw naast elkaar en geven ze er zich geen rekenschap van dat ze elk een grotere of kleinere rugzak dragen. Tot een eerste conflict uitbreekt of een misverstand zich aandient. Een vreselijke ontdekking, een pijnlijke verrassing. Ik wist niet dat je zo was! Dat had ik nooit van hem verwacht! Had ik dat geweten! Dat ik dat niet gezien heb! De illusie van de harmonie is voorbij. Een andere werkelijkheid dient zich aan. Elkaars rugzak leren aanvaarden. Terwijl we daarover praatten stapten we samen verder elk met zijn eigen rugzak. Bewust dat je rekening moet houden met die gegevenheid. Af en toe help je elkaar de rugzak aanriemen opdat hij goed zou zitten. En zo stap je verder…. Van Firenze naar Sienna – van Sienna naar Firenze, maar ook van vandaag naar morgen, van zilver naar goud…. Goede tocht!
Fons Van Dijck
|
|||
|
dag schilder je bent er weer het was al een tijdje geleden je maakt me kil, maar daar kan je niets aan doen wat ben je kwistig geweest met je verf het groen heb je weggemoffeld vervangen door rood, oranje, bruin mooi gedaan
dag schilder je schilderij is voor mijn ogen te groot toch zo prachtig je verft er maar op los en je verft de bladeren er gewoon af en als ze daar liggen geef je me een andere mooie schilderij ik zie je niet bezig ik zie enkel je mooie werk
dag schilder bedankt voor het mooie en je bent er juist op tijd, zoals altijd weldra ben je weer weg en wordt alles weer wit of alles wordt weer grauw je brengt me nog meer kilte maar je kan niets anders
dag schilder met je rood, oranje en bruin weer eens bedankt voor het mooie
vaem
|
|||
|
Het Jaar van de Verkondiging is een tijdje aan het lopen, en er zijn al vele woorden met pit gesproken en aanhoord. Wij hebben hier in Wortel gelukkig een pastoor die de woorden met pit pittig kan brengen. Het is goed om af en toe eens te bezinnen over de kern van de zaak. Want de pit is de kern, en de kern daar groeit alles uit. De pit is de oorzaak, de bron, de origine. Over welke zaak hebben we het? Dat kan eender wat zijn. Echt waar. Laat ons eens enkele voorbeelden nemen. Gewoon om te spelen met onze woorden of met onze gedachten.
De laatste tijd is de huiskamer van vele mensen een beetje gewijzigd. Vooral het interieur dan. Te voet, met de fiets, op het dak of in het koffer van de auto, halen de mensen een dennenboom in huis. Sommigen zullen mij terecht terechtwijzen, en zeggen dat het een spar is, en geen dennenboom. Daarom gebruiken we vanaf nu de onbiologische kerstboom. Dat is gemakkelijk, en dat verstaat ook iedereen. En binnen enkele uren, God mag weten hoe ze het flikken, maar dan is die kerstboom een pracht van versierde boom. Bovenaan een piek of een ster, dan langzaam naar beneden en steeds breder wordend, zien we kerstballen, engelenhaar, slingers, kunstsneeuw, parels, en niet te vergeten: de lampjes. Neen, ze zijn niet stuk, het is normaal dat ze aan en uit gaan. Dat is in de prijs inbegrepen.
En onderaan de kerstboom liggen er pakjes. Mooie pakjes, en zeer veel. En van sommigen lijkt zelfs de verpakking duurder dan de inhoud. Dat weten we natuurlijk niet, want de pakjes mogen nu nog niet opengedaan worden. Iedereen wordt er een beetje nerveus bij. Welk zou mijn pakje zijn? Ik wacht het af. Als de kalkoen opgegeten is, doen we nog een fles wijn open, en dan de pakjes. De Kerstperiode wordt daardoor een aangename periode, in samenzijn met de familie en met vrienden. Maar dat geldt niet voor iedereen, want er zijn mensen die echt eenzaam zijn tijdens “die dagen”. Maar we houden het gezellig nu; zo hoor ik het toch zeggen hier en daar. Het verdriet van een ander gaan we even opzij leggen. Want anders worden we zelf te verdrietig.
Iets verder onder de kerstboom, achter de pakjes, is er nog iets te zien. Wacht, even enkele dingen uit de weg leggen: ja nu zie je het. Daar staat een kerststal... Nu zie je hem. Hij was nogal verstopt achter de rest, van onder de kerstboom. Het kan geen kwaad om eens naar de kern van de zaak te zoeken.
Even later…..
De pakjes zijn weg, de kalkoen ook. Nieuwejaerkes soethe, het varken heeft 4 voeten. Wow, zelfs het varken heeft nu “voeten”. Nu is het gebak aan de beurt, dag in, dag uit. Soms uur in, uur uit. Andere flessen gaan open, andere pakjes ook. Nieuwjaarsbrieven volgen, het geld rolt van hand tot hand. De peter geeft, het kleinkind ontvangt. Op één dag wordt er meer gezoend dan in een heel jaar. Op dezelfde dag wordt er meer gewenst, dan in een heel jaar. Handen schuiven in andere handen met de woorden: “De beste wensen…”. “Het beste voor 2004…”. “Gelukkig Nieuwjaar…”. En vooral “Hetzelfde voor u…” of “Insgelijks…”.
We wensen en wensen en wensen. En we ontvangen ze ook. Mondeling met een handdruk, met drie zoenen. Schriftelijk met een kaartje, waarvan we resten van gouden glittertjes nog terugvinden, zelfs maanden nadien.
De kern van de zaak? Daarover wilden we het even hebben nu. Wens ik uit beleefdheid? Wens ik omdat ik het echt wens? Een wens is iets wat we graag zouden hebben. Het komt van binnen uit onszelf.
Wens eens in stilte dat je de moed hebt om je vrouw dagelijks één keer een kus te geven, bij het vertrek naar het werk of bij de terugkomst. Wens eens dat je één keer die vervelende puber in huis mocht begrijpen wat die te zeggen heeft. Wens eens als jongere dat je één keer begrijpt dat oudere mensen ook iets waardevols vertellen hebben, tussen dat ouwehoerengezaag door. Wens eens dat je collega die al jaren niet meer tegen je praat, je morgen aanhoort. Wens eens dat voor één keer inziet hoe zwak je bent, hoewel je alle dagen zo stoer doet. Wens ook eens dat je één keer durft toegeven hoe gevoelig je bent, hoewel je nooit je tranen laat vloeien als anderen er bij zijn. Wens eens het beste voor diegene wiens hand je vasthoudt deze dagen. Maar wens het eens echt. Het is allemaal zo simpel, zo eenvoudig. En vooral: het kost toch zo weinig moeite.
Durf nog een stapje verder te gaan. Naar de kern van de zaak. Vieren we oudjaar? Of vieren we nieuwjaar? Blikken we terug op hetgeen voorbij is? Of kijken we uit op hetgeen gaat komen? Hetgeen voorbij is van in 2003, kan vreugde gebracht hebben. Het kan ook enorm veel verdriet gedaan hebben. Beide zijn belangrijk; het zal ons verder leven bepalen. Onze fouten, onze verliezen, onze pijn; het zal een plaats innemen in de weegschaal van 2003. In de andere schaal ligt dan hetgeen we goed gedaan hebben, hetgeen we verkregen, niet ge-kregen hebben. Als we terugblikken en het op een rijtje zetten, krijgt alles zijn plaats. En de balans doet de rest. Hetgeen komt in 2004, kunnen we niet vooraf bepalen. Geen geluk, ook geen verdriet. Want morgen kan er veel gedaan zijn. Evenveel kan er nog te verwachten vallen. We kunnen enkel hopen, geloven, en wensen. Vooral voor een ander. Dat is de kern, de pit van de zaak.
Veel, heel veel wens ik je… vaem
|
|||
|
Het wijst ophoog Het wijst omlaag Verticaal hemelgericht aarde geworteld wijdse blik concrete realiteit levend van dromen en idealen staande in de dagelijkse plicht zo moeten mensen zijn voor wie het kruis een teken is
Het wijst naar links Het wijst naar rechts Horizontaal immer verder en wijdser als de wijkende horizon naar mensen links links gelaten, verwaarloosd niet meetellend in de wereld Naar mensen rechts die niet tot hun recht komen ontrecht, verknecht zo moeten mensen zijn voor wie het kruis een teken is.
En op het kruis hangt Iemand Jezus, de mens der mensen Hij leefde geworteld in de aarde aards en menselijk door en door Hij leefde verbonden met de hemel biddend en dromend van eeuwigheid op aarde als in de hemel Hij reikte de hand maar wie links gelaten werden richtte hen op en deed hen zien zo werd Hij vriend der kleinen Hij kwam op voor wie niet tot zijn recht kwam ontrechten en verdrukten in woord en daad protest
Tot in de dood heeft Hij dit gedaan Tot over de dood roept Hij op “Dit te doen” Hij is een voorbeeld en een kracht een vreugde en een uitdaging voor allen en voor iedereen voor wie het kruis een teken is.
|
|||
|
Sinds we verwachtingsvol, en hopende dat we als ‘Hollanders’ hier een plekje mogen krijgen, in september in Wortel zijn komen wonen is pastoor Fons van Dijck regelmatig langs gekomen. Dat waardeer ik zeer, want we hebben goede babbels. En toen vroeg hij me iets te schrijven voor deze krant, want het thema oecumene was aan de beurt. Tja, wie schrijft die blijft. En ik heb in de loop der jaren een behoorlijk uitgesproken mening over geloof gekregen. En toen zei de pastoor dat ik gerust wel eens aan die boom mocht schudden…graag zelfs…
Maar meneer pastoor, weet je dat mijn moeder zelfs nu nog ervan zou opkijken dat ik met een pastóór praat? Dat het ons vroeger verboden was om met katholieke kinderen te spelen? Katholieken waren ver in de minderheid en werden zelfs gezien als ‘ongelovig’. In de zestiger jaren groeide ik op in veel ruzies en gedoe omdat mijn oudste broer verliefd was geworden op een katholiek meisje. Hij ging er zelfs mee trouwen. Dat kón gewoonweg niet. Dat was ‘not done’ en een schande voor onze gegoede familie. Het heeft ons gezin jarenlang ontwricht.
Amai, wat wijst dit toch op een ongelooflijke kortzichtigheid. En waarom schrijf ik dit op? Simpelweg om aan te geven dat dit mijn eerste gedachten zijn bij het woord oecumene. Alsof, afhankelijk waar je geboren bent op deze wereld, je dus net het ware geloof getroffen zou hebben… Wat een onzin. Ik hoop dat iedere lezer het met me eens is! Naar mijn beste overtuiging gaat geloof over het onderhouden van de relatie tussen elk mens persoonlijk en het ‘goddelijke’.
Geloof heeft nu eenmaal vele uitingsvormen. Of het nu Protestants, Katholiek, Joods, Indiaans of Islamitisch is. En bovenal, er zijn heel veel mensen die oprecht gelovig zijn en die zich niet thuis voelen in één van de religies. Zoals ieder weet worden religies aangevat om te strijden. Met name heeft de christelijke kerk een mensonwaardige reputatie. En op dit moment wordt gevreesd dat er vanuit de moskeeën ook strijd beraamd wordt. Dit heeft in wezen niets te maken met ‘geloof’, alleen maar met ‘menselijke interpretaties van geloof’.
De vorm van de Hervormde Kerk in Nederland uit mijn jeugd was trouwens een ongekend saaie. Die mannen in die lange zwarte jurken kwamen me stuk voor stuk nogal depressief over. Ook al zullen ze het enorm goed bedoeld hebben, ze leken altijd beschuldigend te kijken. Alsof je bij voorbaat fout zat. Alsof alles wat natuurlijk was per definitie zondig was. Ik raakte er wanhopig van. Zoveel leugens, zoveel onwetendheid. Ik wil niet eigenwijs klinken, maar al op jonge leeftijd wist ik dat dit ‘toneelspel’ niets met ‘geloof’ te maken had. De rijken van ons dorp, dat wil zeggen diegenen die het meest betaalden aan de kerk, zaten op de voorste banken. Op die banken lagen kussentjes! De rest van de kerkgangers hadden kennelijk genoeg eelt op hun achtersten. Ik had nogal eens de neiging te testen. Als ik naar bed gebracht werd door mijn moeder vroeg ik haar: ‘jullie praten alsmaar over engelen. Maar heeft u er al een ontmoet?’
Ik heb rond mijn 25ste jaar afstand van de kerk genomen. En ben erg gelovig gebleven. Ik ervaar veel hulp vanuit de geestelijke wereld omdat ik dat vraag. Nou, en toen kwamen we dus 4 maanden geleden in Wortel wonen. En hoorde ik 3 dagen later dat ik kanker had. Een hele vervelende. En ging ik alle dagen uren en uren wandelen. En ging ik alsmaar in conclaaf. ‘Verklaren jullie je eens nader. Je zult heel wat uit te leggen hebben als ik doodga’. En ‘wat moet ik leren?’ En liep ik soms te stampvoeten. En soms te huilen. En altijd raakte ik diep geroerd door de schoonheid. De rijp op de grassprietjes. De dauwdruppels. Dat veulen. De vroege zonnestralen in de Kolonie. De buizerd. De reekes die me op een maandagochtend in de mist aankeken en niet wegvluchtten. Ik ontdekte een mooi, simpel kerkhofje in het bos en vroeg de pastoor of ik daar mocht liggen. ‘Dat is voor landlopers’ ‘Maar ik loop toch alsmaar op het land…?’
Op één van de wandelingen moest ik denken aan de woorden ‘schud eens aan de boom’. De boom van kennis van goed en kwaad. Van bewustzijn. Ik ging met mijn kale chemokoppie zingen in het kerkkoor. Op de rij bij de mannen. Hoger kom ik niet. Ik keek mijn ogen uit in de mooie kerk van Wortel. Wat een prachtige plek. Wat een aandachtsvolle zorg werd hier besteed. Mijn fantasie sloeg een keer op hol: wat zou het toch geweldig zijn als dit een plek kon zijn waar mensen onderling hun geloof zouden uitwisselen, waar lezingen zijn, waar je kon komen mediteren of stil zijn als je het nodig had. Toen ik deze vrije gedachte uitsprak kreeg de pastoor tranen in zijn ogen. Hij zou dat ook graag zien. Hoe krijg je toch mensen terug in de kerk? Niet alleen op de ‘oude manier’, die van ‘je gaat omdat je zo bent opgevoed’. Maar meer vanbinnen uit. Wetende dat we het goddelijke allemaal in ons hebben en dat we er iets aan kunnen doen als het soms ondergesneeuwd raakt. Maar er ligt nog veel smet op de kerk. Veel oud zeer. Die moet misschien eerst schoongemaakt worden. Dat duurt lang.
Na een maand of twee bleek de grote tumor niet meer zichtbaar te zijn op de foto’s. Een medisch wonder. Ik weet dat dit ook komt door het feit dat ik zo enorm ‘gedragen’ ben door veel mensen, vooral ook door mensen in Wortel. Het gemeenschapsgevoel wat ik in deze korte en bijzondere tijd heb ervaren is me goud waard. Ik voel me heel erg dankbaar! Is dat oecumene?
Metje Smallenburg
|
|||
|
Aswoensdag, de eerste dag van de vasten ligt weer een eindje achter ons. De 40-dagenperiode is voorbij. Weinigen vasten nog, hier en daar lijkt het wel een folkloristisch gebeuren. De spaarpotjes worden ingeleverd voor Broederlijk Delen, de zakjes snoep worden nu gretig en op korte tijd leeggemaakt. Ook niet zo gezond, maar ja. De paaseieren worden door de klokken van Rome zorgvuldig verstopt in de tuin en de kinderen zullen ze wellicht allemaal vinden, zij het dan met wat hulp van de even nerveuze grootouders.
De man met de blauwe vest, ik ken zijn naam niet, mag echter geen alcohol drinken. Zijn vasten is niet voorbij en zal wellicht nooit voorbij geraken. Hij heeft namelijk suikerziekte en hij mag niet meer drinken. Hij blijft zijn pintje missen. De vrouw met de rode vest, ik ken haar naam niet, mag vandaag geen sigaret opsteken. Haar vasten is reeds 2 jaar bezig en zal wellicht nooit voorbij geraken. Zij heeft namelijk een longaandoening en ze mag nooit meer roken. Ze blijft haar sigaretje missen. Zo zie je maar dat vasten voor sommige mensen zeer ver gaat.
Met Pasen gedenken de christenen de verrijzenis van Jezus: een gebeuren van meer dan 2000 jaar geleden. En toch kan verrijzenis zo dichtbij zijn. Het kan in onze buurt gebeuren, in onze eigen omgeving, ja zelfs in onszelf. We kunnen de dood zeer dichtbij ervaren. Dat gebeurt als er iemand sterft die ons lief is. Dat gebeurt als we de levenslust verliezen en in de put geraken. Dat gebeurt als we onszelf uitgestoten voelen of onbemind. Dat gebeurt op zoveel momenten in ons leven. En we kunnen er zo’n slecht gevoel bij hebben, dat het leven nog weinig zin heeft. Op die momenten hopen we zeer diep in ons binnenste dat er iemand wil over praten, dat er iemand een zinvol antwoord geeft, dat er iemand een hand uitsteekt, dat er iemand begrip heeft.
We kennen allemaal van die dagen of zelfs langere periodes in ons leven. We voelen ons een beetje dood, een beetje veel zelfs.
En als we dan even rondkijken, gaan we beseffen dat er anderen zijn die dat ook meemaken. Als we durven onze ogen open te trekken, dan zien we dat er mensen rondom ons zijn die lijden. En zij hebben de zelfde vragen en dezelfde gevoelens dan die we hebben als het met ons zelf mis gaat. Wat een kleine moeite, wat een kleine inspanning, om dan, juist dan, te reageren. Iemand die treurt of in de rouw is, iemand die verlaten is of depressief. Iemand die nog weinig zin heeft in het leven dat geen leven meer is. Steek dan eens een hand uit, geef die nodige schouderklop, en durf begrip te tonen. Veel woorden zijn er meestal niet voor nodig, enkel een groot luisterend oor. Geen gekende theorieën moeten er verkondigd worden, enkel openstaan en luisteren. Misschien zie je dan een beetje verrijzenis rondom jezelf.
Verder is het ook niet fout om zelf iets positiefs te doen met je verdere leven. Als je in de put zit, hoef je daar niet per se te blijven zitten. Je mag er gerust proberen uit te komen. En als je reeds jaren treurt, is het niet verkeerd om terug te lachen. De omgeving neemt je dat niet kwalijk, integendeel. Als je iemand gekwetst hebt, hoef je die persoon niet te mijden. Het is niet verkeerd om je te verontschuldigen, integendeel, beide partijen zullen zich beter voelen. Er zijn zoveel voorbeelden waarin mensen terug kunnen leven, echt kunnen leven. Dat is ook verrijzenis.
vaem
|
|||
|
Gubbio is een prachtig middeleeuws stadje, 14000 inwoners, gelegen tegen de flank van de berg: Monte Alto (893 hoog). Boven op de top staat de basiliek van de H.Ubaldo, de patroon van de stad. Met een kabellift kan je er naar toe – te voet 2,5 km. klimmen. Gubbio is sterk verbonden met het leven van Franciscus door het verhaal over de Wolf. Een wolf maakte ten tijde van Franciscus de streek onveilig. Bijna dagelijks maakte hij slachtoffers onder de dieren van de arme bevolking. Franciscus had in de bossen een kluis waar hij soms dagenlang verbleef in gebed en eenzaamheid. Radeloos trokken de mensen naar Franciscus om te vragen wat ze moesten doen om het onheil van de Wolf de baas te kunnen. Franciscus zei: “Breng elke morgen wat vlees en ander voedsel naar mijn kluis, ik zal de Wolf tot andere gedachten brengen”. De mensen deden het. Franciscus legde in de buurt van zijn kluis een voederplaats aan voor de Wolf, en na enkele dagen kwam het beest op de buit af. Vanuit de kluis sloeg Franciscus het gebeuren gade. Na enkele dagen liet Franciscus zich eventjes zien. De wolf schrok, toonde zijn tanden maar verdween. Door het dagelijks vertoon werd het dier “geruster” en ook Franciscus dierf wat dichterbij komen. Na een tijd werd het dier zo vertrouwd met Franciscus dat hij zich gedroeg als een huisdier. Zo redde Franciscus het stadje Gubbio van het onheil van de razende wolf. Naast het kerkje van de Paters Franciscanen staat een mooi beeld van Franciscus en de Wolf die zijn hoofd legt op de schoot van Franciscus. De uitgestoken hand naar de hemel wil als het ware zeggen: “Met de kracht van hierboven en de menselijke inspanning heb ik de Wolf overwonnen en bedreigt hij niet langer het leven van mens en dier”. De tocht van Perugia naar Gubbio is zo’n 40 km. Een bus bracht ons een 10 km. tot Piccione. Zo moesten we niet wandelen door de stad. Vandaar begonnen we onze tocht. Het werd een stille tocht. We hadden hem een beetje in het teken gesteld van het thuisfront. De Wolf van Gubbio die het leven va, n de mensen bedreigde deed mij denken aan al de mensen die ik ken die plots geconfronteerd worden met levensbedreigende dingen. Ik hoorde een jongeman die door kanker getroffen werd zeggen: “Ik moet dat “beest” in mij de baas worden”. Inderdaad, kanker overvalt mensen als de razende Wolf van Gubbio. Plots wordt de mens ermee geconfronteerd. Zo gingen onderweg mijn gedachten naar de mensen van Wortel en elders die met kanker te maken hebben. En terwijl we stil achter elkaar stapten, vaak klimmend met de stok in de ene hand, bad ik op de andere hand één onze Vader en vijf weesgegroeten voor elk van hen. Dat ze de Wolf de baas zouden kunnen. Ondertussen kwamen de namen en het gezicht van concrete mensen mij voor de geest. Ook aan de jongeren die onder de drugs zitten dacht ik. Verslaving wordt als een wild beest dat je de baas moet worden of het vernietigt je jonge leven. Ook depressies kunnen een mens overvallen en zijn geluk bedreigen. De Wolf van Gubbio is nooit verweg, ook niet in onze wereld, ook niet in mijn en uw leven. Wandelend, genietend van de mooie natuur en verbonden met vele mensen trokken we verder. We wilden die dag de Wolf van Gubbio overmeesteren of toch tonen dat we hem de baas waren. Na 25 km gingen we een café binnen. Met de gsm. belden we het klooster van de Clarissen in Gubbio op. “Of we er konden overnachten? Neen, maar het kan wel bij de zusters Dominicanessen” kregen we te horen. Een telefoontje en het was ok. Via Del Monte, daar werden we verwacht. Dus geen halte hier, maar verder naar Gubbio. Nog 5 km klimmen… Toen we in de stad aankwamen gingen we op zoek naar de Franciscuskerk en het bekende beeld.
Fons Van Dijck
|
|||
|
|
Een tijdje geleden las ik in de krant de resultaten van een enquête i.v.m. de tijdsbesteding van de Belgen. Het blijkt dat de helft van de Belgen voortdurend tijdsgebrek heeft. Inderdaad, hoe vaak horen we niet zeggen: “Sorry, maar daar heb ik een tijd voor.” En bekijk het voor jezelf eens hoe vaak je dat zegt en denkt.
Aan de andere kant zien we dat er een hoop mensen hun tijd verdoen aan eindeloze en klokgerichte soaps en ander tv-genot, zoals het “zappen”. Ik heb nooit begrepen hoe iemand in staat is om al die programma’s op die verschillende posten te kunnen volgen. Weer andere mensen hebben dan weer tijd te veel. Ze vervelen zich. Ze hebben niets te doen. Blijkbaar is tijd-hebben niet erg eerlijk verdeeld onder ons. Misschien is het dat men niet geleerd heeft om met tijd om te gaan op een efficiënte wijze. Er zijn mensen die totaal onder de stress zitten omdat ze te veel te doen hebben. Omdat hun tijd volledig opgebruikt is. Anderen echter hebben zoveel tijd, dat ze niet weten wat er mee aan te vangen. En die mensen zijn meestal eenzaam.
Laten we eens nadenken over dat woord “tijd”. Filosofen zeggen dat de tijd oneindig is, zowel in het verleden als in de toekomst. Een gewone mens zal dit oneindige moeilijk begrijpen. Maar we kunnen het ook eens anders bekijken. We kunnen het ontstaan van de tijd situeren nadat de mens op aarde kwam. De eerste mensen liepen hier rond zo’n 4.5 miljoen jaar geleden. Deze oermens had geen horloge, en hij had waarschijnlijk geen enkel besef van tijd.
Wat later is het besef gekomen van dag en nacht, van seizoenen, van wederkerende gebeurtenissen. Nog later, ja veel later had de mens behoefte om tijd uit te vinden. We kennen allemaal de zandloper, die bij het omkeren een bepaalde tijdsspanne nodig had om leeg te lopen. En die tijd was altijd dezelfde. Nu gebruiken sommige huismoeders zo’n zandloper om de tijd te kennen om een hard gekookt ei te bekomen. En dat klokt bijna correct voor elk kippenei. Het is alsof dat ei hard gekookt wil zijn als de zandloper leeg is.
Nog later in de tijd, en zelfs nog niet lang geleden, heeft de mens het horloge, de klok uitgevonden. Via de aantrekkingskracht van de aarde, of door middel van een veer, kon met via een raderwerk de tijd laten zien. En nu is de indeling van de tijd volledig. We hebben jaren, zelfs schrikkeljaren, ook dagen, minuten, en seconden. Wat kan je op 1 seconde doen, zou je denken. Wel op de Olympische spelen lopen mensen en hun looptijd wordt uitgedrukt tot zelfs in 100-sten van seconden. Er is zeer speciale apparatuur nodig om de tijd te kunnen meten in 100-sten van seconden.
Door al die klokken, en horloges, door het uitvinden van de tijd, is de mens in staat om zijn leven perfect te regelen. Wij eten op een bepaald uur, echter niet als we honger hebben. Het is de tijd die vertelt wanneer we gaan eten. We slapen niet meer als we vaak hebben. We houden de klok in het oog, en die zal ongeveer bepalen wanneer het bedtijd is. En zo gaat dat door. We worden gewekt door onze wekker, een klok dus, en we zijn op het werk op een bepaald uur. En we stoppen met werken op een ander uur. En zo gaat dat door en door. Alles is getimed. De tijd gaat ons leven volledig bepalen. De tijd regelt alles. Wat een uitvinding van de mens…de tijd.
“Kan je me morgen even komen ophalen?”, vraagt de moeder vorige zondag aan de zoon die 3 straten verder woont. “Neen, Ma,” zegt de zoon, “ik heb helaas geen tijd….” Toch raar de mensen. Hoe knoop je dat aaneen? De mens vindt de tijd uit, en heeft die niet…
vaem
|
||
|
|
Het verdween toen ik groot werd – 12 jaar dus. Vanaf toen werd het een zoen voor het slapen gaan. Dat kruisje hoefde niet meer. Daar was ik te groot voor geworden. Mijn ouders pasten zich aan. Van een kruisje naar een zoen. De zoen is gelukkig gebleven.
Maar ik wéét nog wel. Een duim tekende in één snelle beweging een kruisje op mijn voorhoofd. “ God zegene en beware u”. Ik wist niets van God en Zijn zegen. Kan me ook niet herinneren of ik ooit naar de betekenis ervan vroeg.
Alleen dat “bewaren”, daar drong iets van door. Misschien omdat mijn broertje was gestorven op mijn derde. “ Bewaard” blijven, leven, elke morgen weer opstaan en er zijn voor mijn ouders. Dat was belangrijk. Ik was belangrijk, ik moest “ bewaard” blijven. Dat vroeg het kruisje aan God-die-Liefde –is……
Het kwam terug op een avond dat ik me heel klein voelde. Mijn liefje machteloos naast mij, toch sterk en veilig. Toen vroeg ik bevend, uit het Niets dat mij zo overspoelde: “Wil je me eens een kruisje geven?”. Hans, nochtans zo atheïstisch als hij groot is, stelde geen vragen en deed precies wat hij doen moest. Met zijn duim tekende hij heel langzaam, als was het een massage die diep moest doordringen, een groot kruis op mijn voorhoofd. Zonder woorden, zonder God. Maar evengoed een zegen. Een zegen die mij deed zuchten, huilen en schuilen. Het kruis(je) is gebleven, zij het voor zeldzame momenten. Ik spring er zuinig mee om.
hilde
|
||
|
|
Ik was twee dagen in Blankenberge. Elke morgen maakte ik een wandeling over het Oosterstaketsel, een stuk de zee in. Voor mij de onmetelijkheid van de zee; donkere wolken aan de einder, visserssloepen die uitvoeren op garnaalvangst. Meeuwen die zich lieten drijven op de wind. De witte golfkoppen deinden in ongelijke ritmen strandinwaarts. Ze werden kleiner en kleiner tot ze helemaal uitvloeiden, het strand even kusten en terug opgenomen werden in de zee. Kijkend naar dit schouwspel van de zee en de golven gingen mijn gedachten naar een boek over “God en mens, leven en dood” dat ik aan ’t lezen ben. God de zee…. Wij de golven!!!
De kleine golf die bang was van sterven.
Een klein golfje spoedde heen, want de zon lachte. De wind speelde teer. De zee wiegde zijn leven. Maar ach, alle golven moeten sterven. Hun hoofd neerleggen op het strand. En ’t kleine golfje wou niet sterven. Het vroeg aan zij zustergolven: “ Wat moet ik doen om te blijven leven?” “Och kom, zei de grote golf, wij moeten allen sterven, het is ons lot, wij moeten er in berusten”. De grote golf ebde weg naar de dood. Klein golfje werd droef. Als je dan toch moet sterven, dan liever in de zomer, in het warme zand, als de kinderen zich in je streling vermaken kunnen. “ Maar neen, zei het plots; ik wil niet sterven! De zon zoent zo teer. De wind speelt met mij. En de zee is zo wijd. Zoveel wou ik nog vernemen over het leven onder mij”. Vriend vis kwam meespelen en vertelde over pareloesters, venusschelpen, diepzeeplanten, en hoe visjes zelf lichtjes kunnen zijn in donkere spelonken. Klein golfje was betoverd en wou nog meer weten. En maar meer snakte het naar het leven. Het vroeg raad aan de vis en smeekte dat hij helpen zou. het visje antwoordde: “ Wij moeten allen sterven, het is ons lot” en het verdween in de diepte. Immer treuriger werd klein golfje. De stuwende zee schudde het naar het strand. Niemand die helpen kon. En zo bang was het van sterven. Plots voelde het een streling over zijn rug. Een moede meeuw streek neer. “Och, meeuw, kan ook jij me niet helpen? Ben ik nog ver van het strand waar ik sterven zal?” “Enkele golvingen nog, maar waarom ben je zo treurig? Je bent lief in je blauw kleedje met witte noppen. Wat deert je toch?” Ik ben bang van sterven, meeuw, kun jij me niet helpen, zodat ik steeds over vlakke zee kan drijven? De meeuw keek naar de hemel, schouwde over zee, sloot haar wieken, en zei ontmoedigd: Klein golfje, wij moeten allen sterven, sterven in ons lot. En de meeuw verdween over de slapende zee. Het golfje liet zich drijven. Niemand kon helpen, de vis niet, de meeuw, noch de golven. Sterven moest het, want het strand was reeds in ’t zicht. Rillend sloot het de ogen. Doodsbenauwd liet het zich verder drijven. Een angstig stemmetje deed het opkijken: een klein schelpje wou naar de oever toe…… Maar was zo moe, kon niet meer verder. Klein golfje nam het op zijn rug en zette het neer op het strand. Vol zorg om het schelpje vergat het dat die liefdedienst hemzelf de dood invoerde. Het schelpje kwam behouden op het strand. Zo stierf het kleine golfje dat bang was om te sterven, onbekommerd voor zomer of winter. Het stierf gelukkig in dienst van een ander. Terwijl het stierf voelde het de warme golfstroom die het opnam in de oneindige oceaan.
God de zee………. Wij de golven???
Spreken over God gebeurt altijd in beelden. Oosterse religies spreken over God en mens met het beeld van de zee en de golven. Als God de zee is, zijn wij – mens en schepping – de golven. Golven en zee zijn één. De zee is aanwezig in de golven; zo is God aanwezig in al het geschapene. God hoort niet tot een andere wereld. God is het hart van deze wereld. We moeten dus God meer zoeken in ons, dan buiten ons. De hele schepping is drager van het “ mysterie”. De golven zijn de oppervlakte realiteit, de zee is de diepte realiteit. Als wij sterven keren we niet naar een andere wereld, maar worden we opgenomen in het hart van de werkelijkheid. De golf sterft niet op het strand, maar wordt weer opgenomen in de oneindigheid van de zee. In God blijf ik bestaan.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Kardinaal Danneels vertelde onlangs in Postel: Als ik in Wallonie voorga in een eucharistie, dan zitten daar hoop en al een kleine honderd mensen. Ze zitten dicht bij elkaar, tot vooraan. Ik moet hun mond niet open breken om een antwoord te krijgen op: De Heer zij met u. Ze doen het spontaan en duidelijk hoorbaar. Na de mis verbroederen ze met elkaar in de kerk en buiten de kerk. Ik heb de indruk dat in Wallonie de kerk gegroeid is tot een “bewuste minderheidskerk”. Als ik in Vlaanderen voorga in de kerk dan zijn er 250 of meer aanwezigen. Ze zitten verspreid over de hele ruimte, soms ver van elkaar. Hun antwoorden zijn nauwelijks hoorbaar en als de mis uit is haasten ze zich snel naar buiten en verdwijnen, zonder contact met de anderen. In Vlaanderen is er nog geen nieuwe “Minderheidskerk”, we zijn er meer een “Afbrokkelende meerderheidskerk”.Een afbrokkelende meerderheid…. In een muur die afbrokkelt beginnen de stenen los te komen omdat het samenhoudend cement verdwenen is. Ze vallen eruit en liggen verspreid over het terrein. Zo zien we elk jaar in vele kerken mensen verdwijnen…….. Ze zijn stilaan los gekomen en doordat er geen innerlijke verbondenheid meer was, valt de uiterlijke band weg en verdwijnen ze geruisloos.
Wat is dat “cement” dat een levende kerk samenhoudt?
Het is het oude cement van geloof – hoop en liefde. Deze drie, vaak in elkaar vermengd, geven een innerlijke verbondenheid tussen mensen. Deze drie vormen het hart van de christen, aldus de Kardinaal. Als het geloof verkwijnt, krijgt het hart hartritme stoornissen. Ze zijn vervelend maar je kan er mee leven. Als de liefde verkwijnt, doet het hart een infarct….. het is levensbedreigend, soms dodelijk. Als de hoop verdwijnt, doet het hart van de christen een hartstilstand, dan is het gedaan. In onze tijd is bij velen de hoop verdwenen en daardoor is alles stil gevallen. Als de hoop opgegeven wordt is het gedaan.
Het Geloof is het geheugen van de christen: daardoor weet hij wat hem is toegezegd, wat met Christus is gebeurd en wat de kracht is van Zijn dood en verrijzenis. De Hoop geeft moed om aan het werk te gaan, geeft uitzicht op de toekomst. De Liefde doet de mens creatief gestalte geven aan wat men gelooft en hoopt.
Voor een christen is het geloof zijn ogen, de hoop zijn hart, de liefde zijn handen en voeten. Zonder geloof is de christen blind, zonder de hoop is hij verlamd, zonder de liefde is hij stervend. Al is het geloof onontbeerlijk en de liefde de voornaamste, het noodzakelijkst is de hoop. De hoop is “ het geloof op stap”. Vele mensen leven van kleine verwachtingen: de lotto winnen, een goede uitslag, een plezant weekend, eten en drinken, maar de grote verwachting hebben ze opgegeven. Ze leven van “les petits espoirs”, maar “La grande esperance” hebben ze opgegeven zeggen de Fransen. Sommige ouderen zeggen – soms na de mis – na ons is het hier gedaan. Dat is doemdenken! Met zulk een houding maak je geen toekomst… de hoop is verdwenen. Saint Exupery schreef ooit: De hoop is als een klein meisje dat wandelt hand in hand tussen twee bejaarden; het meisje wil vooruit en trekt de oudjes voort. Zo is de hoop de motor van het geloof en de liefde. Laat ons geloven dat uit de afbrokkelende meerderheidskerk van vandaag ook in Vlaanderen een nieuwe Minderheidskerk kan geboren worden. Het zal gebeuren door mensen die de hoop niet opgeven. Hopelijk ben jij daarbij!
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Toon Hermans zegt: “Als ik bij een dode sta voel ik me altijd de mindere. Hij of zij heeft de grote stap al gezet. Ik nog niet; dat maakt mij stil”.
Zo sta ik vandaag ook hier bij Metje Als een meteoor kwam ze het wortels luchtruim binnen gevlogen anderhalf jaar geleden. Vanwaar kwam zij , wie was ze, wat deed zij? Vragen te over in het kleine Wortel waar men de mensen graag in een kadertje plaatst. Maar Metje is niet zomaar in te kaderen. Ze was Nederlander, maar gedroeg zich helemaal niet Hollands. Ze was vrouw, maar iedereen die haar zag werken wist dat ze haar man kon staan. Ze was moeder, warm nest en geborgenheid, maar ook vader , richtingwijzers uitzettend voor Sofie en Suzanne. Ze studeerde geneeskunde, maar hield zich bezig met het helen van mensenharten en relaties. Ze was van huize protestant, maar voelde zich zo thuis in het koor en de liturgie van onze kerk. Ze was water en vuur tegelijk. Lavend en verfrissend; vuur en warmte, maar soms ook overspoelend en verschroeiend. Haar mooie lichaam was in de greep van de kanker, maar haar geest bleef als een kompas gericht naar het noorden. Ze verloor het noorden nooit. Ze heeft gevochten tegen de ziekte als geen een, maar op een dag keek ze vertrouwvol de andere kant op en bad om vergeving en vroeg zegen over haar dierbaren. En de toekomst? Of het nu de Hemel is, of de schoot van Moeder Aarde of de Grote Geest van de Indianen, het deed er niet toe. “Dat er toekomst was” dat was haar houvast. Ze plantte bloembollen in de tuin want ze geloofde in de nieuwe lente. Haar leven was een symfonie, een onvoltooide symfonie. Laten wij met haar kracht en inspiratie ze voltooien. Metje, als ik een plaatje voor jou zou mogen kiezen dan koos ik het lied van Bram Vermeulen: De Steen; Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Je bent geen meedrijver geweest op de stromen van deze wereld. Je hebt hem een wending gegeven naar menselijkheid en geesteskracht. Je hebt geleefd. Met Bram Vermeulen kan jij nu zingen Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Het water gaat er anders als voorheen Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten Ik leverde het bewijs van mijn bestaan Omdat door het verleggen van die ene steen de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.
Uitgesproken in de afscheidsviering door pastoor Van Dijck - Wortel.
Homilie voor Metje Smallenburg 1950 – 2004.
1. Voor haar 54ste verjaardagsfeest, dat de vrienden voor haar organiseerden mocht je haar als geschenk bloembollen of bloemzaad schenken. Het was een hele bloemenverzameling op het koertje. Op de pakjes kon je zien welke prachtige bloemen het zouden worden. Op een dag dat ik haar bezocht vertelde ze me dat ze eigenhandig heel wat bloembollen had geplant. Ze had er zo’n deugd aan beleefd, want weet je pastoor terwijl ik dat deed dacht ik aan mijn begrafenis. Waarom hebben mensen het zo moeilijk te geloven in de toekomst. Hadden ze maar het geloof van een bloembol. Die laat zich rustig planten, want hij weet moeder aarde zorgt voor nieuwe bloei. Misschien is het wel, zei ik, omdat wij geen voorstelling hebben hoe het andere leven zal zijn. Op het pakje bloembollen staat een mooie afbeelding van hoe het nieuwe leven zal zijn. Van het toekomstige leven hebben wij, mensen, geen voorstelling. Reeds in Paulus tijd kwamen de mensen met die vraag naar hem toe. Hoe is het leven van diegene die gestorven zijn? Met welk lichaam leven zij? Ook Paulus verwijst naar de natuur Elke zaadkorrel moet eerst sterven vooraleer deze nieuw leven kan voortbrengen Alle levensvormen zijn verschillend van aard Het bestaan van een mens is totaal anders dan het bestaan van vogels en vissen Zo is er ook een hemels bestaan dat niet kan vergeleken worden met het aardse. Voor Metje was het “hoe” niet belangrijk. Of het nu de hemel, de schoot van Moeder aarde of de grote geest van de Indianen was het deed er niet toe. “Dat er toekomst was”, dat was haar houvast. Ze heeft wel zelf het plaatsje gekozen waar ze zou begraven worden. Sterven is het ene mysterie verlaten…. om het andere binnen te gaan dat geloof biedt de kerk en ook Metje ons aan.
2. Toen Metje pas gestorven was en ik haar ging groeten luisterde ik naar de mensen die haar zagen sterven. Iemand zei: het was alsof ze weg vloog…er ging iets weg en ik dacht aan het lied van Crawford Randy: One day i fly away; op een dag vlieg ik weg. En Suzanne zei: het was alsof zij al haar adem bijeen pakte en haar geest naar mij toeblies. Hier heb je hem. Ik voel dat hij nog bij mij is. Daarom koos ik als evangelie het verhaal van Jezus sterven. Van Jezus zegt het evangelist niet: Hij stierf maar Hij gaf de geest. Hij blies zijn geest over de wereld uit. Zoals Metje: hier heb je hem, doe er wat mee.!. De bijbel is geen leesboek maar een leefboek. We lezen niet het evangelie, we verkondigen het: we roepen het over je uit. Opdat we het zouden oppakken en ervan leven. Het is goed dat we Metje gaan begraven, maar het is nog mooier dat we de geest van Metje laten verder leven. Dat is ook de boodschap die Jezus aan zijn leerlingen naliet op het kruis: Goede Vrijdag vieren is mooi, maar mooier is het dat wij “Pasen en Pinksteren” zijn geest laten verder leven in deze wereld.
3. Na afloop is er koffie met broodjes op het thuisadres. Dat lees ik op de rouwbrief. Het levenseinde van een mens vieren met een maaltijd is een diep menselijk gebeuren Doorheen de pijn en het verdriet willen we de verbondenheid bewaren. In leegte en gemis willen wij ons lichaam en ons hart vullen met nieuwe levenskracht om verder te gaan. Jezus wilde ook zijn levenseinde met zijn vrienden vieren in een maaltijd gebeuren. Een maaltijd die reeds getekend was door het aanstaande einde: “Op de avond voor zijn dood”. Maar ook een maaltijd die toekomst gaf aan de leerlingen die achterbleven. Dit is het nieuwe en blijvende verbond met jullie.Een toezegging van zijn blijvende aanwezigheid. Daarom vraagt Hij ons: Blijf dit doen om mij te gedenken. Wij mogen geloven dat de Heer zo bij ons aanwezig wil zijn en onder ons die diepe levensband wil brengen opdat wij samen weer verder gaan op onze levensweg. Laten wij ons gelovig openstellen voor Jezus geest en het heilige maaltijdgebeuren.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
In onze school hebben 91 leerlingen op verschillende tijdstippen meegedaan aan bibliodrama. De bedoeling van bibliodrama is jezelf in te leven in een bijbelverhaal; in dit geval het gevecht van Jacob, een verhaal uit het oude testament. Dit gebeurde aan de hand van een rollenspel met enkele vragenrondes. De bedoeling was dat de leerlingen van het 3de technisch (15-jarigen) een rol kozen en nadien een antwoord gaven op een aantal vragen. Elke vraag werd vooraf gegaan door de vraag: “Wie ben jij?”. De leerling antwoordde: “Ik ben….”; en daarna kwam de vraag. Op die manier vereenzelvigde hij zich in zijn antwoord met zijn rol.
Opvallend was hoeveel leerlingen hun rol goed speelden, hoe ze zich echt konden inleven in de rol die ze gekozen hadden. Naargelang de vragen dieper gingen, begonnen leerlingen in hun antwoorden meer en meer te vertellen over hun eigen leven. Hun eigen zwakheden, hun sterke kanten, hun visie en hun diepe gevoelens kwamen naar boven in hun antwoorden.
Tijdens het groepsgesprek per klas of per klasgroep viel het op hoe leerlingen inzagen en aanvoelden dat een verhaal van zoveel jaren geleden eigenlijk over hun eigen leven gaat. De situaties, de gevoelens, de tekortkomingen en de oplossingen uit een eeuwenoud verhaal sluiten zeer nauw aan bij ons hedendaags leven. De leerlingen begrepen de actualiteit ervan.
Aan de leerlingen werd achteraf gevraagd of bijbelverhalen de dag van vandaag nog betekenis hebben voor hen. Er waren 20 leerlingen die “neen” zegden, eentje had geen mening en 70 vonden van wel. Uit hun antwoorden blijkt dat de Bijbel geen dood boek is. Het toont aan dat jongeren nog zin en betekenis vinden in de oude verhalen.
Van de 20 leerlingen die geen betekenis zagen in de bijbelverhalen, waren er 10 die geen verdere motivatie geven. Eén leerling zei dat hij geen interesse heeft. De 9 andere leerlingen zien er geen betekenis in voor hun leven of voor deze tijd.
Van de 70 leerlingen die zeggen dat de bijbelverhalen nog wel een betekenis hebben, volgt een samenvatting van hun motivatie.
Bijbelverhalen worden de dag van vandaag nog gelezen, dus hebben ze nog een betekenis voor diegenen die ze lezen. De verhalen zijn niet alleen soms spannend, maar er zit een diepere betekenis in. Ze laten zien hoe de mensen uit die tijd reageerden op situaties, hoe ze leefden, en in het NT zien we vooral hoe Jezus leefde en hoe hij omging met mensen. Zelfs als je niet gelovig bent, krijg je voorbeelden van hoe je kan leven, van hoe je met problemen kan omgaan en hoe je mensen kan benaderen. Je kan dan trachten die voorbeelden op je leven toe te passen om een beter mens te worden. De situaties die we voorgesteld krijgen, hebben vaak een gelijkenis met onze hedendaagse wereld, en zelfs met ons eigen leven. Een aantal situaties hebben we reeds meegemaakt en zijn daarom niet alleen actueel; het naleven ervan is de dag van vandaag mogelijk en zinvol.
In een bijbelverhaal kunnen we onszelf herkennen in de personages die meespelen. Het is alsof we reeds een aantal van die momenten zelf hebben meegemaakt. Vooral de diepere betekenis is heel herkenbaar. We hebben allemaal al wel eens een dalmoment in ons leven en het verhaal nodigt ons uit om de levenswijze van toen op onszelf toe te passen. Het geeft ons de kans om een beter leven te hebben en om zelfs een beter mens te worden. We kunnen dan moed putten uit de achtergrond van het verhaal en we kunnen op die manier meer zin geven aan ons eigen leven. Juist omdat de lessen in de verhalen ook nu nog van toepassing zijn, blijkt dat het gezegde “De geschiedenis herhaalt zich” gestaafd wordt door de bijbelverhalen.
Als je je inleeft in de mensen van toen, kan je je eigen gevoel terugvinden. De oplossingen die we dan lezen, kunnen we proberen te gebruiken in ons eigen leven. Dit kan echter alleen als we er voor openstaan. Het zet aan tot nadenken
Zelfs als je twijfelachtig staat tegenover de bijbelverhalen kan je er toch veel uit leren. Je kan jezelf leren kennen en je kan hierdoor leren vechten tegen je slechte kanten. Je zal voelen dat je dezelfde situaties al eens meemaakte. Je kan dan zelf beslissen wat je met het verhaal kan of wil doen. Je moet je gewoon maar inleven, de rest kan vanzelf komen.
Verder is er in de Bijbel zeer veel symboliek aanwezig. Openstaan voor deze symbolen, zet je aan tot nadenken en zo kan je heel wat toepassingen terug vinden voor je eigen leven.
Dit alles leert ons dat, als we de Bijbel durven openslaan en de verhalen aanreiken aan jongeren, zien we dat er voor hen een wereld opengaat: een wereld van inzichten en ervaring, een wereld van kansen. Het actualiseren van die bijbelverhalen doen ze zelf. Zo zie je maar dat interesse in de Bijbel bij jongeren niet altijd een drama is: bibliodrama leert ons anders.
vaem
|
||
|
|
Elke zondag namiddag rond 4uur is het verzamelen geblazen voor de veteranen van ’t Slot in Wortel. Tijd voor hun wekelijkse babbel en vertier. Op een zondag trok ik er naartoe. Het was rustig: Cois, Luc, Leon en Frank alias Stanneke, 30-40gers, aan de toog. Zet u erbij en drink er eentje mee! Drink van mij: ik heb ze vandaag weer verdiend! Na een tijdje:”Pastoor” zei Cois,” je zou Stanneke zijn appartement eens moeten inzegenen want het zit er niet pluis. Vorige week zat hij opgesloten in de lift. En geen levende ziel in’t gebouw. Je zou voor minder”. Ja, je kon het nog op zijn gezicht zien als hij het verhaal vertelde. “Goed, geef maar je telefoon”. Op een bierkaartje zijn gsm nummer. “Liefst op een vrijdagavond. Dan schaken we bij Stan”! Enkele weken later op een vrijdagavond. “ Of dat aankwam om het appartement te komen inzegenen?”…. Even stilte…. “Ja, kom maar af”. Een kwartier later zat ik bij Stanneke aan de huistoog met een Palm. Alles was nog kraaknieuw en netjes. Zijn broer Leon was er ook en wat later kwam Cois ook binnen. Het schaakbord stond op de tafel. Eerst wat babbelen en rond kijken en dan:. “Pastoor hedde gij wijwater en palm bij”? “Nee, palm heb ik al, wijzend op mijn pint en wijwater is niet nodig. Mijn handen zijn ook gewijd”. “Beginnen w’ er aan”, vroeg ik! “Ja, wij zijn er klaar voor”! Kom we beginnen bij de deur: Eerst een kruisteken maken dan de deur open. Met een zegenend handgebaar bad ik: “Dat de deur altijd gastvrij zou openstaan voor de vrienden en mensen in nood; maar dat ze gesloten zou blijven voor mensen met slechte bedoelingen. Amen”… Amen Zo gingen we de woning rond: de badkamer, de slaapkamer. Telkens een zegenend gebed. Met een Amen, geleidelijk door de aanwezigen meegezegd. “Dat de tafel een plaats mag zijn waar we het leven delen met elkaar: samen genieten van het eten en het schaakspel. Dat aan deze tafel de verbondenheid mag groeien. Amen… Amen”. Toen ik terug aan de huistoog wilde gaan zitten, zei Leon , “Pastoor, de lift nog!” Och ja, daar was het om te doen. Ik wist niet dat het bestond: een huislift die uitkomt in de living en die elke bewoner met een speciale chip kan bedienen. De liftdeur open en de wens: “ dat de samenwerking tussen de mens en de techniek goed zou verlopen en de mens er met een gerust gemoed gebruik van zou kunnen maken”. Zo was het volledig. Een blijvend aandenken aan dit gebeuren leek mij zinvol. “ Frank, ik heb iets voor je meegebracht”, zei ik. Een mooi tegeltje met de woorden” Pax et Bonum”. Vrede en alle goed! Dat is de spreuk van Fransciscus van Assisi. In Assisi hangt die aan de huisgevel. Een teken van gastvrijheid. Ook aan de pastorie van Wortel hangt er een. Mag ik u dat tegeltje geven met de vraag het hier ergens een plaatsje te geven? Zo weten de mensen dat dit een plek is van vrede en alle goeds”. “ Ja, daar zorg ik zeker voor, zei Frank. Een kruisbeeld is zo nimmer van onze tijd, maar dit is mooi. Bedankt”. Ondertussen haalde Cois een plastiek doosje met zelfgemaakte frikadellen boven. Normaal zijn ze voor onder ’t schaakspel, maar nu zijn ze een hapje bij de nadrank van deze viering. Als ik achteraf Frank, alias Stanneke, nog eens zie in ’t Slot geven we elkaar een teken van erkenning, met een knipoog of een opgestoken hand. “Pax et Bonum”!
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Op de Langenberg heerste vorige week heel wat drukte ter hoogte van boer Peeters. Er kwam zelfs een groot laken aan te pas waarop van alles geschreven stond. Niet simpel voor voorbij rijdende auto’s. Zelf dacht ik dat het om een 50ste verjaardag ging en dat iemand Abraham of Sara had gezien. Toen er echter s’anderendaags een koe aan de voorgevel stond kon ik het raden. Er was wat aan de hand met de koe. Marie had het de laatste dagen ook voelen aankomen. Er was werkelijk meer aandacht voor haar. Carine kriebelde haar ’s morgens op haar kop en Stefaan klopte haar in haar nek, zoals ruiters doen bij hun paard na een goede prestatie. En ze werd “geroskamd” dat het een lust was en het deed nog deugd ook. Ze blonk van gezondheid. Dat was natuurlijk werk voor Fons, die had meer ervaring. Ondertussen bleef Marie er kalm bij. Ze dacht: Ik ben, een koe melk geven is wat ik doe Vele liters elke dag dat doe ik met een lach Dat het juist om die melk en die dagelijkse plicht was dat ze zondagmorgen uit de rij gehaald werd en naar de stal van de Blanc Bleu Belge werd verplaatst dat vond ze onbegrijpelijk. Waar en door wie word je nog gewaardeerd als je elke dag je dagelijks werk en plicht vervult! Maak het maar mee: simpele roodbonte koe tussen die prijsbeesten van BBB! Marie bleef bescheiden en deed ook nu wat van haar verwacht werd. Ze ging mee naar de “pronkbox” van boer Peeters, midden tussen de Blanc Bleu Belge. En ze bekeek het schouwspel, het was een gaan en komen. Het ging er van Charel, Jef, Peer tot Mr.inspecteur, Mr.veearts, Mr.Burgemeester. Toch een rare mensenwereld: al dat volk. Ze hoort heftige discussies over hoeveel een koe eet! Hoeveel bloed ze heeft enz., dat waren duidelijk kenners, dacht Marie. Er waren er heel wat bij die van koeien niet veel afwisten, maar deden alsof. Anderen waren beleefd: liepen eens rond Marie, bekeken haar eens links en rechts; sommigen pinkten een oogje. Goed gedaan! Maar met het andere oog keken ze toch de andere kant uit waar Magda een lange tafel vol gedekt had met allerlei menselijke en dierlijke lekkernijen en alle soorten dranken. Blijkbaar was de belangstelling daarvoor zeker zo groot. Sommigen kwamen zelfs niet tot bij Marie, maar schoten recht naar de drankenfuif. Marie dacht er ’t hare van, maar ze zag dat de boer en de boerin er gelukkig uitzagen…. en dat was ’t belangrijkste. Daar moet ik het tenslotte toch mee stellen, dacht ze. Toen op een bepaald moment een BBV (een Bijzondere Boeren Vlaming) een grote groene laurierkrans over haar mooie koeienkop schoof werd het haar te machtig. Ze voelde de tranen in haar weeë ogen schieten en wist niet hoe zich te houden. Het liefst had ze de BBV drie kussen willen geven. Ze stak haar tong al uit maar ze bedacht zich. Moest zij niet de kussen krijgen! Ze schudde dan maar eens met haar kop op en neer om te zeggen: Merci BBV. Die had ondertussen ook al een glas aan de lippen. ’t Is welletjes geweest, dacht Marie, en ze ging erbij liggen en ze begon te herkauwen…… tien jaar lang was ze reeds op de boerderij, Ze dacht aan al de kalfjes die ze had voortgebracht, hoogdagen in haar koeienleven. Ze dacht aan die zalige momenten in de wei. De morgendauw en ’t frisse gras, grazen, grazen, grazen en om 10.00u. liggen en herkauwen, de ogen toe. ’t Was dubbel genieten, dan wordt het zure zoet en het harde zacht. Dat is ons geheim; dacht Marie: wij nemen de tijd! Wij herkauwen het leven. Dat kennen de mensen niet. Daar is het altijd maar jachten en jagen, die herkauwen niet en daarom is hun leven vaak hard en zuur. Die kunnen wat van ons leren! Kauwend droomde ze weg…… Toen Marie wakker schoot uit haar dromerig gekauw was het terug stil in de stal van boer Peeters. Ze zag enkel nog het plaatje hangen: 100.000 liter melk! Maar wie van de bezoekers had de melk geproefd?
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Een tijd geleden was ik op bezoek bij een collega op pensioen. Hij onderbrak ons gesprek: Stil! De klokken luiden! Er is iemand gestorven. Ik denk dat het de lichte klok is. Dan is het een vrouw. Ja, het moet een vrouw zijn: even waren we stil. Onze gedachten gingen even naar de overledene die door de klokken werd opgeroepen. Klokken hebben een boodschap: op de luiklokken staan vaak 2 Latijnse woorden: Vox Dei! Stem van God. God spreekt langs de klokken. De vraag is of we de taal van de klokken nog verstaan? Horen we nog Gods stem wanneer de klokken luiden om ons bv. uit te nodigen voor de zondagsviering? Een oudere vrouw vertelde mij eens: Als de ziekenwagen met geloei voorbijrijdt dan bid ik een Onze Vader: dat hij – de zieke behouden mag terug komen of dat hij behouden mag thuis komen bij God. Zij hoorde in het geloei van de serene de hulpkreet van een zieke of gewonde medemens. Ze hoorde zelfs Gods stem in het geloei van de 100. Hoort de moderne mens nog Gods stem? Hoort hij Gods roepen? Beseffen wij dat God ons roept, dat wij geroepenen zijn? Onlangs ontving ik een e-mail van iemand uit de parochie. Hij had het over het luiden van de klokken. Hij vond het triestig dat er bij een overlijden anders werd geluid voor een vrouw dan voor een man. Discriminatie? ! Ik ging even op bezoek. Zijn ergernis verraste mij, gezien hij in mijn ogen een wijze man is. Uit het gesprek bleek dat het luiden met een lichte of zwaardere klok voor een man of vrouw vroeger nooit had bestaan. Ik had dit blijkbaar bij mijn komst in Wortel ingevoerd. Bij navraag blijkt deze gewoonte ook te bestaan in de omliggende parochies: Meer, Meerle, Rijkevorsel, Minderhout en anderen. Wellicht onder invloed daarvan bracht ik die gewoonte ook naar Wortel. Voor de dood zijn we natuurlijk allemaal gelijk, man of vrouw. Voor de mensen zijn mannen en vrouwen gelijkwaardig, maar ook eigenwaardig. Een man is een man. Een vrouw is een vrouw. Van een man zeggen we weleens: Hij heeft een stem als een klok en dan bedoelen we: een zware stem. Wellicht past een zwaardere klok dan beter bij de man. Van een vrouw zeggen we weleens: ze kan zingen als een engel en dan bedoelen we een hoge en lichte stem. Als we dat in klokkentaal willen omzetten dan past allicht een lichtere klok het best. In ieder geval willen we daarmee niet zeggen dat de ene beter is dan de andere, maar dat ze hun menselijke eigenheid mogen bewaren. Het is natuurlijk ook een vorm van informatie geven naar de gemeenschap toe. Als de kosteres gaat uit luiden komen mensen buiten met de vraag: “Wie is er gestorven”…?
Sommigen die niet in de schaduw van de kerk wonen horen aan het klokkengelui of het een man is of een vrouw. En in een kleien gemeenschap als Wortel, weet men nog wie er ernstig ziek is. Onlangs werd ons gevraagd drie minuten stil te zijn voor de slachtoffers van de Tsunami. In Wortel werden de doodsklokken gedurende drie minuten geluid. Mensen vroegen aan de kosteres: “Wie is er dood”? “Kijk maar in uw krant”! Antwoordde zij. Toen viel de frank van de vragensteller. Klokken kunnen dus ook in het gemeenschapsleven een rol spelen…. mensen attent maken voor een bepaalde nood of een bepaalde activiteit. Als de vormelingen aan hun tocht van Sterzingen begonnen werden de klokken enkele minuten geluid. “Mensen ze zijn op komst”! Zoiets zou ook kunnen gebeuren op 11 november wanneer de volwassenen na de mis voor de oorlogsslachtoffers hun rondgang doen voor 11-11-11. Zo wordt de gemeenschap attent gemaakt voor en bepaalde nood of actie. We leven in een tijd dat elke mens graag in zijn eigenheid erkend wordt, maar dit verlangen verglijdt vaak naar individualisme en egoïsme. De zin voor de gemeenschap is soms ver te zoeken. Misschien is het wel de diepste betekenis van het klokken gelui. Ze roepen de gemeenschap op. Zo was het ook vroeger. Bewuste Vlamingen kennen nog het lied: Klokke Roeland. Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand En lui de storm in Vlaanderland. Mensen je bent niet alleen! Je behoort tot een gemeenschap! We worden opgeroepen mee te werken aan meeleven, inzet en verbondenheid. Dan is het lied van de klokken niet iets triestig maar een blijde boodschap! Weldra is het Pasen…. het lentefeest van de kerk…… het feest van vreugde en hoop ondanks alles. We kunnen het vieren op de tonen van de klokken. Op Witte Donderdag tijdens de viering van het Laatste Avondmaal “vertrekken” de klokken naar Rome werd verteld aan de kinderen. Dan wordt het stil in de kerk: op Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Stil zoals in het huis waar iemand gestorven is – geen radio of tv. Stilte naar buiten, maar vooral naar binnen. Tijdens de Paaswake breekt de vreugde los in licht, klank en vreugdezang. De klokken beieren! Alleluja! Hij is Verrezen! Er is hoop er is leven! Durf luisteren naar het lied van de klokken. Zalig Pasen!
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Een moeder had drie dochters. Ze werden groot en kregen trouwplannen. Maanden vooraf begon moeder te breien. Een warme wintertrui. Ze dacht dat is iets van thuis en da’s iets dat ze kunnen gebruiken. Ze breide met ijver en vooral met liefde. Toen de dochters één voor één trouwden – ze was blij dat ze dat nog deden, en nog voor de kerk! gaf ze mooi ingepakt in het kleurrijkste papier de warme wintertrui mee. Op het kaartje schreef ze: “van thuis en met liefde gebreid”. Alle drie waren ze blij met deze persoonlijke verrassing van hun moeder. Maar na verloop van tijd gingen ze toch verschillend om met dat geschenk van thuis. De oudste had de trui een mooie plaats gegeven in haar kast en elke winter werd hij regelmatig aangedaan: Ze woonde ver van thuis en telkens als ze hem aandeed, was het of ze voelde iets als een warme omarming van moeder. De tweede dochter had de eerste winter wel eens genoten van de warme trui. Maar ze was nogal nieuws gezind en er waren toch heel wat mooier modellen in de boekjes en de winkels. Ze wilde van haar tijd zijn en zo belandde moeders trui na een paar jaartjes in een zak voor spullenhulp. Niks meer voor mij, dacht ze. Bij de jongste was het wat in dezelfde zin gegaan: alleen kon ze de trui niet weg doen: hij kwam ten slotte van thuis en nu moeder gestorven was, besefte ze nog beter wat thuis betekende. Elk jaar werd de trui verlegd in de kast…. en telkens ze het deed, deed het haar iets. Op een lange winteravond kwam ze weer uit bij die trui. Ze kreeg een ingeving: ze begon de trui van thuis af te trekken: ze was verwonderd over de kwaliteit van de saai. Moeder had op geen kosten gezien! En met het boekje van KVLV. voor zich begon ze een nieuw breiwerk op et zetten: ze breide met het materiaal van thuis een warme mooie trui: eigentijds en naar haar smaak. En de kinderen zeiden: Mama, da’s mooi. Ja, die is van moemoe! Brei jij ook voor ons later zo’n warme wintertrui? Ons geloof is als een warme wintertrui. Je krijgt het mee van thuis. Het is je met veel liefde van kleins af doorgegeven. Wat heb je ermee gedaan? Ik zie drie soorten jonge gezinnen rond mij. Er is een kleine groep gezinnen die doen als de oudste dochter: ze zijn blij met wat ze van thuis hebben meegekregen. Ze voelen er zich goed in en ze houden het in ere. Je ziet ze in de kerk, ze houden ook thuis gebruiken in ere die ze thuis zagen. De grote groep jonge gezinnen zijn als de tweede dochter: geloven en kerk? Dat was goed voor vroeger. Da’s ouderwets. Wij zijn modern als VTM en Goedele Liekens. We trekken onze plan. De warme wintertrui is mee gegeven met spullenhulp. Hun kinderen weten zelfs het bestaan van zo iets niet meer. Ze groeien op in de kou. Maar er is ook een derde groep jongeren. Ze zijn ook van hun tijd, maar ze laten zich niet meeslepen. Ze scheiden koren en kaf. Ze proberen het goede van thuis op een eigentijdse en creatieve manier in hun gezinnetje op te nemen en ze zijn stilletjes aan bezig een warme wintertrui te breien voor hun kindjes. De Advent en Kersttijd is een ideale tijd om hieraan te werken. Er komt een Adventskrans in huis en elke avond wordt een kaarsje aangestoken en een gebedje gezegd. En de kinderen dromen al van Kerstmis want dan is het winter, maar vooral dan doet zo’n warme wintertrui van thuis zo’n deugd!
Fons Van Dijck
|
||
|
|
In 1944 werd de Erla in Oude God gebombardeerd. De bommen misten doel en kwamen op een school en burgerhuizen terecht. Een verschrikkelijke ravage. Pastoor Jespers uit Meerle, toen pastoor in Oude God vertelde mij eens: “Dit was het beeld dat mij het meest is bijgebleven uit die dagen. Ik kwam aan een huis dat helemaal was ingestort. Temidden van het puin zat een peuter te wenen! Moeke! Moeke!… Onder het puin lag zijn dode moeke, haar hand boven het puin. De kleine hield haar hand vast en riep wenend: Moeke! Moeke!” Moeder en kind horen samen. In 1944 werd Loenhout bevrijd. Drie weken zaten we in de frontlinie. Meermaals per dag werden de dorpen St.Lenaerts, Brecht en Loenhout vanuit Malle beschoten. In St.Lenaerts werd er hard gevochten, soms huis na huis, soms man tegen man. Bij ons thuis lag het Duitse Rode Kruis. Gekwetsten werden vanuit het front binnen gebracht voor verzorging en daarna verder afgevoerd. Op een zaterdagnamiddag zaten we met ons allen in de kelder. Het rommelde langs alle kanten. En wij maar weesgegroetjes bidden! Ik herinner mij dat men een zwaargewonde Duitse soldaat had binnengebracht. De dokters waren bezig hem te opereren. Plots braken alle duivels los. Een bom sloeg in. Het glas rammelde. De twee dokters kwamen in de kelder gevlucht. De gekwetste lieten ze in de living staan. Hij begon te roepen: “Mutter! Mutter!” Moeder is degene die erbij hoort. Het leven geeft, het leven behoedt, lotsverbondene. Het verhaal van Floris.Zes maanden oud, verloor hij zijn mama bij een auto ongeluk. Toen ik naar de bedroefde familie ging nam de bomma het kindje uit de wieg en liet het mij zien. “Ziet eens hoe een schoon kindje van ons dochter”. En toen begon ze te wenen. Het zal zijn Moeke nooit kennen. Heel zijn leven zal het de hunker bewaren naar zijn Moeke. Moeke is degene die erbij hoort. Onze Paus had als leuze, een Mariaal woord: “Totus tuus”. Ik wil helemaal van u zijn. Vanwaar die sterke band met Maria. Ik begreep het toen ik in een reportage vernam dat zijn moeder stierf toen hij 8 jaar oud was. Hij had van haar een foto van Moeder met de kleuter Karl op de arm. “Moeder en kind”. Die foto, vertelde de reporter, had de paus altijd bij zich. Waar moest hij naartoe met zijn heimwee naar Moeder. Wellicht werd heel de affectie en nood aan geborgenheid en verbondenheid geprojecteerd op dat oerbeeld van Moeder en kind dat Maria en Jezus in de christelijke vroomheid vormen. De reporter vertelde erbij dat bij de aanslag op de Paus tijdens zijn overbrenging naar de kliniek hij luid had geroepen op Maria “ Totus tuus ego sum”. Hij was ervan overtuigd dat Maria hem gered had. Zoals moeder een oersymbool is van lotsverbondenheid voor een mens, zo is Maria het oersymbool van geestelijke lotsverbondenheid. We noemen haar niet voor niets Moeder van de christenen. Ze is ons nabij niet alleen in nood maar in alle fasen van het leven. Als elf jarige knaap ging ik op internaat in Hoogstraten. De eerste avond kwamen de kleinsten samen in de kleine kapel voor het avondgebed. De priester die het leidde zei: “Vanavond zal je moeder je niet komen toedekken, maar bid voor je bed je drie weesgegroeten tot je hemelmoeder. Zij zal over je waken en je zal goed slapen” Zo leerde ik een nieuw avondritueel dat ik tot op vandaag nog elke avond doe. Maria die ons behoedt. Op zondag ga ik vaak naar Postel naar de vespers: het avondgebed. Ik ben steeds getroffen wanneer de hele gemeenschap van paters, oudere en jongeren, geleerden en werkbroeders zich samen keren naar het verlichte Mariabeeld en samen zingen:
Salve Regina U groeten wij, Maria, koningin en moeder vol goedheid. Bij u vinden wij het leven, de vreugde en de hoop. Wij roepen u aan op onze pelgrimstocht. Wees de lijdende mensheid nabij. Gedenk ons, zie barmhartig op ons neer en leid ons door het leven naar Jezus, Uw zoon. Moeder vol goedheid en liefde, heilige maagd Maria.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Meer dan 600 jaar geleden, rond het jaar 1350, leefde er in Boxtel, een Nederlands stadje dicht bij Tilburg, hier 70 km vandaan, priester Eligius Van Aker. Op een zekere dag, tijdens een eucharistieviering, stootte Eligius Van Aker na de consecratie per ongeluk de kelk om. De witte wijn die uit de kelk stroomde, kleurde onmiddellijk rood. De priester schrok hevig bij dit wonder. Jezus’ bloed had de witte doeken rood gekleurd. Na de mis wilde de priester de doeken in de beek wassen, maar de rode vlekken bleven erin. De priester bewaarde zijn geheim angstvallig. Slechts op zijn sterfbed maakte hij het wonder aan zijn biechtvader bekend. Bij het horen van dit wonder, kwamen er elk jaar steeds meer bedevaarders naar Boxtel, om er de H.Bloeddoeken te vereren, en er gebeurden meerdere wondere genezingen. In de 16de eeuw, te tijde van Keizer Karel de V, kwamen er in de week na Pinksteren wel meer dan 40.000 pelgrims op bedevaart naar Boxtel. Maar tijdens het Spaanse Tijdvak braken er godsdienstoorlogen uit, en tenslotte werd Nederland protestant. De H.Bloeddoeken waren niet meer veilig in Nederland. Ze werden eerst naar Antwerpen gebracht, en daarna naar Hoogstraten. Dit gebeurde in 1652, tijdens de regering van de achtste graaf de Lalaing van Hoogstraten. Sedert dat jaar werden in Hoogstraten, gedurende de tweede en derde week na Pinksteren, de H.Bloeddoeken vereerd. Van heinde en verre kwamen nu bedevaarders naar Hoogstraten Dit duurt zo al meer dan 300 jaar. In 1923, na de eerste wereldoorlog, werd een deel van de doeken terug naar Boxtel gebracht, het andere deel bleef voorgoed in Hoogstraten. Wanneer de H.Bloedprocessie uitgaat, dragen 6 personen de mooie vergulde H.Bloedkast, waarin het doek opgeborgen zit. Tijdens de H.Bloedweek komen er nog steeds Nederlanders uit de streek van Boxtel op bedevaart naar Hoogstraten. Dit is de geschiedenis van het Heilig Bloed van Hoogstraten. Het toont ons het groot geloof van de voorbije generaties in de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in brood en wijn. Moge het ook ons geloof in de eucharistie versterken.
Processie H.Bloed Hoogstraten, op 1ste en 2de zondag na Pinksteren na de Plechtige Hoogmis van 10.00uur.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Toen pater Frans Van Dongen in 1989 naar Hoogstraten kwam als kapelaan van het Begijnhof gebeurde dat zonder veel omhaal. Een mededeling in de beide kerken, een artikel in het parochieblad brachten de gemeenschap op de hoogte. Frans Van Dongen, pater scheutist had al een hele opdracht achter de rug als missionaris 18 jaar in Kongo en 12 jaar in Guatemala. En nu hoopte hij als kapelaan van het Begijnhof, tevens onderpastoor van Hoogstraten nog verdienstelijk werk te doen voor de kerk in de kempen. Al vlug ontdekten de mensen dat de pater een ochtendmens was. Voor dat de eerste mis begon, had Frans al een hele toer gefietst in een of andere richting. Met de fiets door het leven Mensen die ’s morgens naar ’t werk reden kwamen hem tegen. Zo kwam Pater Frans elke morgen fris aan de start.
De kerkfabriek van ’t Begijnhof mocht zich gelukkig prijzen met de komst van Pater Frans. Ze hadden in hem niet alleen een toegewijde kapelaan, maar tegelijk een poetsman en een onderhoudsman. Wie heeft Frans niet zien keren in en voor de kerk. De stoepen voor de pastorie en zelfs de hele inkom van het mooie Begijnhof. Of dat nu zijn taak was of die van de kerkfabriek of gemeente vroeg Frans zich niet af. Het moest in orde zijn en “ ik doe het graag” zei hij. Helpen waar hij kon dat was zijn spirit. Zo was dat ook in de parochie. ’s Morgens ging hij Jos Bruurs ophalen en samen wandelden ze naar de kerk voor de ochtendmis. Ze hadden soms al vinnige ochtendgesprekken. “De weg was juist lang genoeg voor een vinnig gesprek en kort genoeg om niet tot conflict te komen” zei Jos weleens. Maar ze hadden wel wat aan elkaar. “Zeg maar waar ik kan helpen of wat ik kan doen” zei Frans me in 89. “Helpen waar hij kon”. Ja dat deed hij in de parochie Hoogstraten, in de viering, bij de dopen, H.Bloed en als proost in verenigingen. De mensen van het rusthuis, de zieken in de parochie en met de fiets naar ’t ziekenhuis in St.Anthonius. De zondagavondmis in ’t Begijnhof was een hele verlichting voor de priesters van de dekenij. Ook buiten Hoogstraten sprong hij bij: zo in Meer tijdens de ziekte van Pastoor Jan Van Dijck en te Minderhout voor de zondagsviering. Dat hij de gaven van het woord niet bezat wist hijzelf…. maar als het moest zegde hij wel op zijn manier wat hij dacht te moeten zeggen. Van Pater Frans zou Jezus misschien wel zeggen wat hij zei over Nathanael, een van de leerlingen:” Ziedaar een man in wie geen bedrog is”. Inderdaad hij is zoals hij is en hij toont zich ook zoals hij is. De affiches over “Pro Vita – tegen abortus en over Vlaamse aangelegenheden hingen duidelijk aan het raam van de pastorie. Spijtig genoeg waren ze voor de voorbijgangers door de grote groene aanplantingen onzichtbaar. Zelfs ondanks zijn verzwakte gezondheid is het heilig Vlaamse vuur niet gedoofd. Vorige donderdag had in Overijse een manifestatie plaats van 2000 militanten voor de onmiddellijke splitsing van Halle-Vilvoorde. Wie was één van hen???….. Jawel, pater Van Dongen. Daags voordien zei hij mij: “Ik doe het voor de “ Kick”. Het modewoord van de jeugd “De Kick” in de mond van Pater Frans! Wanneer moet je stoppen? Geen gemakkelijke vraag, ook niet voor pater Frans. Maar als je lichaam je signalen geeft dan is het goed daar naar te luisteren. En dat heeft hij ook consequent gedaan. Zo wordt vandaag de Hoogstraatse levensperiode voor Pater Frans afgesloten maar de verbondenheid tussen mensen kent geen afstanden. Nu hij niet meer zo gemakkelijk naar Hoogstraten kan komen, is het misschien aan ons om naar Kessel-Lo te gaan. Hopelijk geldt ook voor ons wat voor hem altijd gold: “’Geen woorden maar daden”!
Fons Van Dijck
|
||
|
|
21 juli… Nationale Feestdag, een gelegenheid voor Belgen om naar Nederland te gaan voor een of ander gebeuren. Zo besloten wij die dag naar de H.Landstichting te rijden in de buurt van Nijmegen. Pas op, hadden Nederlandse vrienden ons gezegd, want je zou in de vierdaagse van Nijmegen kunnen terecht komen: die hebben op dat ogenblik plaats. Toch maar wagen… We nemen alvast onze wandelschoenen mee: raken we in ’t slop dan trekken we onze schoenen aan voor een mooie wandeling in de mooie streek rond Groesbeek. Toen we de autosnelweg verlieten hadden we al vlug prijs. File en nogeens file. In Mook zagen we wandelaars. Dus de auto aan de kant…. schoenen aan en rugzak met Pic-nic en wandelstok klaar. Aan de overstap van de grote baan, zei een politieagent: “Kom maar, ik zorg voor een vrijgeleide voor jullie moedige stappers en breng je naar de overkant”. Met een knipoogje naar elkaar en een dankjewel lieten we de man begaan. We stapten nog fris door en staken vermoeide en krampachtige stappers voorbij. “ Je komt er wel” zeiden we aanmoedigend. Toen we na “de zevenheuvels” Groesbeek binnenstapten zagen we plots van rechts een menigte die niemand tellen kon voorbij trekken. We werden als het ware opgezogen door de massa stappers, muziekbands die mee op stapten. Soldaten in kleine groepjes, marcherend tussen de massa, liederen zingend. Where are you from? Noorwegen, Denemarken, Canada, Zweden, Engeland en natuurlijk Nederland. Hoe verder we trokken hoe aangrijpender het spektakel. Langs beiden zijden van de weg rijen toeschouwers maar nog meer supporters, met applaus, vlaggen, toeters en bellen. De rusthuizen waren blijkbaar leeggehaald want in stoelen, zetels, rolstoelen hadden ze post gevat en moedigden aan met plakkaten: “Jullie zijn allemaal helden!” Zo tussen de mensen, kan je er niet meer uitstappen. “ Nijmegen nog 7 km” zagen we. We keken elkaar aan. Wat doen we? Doorgaan!…. We willen dit niet missen. Je bent nog fris genoeg om je ogen de kost te geven en midden op de weg staan voortdurend kinderen met mandjes snoepjes, stukjes meloen, schijfjes komkommer enz. Kinderen bieden het aan aan de voorbijtrekkende menigte grote mensen: een omgekeerde wereld. Wat verder komen kinderen naar je toe met stylo en schrift voor handtekening, vooral de soldaten hebben aantrek. Langs het parcour zat Ronny in zijn rolstoel: 18 jaar. Boven zijn hoofd een karton met daarop de tekst: “Ronny groet jullie allemaal”! Zwaar verlamd kon hij alleen met de hand een wuivend gebaar maken. Niet spreken, enkel wuiven en kijken. Spontaan gaan stappers naar Ronny en drukken de wuivende hand. Ontroerend! Heel de tijd door muziek en feestelijkheid. Grote tenten langs de weg vangen de soldaten op die even uitstappen, terwijl een ander peloton mee verder stapt om de massa te animeren. Een spandoek: nog 4 km. Hou vol. We lopen achter een groepje mensen met een “T-shirt”: “ wij lopen voor de ellende in Afrika”. Een man en zijn dochter liepen ter nagedachtenis van hun dochter die vorig jaar stierf tijdens de vierdaagse. “We moeten het doen ter hare ere” verklaarde hij bij de finish. Het was zwaar en heel aandoenlijk, maar samen is het ons gelukt. In de verslagbeelden over de tocht zagen we het beeld van een man in het ziekenhuis. Hij was onderweg in elkaar gezakt. Een medestapper had hem gereanimeerd. Tijdens de tocht kreeg de redder zijn patiënt in beeld op de ziekenkamer. “Een geweldige ondersteuning om het vol te houden tot het einde, wetend dat je iemands leven hebt gered”. Zo naderden we Nijmegen waar op het grote plein onder de tenten de massa werd opgevangen en ze zich verdrongen aan de tentjes voor het afstempelen van hun deelnamekaart. Plots hoorde ik achter mij: Kijk, de pastoor van Wortel! Tussen de massa van duizenden mensen stond ik plots oog in oog met Trees Coppens van Meersel-Dreef. Blije verrassing voor beiden. Geweldig dat je hier bent! Ja, wij komen maar even proeven en deden ons verhaal. Bij Trees kan je het hele verhaal van de vierdaagse in geuren en kleuren vernemen en ik ben er zeker van dat je goesting krijgt om mee te stappen of een stukje mee te proeven. Wij willen er alvast volgend jaar weer voor een stukje bij zijn. s’ Avonds thuis. Terwijl ik al deze beelden en mensen aan me laat voorbij trekken stel ik me de vraag? Wat tilt mensen zo boven zichzelf; wat brengt mensen, jong en oud, gezonden en gehandicapten, mensen van alle rassen en talen zo dicht bij elkaar? Wie schept deze verbondenheid, deze vreugde, blijheid tussen mensen! Ik denk dat het niet door mensen wordt gemaakt maar mensen overkomt. Hier gebeurt God zou ik durven zeggen….hier is de “hogere kracht” voelbaar en hoorbaar aanwezig. In het opweg gaan van mensen breekt Gods aanwezigheid door. Zo was het voor Abraham, voor Mozes op zijn tocht. Zo is het voor mensen die met een wakkere geest op de uitkijk staan en met een open hart contact willen leggen met de vreemde andere mens die zijn pad kruist. Daar komt Hij van “God weet waar”, daar gebeurt Hij…..
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Ik bracht deze week wat bezoeken in het rusthuis. Als je met de mensen praat en luistert naar hun verhaal dan gaat het in ’t begin meestal over de fysieke, de lichamelijke pijn en ongemakken. Maar als je wat langer luistert ontdek je dat er naast de lichamelijke pijn nog een diepere pijn is: de pijn van afhankelijk te zijn bv. de pijn van niet meer mee te kunnen, er niet meer bijhoren. We zouden het kunnen noemen de “sociale pijn” deze pijn is niet direct zichtbaar maar vooral van binnen voelbaar. En als je dan langer luistert dan spreken mensen soms hun diepste pijn uit: waarom over komt mij dat? Wat moet ik nu met mijn leven. Was ik maar dood! Het is de existentiële pijn, de bestaanspijn. Ze raakt niet alleen het lichamelijke, niet alleen het sociale maar de zin van het leven. Bij gelovige mensen leidt dat soms tot kwaadheid op God, tot ongeloof, tot verlies van vertrouwen. Voor deze 3 uitzichten van ziekten en pijn vraagt de Nationale ziekendag aandacht. Vooral voor het tweede en derde aspect van pijn en ziekte. Ze zijn meer onzichtbaar maar daarom niet minder reëel. Een verpleegkundige zei eens: “Overdag vroeg de patient een pilletje en ’s avonds vroeg hij: waaraan heb ik het verdiend ”! - Het pilletje was voor de lichamelijke pijn - De vraag “waaraan heb ik het verdient”gaat naar de zin van de pijn en van het leven De vooruitgang van de geneeskunde heeft ervoor gezorgd dat men veel fysische pijn kan verhelpen. Men heeft tegenwoordig pilletjes voor alles – en vaak goede medicamenten. Sommigen denken en doen alsof dan de kous af is en het probleem opgelost is. Veel moeilijker is het aan de sociale pijn te verhelpen. Aan zieken terug het gevoel geven dat ze er nog bijhoren, dat er nog een plaats is voor hen in het leven en het samenleven. Hier ligt een belangrijke taak weggelegd voor de gemeenschap. Ziekenzorgkernen – vrijwilligerswerk in het rusthuis zijn belangrijke wegen om de sociale pijn in het leven van oude en zieke mensen weg te nemen. De familie staat hierin vooraan. Mensen in het rusthuis zeggen het altijd dat de kinderen regelmatig op bezoek komen. Soms zeggen ze het zelfs, al weet ik dat het niet waar is; ze willen dan toch een goed beeld geven over hun kinderen. De Nationale ziekendag wil vooral bewust maken dat de hele gemeenschap hier een verantwoordelijkheid draagt. Verenigingen doen vaak van alles maar vooral voor de mensen die nog goed meekunnen: de mensen die moeten afhaken worden afgehaakt van de werking. In onze zorg zullen we vaak het gevoel hebben van machteloosheid: maar begrip opbrengen en nabijheid schenken kunnen veel goedmaken. “Wat niet geheeld kan worden, moet gestreeld worden”, schreef Joos Van de Vondel.
De diepste pijn is wellicht de “waarom” pijn. De vraag naar het waarom en de zin van wat ze meemaken. Aan de priester durven mensen deze pijn uitspreken, soms op een verwijtende toon. Ze zijn kwaad op God en daarom soms kwaad op de priester, want die staat voor God. Het is belangrijk dat we deze kwaadheid, deze opstandigheid durven aanvaarden. We mogen geen dam opwerpen tegen het verdriet en de bitterheid van mensen, maar we moeten proberen een bedding te zijn waarlangs verdriet en pijn kan geuit worden. In de eerste lezing hoorden we dat de mens zijn onmacht en kwaadheid mag uitschreeuwen tegen God. “God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten”. Het zijn woorden van de psalmist die Jezus zelf in de mond worden gelegd op het kruis. Het evangelie leert ons dat wie met vertrouwen zich tot God wendt hierin de kracht kan ontdekken die levenwekkend wordt. De honderdman wordt door Jezus tot model van vertrouwen gesteld. Hij is niet alleen voorbeeld van mantelzorger die het opneemt voor zijn lijdende knecht, maar door zijn vertrouwen in Jezus brengt hij Gods helende kracht nabij. Het geloof kan ons een enorme kracht schenken om in verzet te gaan tegen datgene wat mensen doet lijden. Ze kan opstandigheid ombuigen tot opstanding en de mens staande houden en niet doen ten onder gaan. De pastorale verantwoordelijken zullen hierbij een belangrijke rol kunnen spelen en de priester zal meer dan anderen de reddende band kunnen leggen tussen de zieke en zijn veelvormige pijn en de helende aanwezigheid van God in Jezus in het gebed en de sacramenten.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
“Kijk, de landloper kruipt achter den boom!” Dat zei ik spontaan tot Lieva die samen met Cor in de veranda zat, zicht op den tuin. Cor keek ons niet begrijpend aan. Landloper.., boom,… ze zag niets….. Tot van achter een boom een bruine kip, wat lichtjes in de pluimen te voorschijn kwam. “ Ja, dat is onze landloper”, vertelde ik. We hebben twaalf kippen en één haan in de kiekenwei lopen. Witte, bruine, zwarte en gespikkelde. Een multiculturele samenleving zou je kunnen zeggen. De drie autochtonen speelden in ’t begin wel wat baas over de allochtone die erbij kwamen, maar nu wonen ze netjes samen in het hok, slapen op een stok of in de takken van de bomen. De fiere haan stelt orde op zaken. Hij was natuurlijk het meest in zijn schik met de plotse aangroei van de populatie. Zoveel jong volk! Want “verandering doet eten”. Eén kip leeft buiten den draad. Op een dag is ze bij ons aangeland. We weten niet vanwaar ze komt. Ze is ook niet binnen de draad te houden. ’s Avonds verdwijnt ze en s’ morgens is ze daar weer. We noemen ze “ onze landloper”. Ze weet dat mijn eerste werk s’ morgens, voor ik ga wandelen, bestaat in het uitstrooien van het graan. Ik smijt het met gropjes door de draad en bij elke grop valt er wat naast me op de grond. De landloper komt het gretig opeten en geniet zo met de anderen mee. Overdag verdwijnt hij en zit in de wildernis die er rond onze tuin groeit. We vroegen ons af: Waar zou de landloper zijn eieren leggen?? Enkele malen trok ik met mijn wandelschoenen het struikgewas in naast onze tuin. Het is een eigendom van iemand uit Antwerpen maar ondertussen niemandsland. Er ligt wat rommel dat de mensen er hebben gestort, zelfs een halve kinderfiets. Bomen, struiken, netels, er is bijna geen doorkomen aan. Aan de andere kant een afgedankte boot. Mijn zoektochten naar de productie van de landloper haalden niets uit tot ik op een dag, netjes naast de composthoop 5 eieren vond. Eureka!! ‘k Heb ze gevonden, zei ik tegen Lieva. Vlug een kalkei dat in de paasboom gehangen heeft erin gelegd en ja, elke dag een vers eitje erbij. En nog wel “groene eieren”. Dat zijn er “ zonder cholesterol!” Zo heeft de griffier van Hoogstraten me vroeger nog geleerd. Sinds die dag hebben we nog meer respect voor onze landloper en krijgt hij ’s morgens wat extra legkorrel op de grond. Na een dag of tien hield de productie op. Hij verscheen ’s morgens nog op ’t appel, maar overdag geen landloper te zien. Tot op een morgen ik onder de bomen van de tuin keek en mijn oog viel op de landloper: Hij zat te broeien, netjes achter een boom. Wat weten die mannen zich toch te verschansen!! Het was begin Juli. “Als ’t lukt hebben we op de nationale feestdag (21 juli) Belgische kuikentjes”, vertelde ik aan ’t ontbijt. Ach nee! Daar kan toch niets van komen, zei Lieva. Die is toch niet bij den haan geweest! Je weet maar nooit zei ik. Hij is toch eenmaal in de kippewei geweest en bovendien den apotheker van hiernaast heeft ook een haan…We zullen zien. Het waren spannende dagen voor hem, voor ons. Zo rond de 15de dag zag ik plots naast zijn nest enkele eieren liggen. Die waren er blijkbaar uitgevlogen. Hoe weet een kip dat het loterdoppen zijn! Een mysterie… Op de nationale feestdag was er nog altijd geen leven te bespeuren… en enkele dagen nadien heb ik de andere eieren ook maar op de mesthoop gesmeten. Ik wilde de landloper niet langer op de proef stellen.. Een troost had ik in ieder geval; onze landloper gaat niet vreemd...
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Torendreef – Kathedraal van de stilte……. Ik wandel van West naar Oost. – Duister – in de verte licht – Oosten – dag – zon……. Al wandelend door de bladeren maak ik muziek, eentonige muziek als het ruisen van de zee. Er is ook hemelse muziek van de wind in de bomen, bij elke stoot dansen de bladeren naar beneden….. Zo kwam ik aan het kerkhof van de landlopers… Hoorbare stilte…… De poort is gesierd met 2 potten witten chrysanten – een feestelijke poort die uitnodigt om binnen te gaan. Kleine kruisjes, voor kleine mensen, sommigen met slechts een nummerplaatje, andere met een naam. Netjes op een rij, als soldaten in ‘t gelid….. Hier voel je de eenheid van mens en natuur. Uit moeder aarde genomen en opgenomen in de schoot van moeder aarde, lijken ze te zeggen: vandaag ik, morgen jij….. 1 pot chrysanten bij een kruisje, zonder nummer, zonder naam…. Er hing een briefje aan: met jullie “verbonden” in mijn gebed…. Met jullie “verbonden”: verbondenheid is dat niet een sleutelwoord voor deze dag. Verbondenheid in het leven, verbondenheid over de dood. Zijn de acht zaligheden van Jezus niet acht oproepen tot verbondenheid aan ons levenden: eenvoud, zachtmoedigheid, barmhartigheid, vredelievend, eerlijk, geduldig, meevoelend, volhardend. Ze brengen verbondenheid tussen mensen. Met jullie verbonden in mijn gebed. Dank u voor die boodschap….. Ik wandelde verder. Langs een stoppelveld van maïs. Wat verder was het alweer geploegd en weldra zal het nieuwe zaad geplant worden. De boer gelooft dat het stervend zaad open bloeit in rijke oogst. Het deed me denken aan Jezus woord over zijn nakende dood. “ Als de graankorrel niet valt in de aarde en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voort”. Een woord dat zin geeft aan de dood, maar ook aan het leven. Zich verliezen en prijsgeven voor anderen is levengevend in deze wereld en na dit leven. Zo kwam ik wandelend aan bootjesven….. Wat was het er stil…. Geen eendje te bespeuren. Zouden ze….. Zouden ze zijn weggekropen uit vrees voor de nakende op-hok-stelling?… Plots kwaak ..kwaak….. Zijn ze niet zoals de mens die wegkruipt en alles doet om de eeuwige-op–hok-stelling te ontkomen?…… Ook met de mooiste boodschap over het hiernamaals blijft de mens schrik hebben en angstig als het uur gekomen is. Ik dacht even aan mijn eigen dood: hoe zal het zijn en wanneer. Zo wandelde ik verder. Het licht in de verte kwam dichterbij. Het werd ook heel wat warmer om mij heen. Zo kwam ik aan het einde van de Torendreef en wat zag ik: uitgestrekte groene weiden omgeven met bomen, dieren, een pastoraal landschap, groen de kleur van de hoop en ik voelde de morgenzon op mijn gelaat. De zon die schijnt over goeden en kwaden, over het oorlogsgebied in Irak en de stranden van de vakantiegangers en over de bloemenperken van onze kerkhoven. Het groen van de hoop. De hoop is dat niet het tweede sleutelwoord voor deze dag….. de hoop die ons altijd weer opweg zet om verder te gaan en verder te doen…. Het is ook de boodschap die ons vandaag in een bijbels visioen werd geschetst in de eerste lezing. Hoop en verbondenheid worden ons vandaag toegezegd als belofte, maar ook als levensopdracht. Laten we ze even in stilte in ons opnemen
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Daags na de verkiezing van de Grootste Belg hoorde ik op de radio volgend commentaar: Vlaanderen heeft op de eerste plaats gekozen voor het hart, op de tweede plaats voor het verstand en op de derde plaats voor de benen. Damiaan, de man met het grote hart.
Dr. Jansen, het grote verstand en Eddy Merckx,
de man met de rappe benen. Inderdaad: als het hart uitvalt is het gedaan; als het verstand het begeeft verliest de mens zijn levenskwaliteit en als de benen niet meer meewillen loopt het niet langer op wieltjes.
Persoonlijk was ik wel blij dat Damiaan gewonnen heeft. Stel je voor, de grootste Belg: ne pater…., ne Picpus, zo eentje die met twee harten op zijn pij rondliep! Hoe komt kijkend Vlaanderen ertoe hem juist te kiezen?… Dat de pastoors daar een hand in zouden hebben, zal wel niemand meer geloven. De tijd dat een bisschop moeite deed om het stemgedrag van de Vlamingen te beïnvloeden ligt ver achter ons. Nee, uit godsdienstige overwegingen zullen de Vlamingen dat in deze tijd zeker niet gedaan hebben. En toch is het gebeurd. Het werd Damiaan en naar ik hoorde op een afgetekende wijze van de andere kandidaten. Zou dat misschien dan toch betekenen dat ons Vlaamse mensen het hart nog op de juiste plaats hebben? Ja, als het hart er niet meer bij is dan draait alles vierkant. Niet alleen in het persoonlijk leven, maar ook in onze gezinnen en in de bredere samenleving.
Het hart… het is meer dan een spier, het staat voor gevoelens, voor onbaatzuchtigheid, voor liefde. Als men geen hart meer heeft voor mekaar loopt het mis, als de onbaatzuchtigheid verdwijnt verzuurt de samenleving en “ als er je geen liefde hebt voor elkaar vallen Godsdromen in duigen” zingen de kinderen in Wortel en elders in de kerk. Blijkbaar beseffen de Vlamingen nog wat het belangrijkste is in het leven. Drie dingen zijn belangrijk in het leven, de snelle benen van een goede conditie, de helderheid van geest en een goed hart. Maar de belangrijkste van de drie is de liefde en daarvan is het hart het symbool.
We gaan weer opweg naar Kerstmis. Het feest dat voor christenen alles te maken heeft met het hart. Wat doen mensen al niet deze dagen om een hartelijke sfeer te brengen in hun gezin, in hun straat, in hun dorp. De commercie spaart geen geld of moeite om het aantrekkelijk te maken en de dertiende maand is voor vele werkende mensen een welgekomen toemaat. En toch wordt Kersmis vieren al maar moeilijker. Een oma vertelde het me deze dagen nog: Hoe je kinderen samen krijgen in de eindejaarsdagen? Vroeger was het eenvoudig. Met Kerstmis allemaal bij ons, met Nieuwjaar bij de schoonouders. Maar tegenwoordig… Monique heeft 6 kinderen, 4 zijn gescheiden, sommigen hertrouwd. Nieuwe gezinnen. Nieuwe ouders. Nieuwe verwachtingen vooral in deze dagen. Hoe moet dat toch? “ Ik zie ze allemaal even gere en ik wil er geen missen” zucht Monique met een traan in ’t oog. Ja, hoe moet het toch met al deze gebrokenheid in deze wereld, in zovele gezinnen, in zovele harten? Ik denk dat de rappe benen dit niet oplossen: ook niet het grote verstand. Alleen het hart zal vindingrijk genoeg zijn om in deze doolhof van mensenleed een uitweg te vinden. Zou het misschien daarom zijn dat met Kerstmis altijd weer opnieuw dat verhaal verteld wordt over een God die begaan is met de mensen, die een hart heeft voor zijn volk en in het moeras van ons aards bestaan wil afdalen en door een kind in een kribbe laat zeggen: Mensen alles begint bij de liefde…. en God gelooft erin. Alles start vanuit het hart. Pater Damiaan droeg op zijn pij twee harten, het ene met een vuurvlam, het ander met een kruis. Een menselijk hart en het hart van Jezus. Zo leerde hij houden van de melaatsen. Vanuit het hart van Jezus en zijn groot mensenhart kon hij de hel van Molokai omvormen tot een stukje hemel, ondanks de grote ellende die er was en bleef. Hij kon het niet oplossen, maar hij had er de liefde, het hart, gebracht en dat maakte het leven leefbaar. Misschien is het goed dat we Kerstmis beginnen in de kerk, bij het kind in de kribbe, bij Gods hart.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Vanavond zou ik willen bidden. Ik heb al zo vaak over kerstmis gepreekt. Dit jaar, in het jaar van het gebed zou ik willen bidden. “Bidden mag heel familiair zijn” zegt de Kardinaal. We mogen God aanspreken met Jij als we Jezus zien. Bidden door als een kind voor de kerststal te gaan staan: stil te zijn en te kijken en luisteren naar wat het kerstgebeuren mij te zeggen heeft. Wat zie je in de kerststal vroeg ik deze week aan de kinderen? Vingertjes omhoog: Het kindje! Laten we vanavond naar het kindje kijken: ’t goddelijk kind en denken aan de kinderen. Als god kind werd is elk mensenkind goddelijk, heilig. Onze wereld, Goddelijk kind, heeft het moeilijk met kinderen. Verhalen over kindermishandeling zijn schering en inslag. “ Ik wordt er ziek van als ik het hoor en zie” zei een oma. Jezuskind, onze wereld heeft het moeilijk met kinderen, kinderporno, pedofilie tot in de rangen van priesters. Leer ons, Heilig kind, eerbied voor elk kind. Geen heilig kind, geen veilig kind. Ook in onze goede gezinnetjes zijn kinderen soms een probleem. Papa en mama moeten al zo vroeg gaan werken of komen zo laat thuis dat ze niet weten waar blijven met de kindjes. Ze spreken al van kinderopvang van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en op alle uren van de dag. De lieve centjes, Jezus, zijn in onze wereld belangrijker geworden dan de lieve kindjes. Help ons om de kinderen centraal te blijven plaatsen in ons leven en samenleven, zoals het kind in de kerststal. Geen heilig kind, geen veilig kind. Wat staat er nog in de kerststal vroeg ik? Vingertjes in de hoogte:… Maria en Jozef. Ja, kindje in de kribbe : jij wilde een papa en een mama toen je in onze wereld kwam. Papa’s en mama’s zijn dus heel belangrijk in uw wereld: een man en een vrouw. Ook daar heeft onze wereld moeite mee. Sommigen willen dat twee mannen kindjes hebben of twee vrouwen. Sommigen zeggen zelfs dat ze recht hebben op een kind. Hoe moet dat Jezus. Ik ben er zeker van dat jij houdt van alle mensen: ook van alle mannen-mannen relaties en vrouwen-vrouwen relaties. Jij misgunt niemand zijn geluk… en toch bij je kribbe staat een papa en een mama. Zou dat misschien willen zeggen dat elk kind recht heeft op een papa en mama. En het kind was van de H.Geest, wordt gezegd: zou dat misschien betekenen dat elk kind meer Gods geschenk is dan mensenwerk en dat wij nooit recht hebben op kinderen, maar kinderen wel op een vader en een moeder. “Wat staat er nog in de stal”?, vroeg ik. Vingertjes omhoog: de herderkens en de koningen en hoe heten de 3 koningen: moeilijke vraag maar die van ’t zesde raakten eruit: Melchior en Baltazar en hun vriend Gaspar. Ja, kindje in de kribbe, we hebben het wel begrepen, jij bent gekomen voor de kleine man en voor de groten der aarde. Je wilt ze samen brengen bij elkaar de armen en doolaards van vandaag en machtigen der aarde en je nodigt hen uit hun grootheid te zoeken in het knielen. En hun macht in het delen van hun rijkdom: Goud, wierook en myrre. Jezus in de kribbe, hoever staat onze wereld nog af van het bijbels visioen dat Gij hebt uitgetekend rond uw kribbe. Hoe moet het toch? Wij hebben al zoveel moeite om niet jaloers te worden op onze buren en niet de rug toe te keren naar al wie een andere kleur heeft of een andere taal spreekt. Je had het blijkbaar voorzien, daarom was er bij de koningen, een zwarte een gele en een blanke. Misschien zal het ons maar lukken als we durven luisteren naar de stem van de engelen uit de hemel of durven volgen de lichtende sterren die er ook nu nog zijn voor onze wereld. En…wie waren er nog in de kerststal?…De schaapjes, en de os en de ezel ging het triomfantelijk.... Ja, kindje in de kribbe, Jij hebt niet alleen mensen bijeen gebracht rond uw kribbe. Ook de dieren kregen er hun plaats. De schaapjes om hun wol en hun melk. De os voor het labeurwerk en de ezel om de lasten te dragen. De dieren zijn je blijkbaar dierbaar. Hoe vaak heb je jezelf niet genoemd: de herder van de schapen. Geen huurling, maar iemand die zijn leven veil heeft voor zijn schapen….. die op zoek gaat naar dat ene dat verloren liep tot hij het gevonden heeft. Leer ons in deze Heilige nacht blijven zoeken naar wie verloren liep en trouw zijn aan elkaar als een herder aan zijn kudde. Met de os en de ezel in je buurt, wil je misschien de mensen van Gaia plezieren maar vooral wil je ons vanavond zeggen dat je houdt van de noeste trekkers in deze wereld. De mensen die het niet opgeven verantwoordelijkheid te dragen. En ook de ezels zijn je dierbaar; de mensen die geduldig de lasten van het leven en het samenleven blijven dragen. Maar ook de dwarsliggers, die koppig zijn als een ezel mogen in uw nabijheid vertoeven. Ezels-dwarsliggers in de samenleving en in de kerk. Ze dwingen de leiders de andere kant uit te kijken of het anders aan te pakken. Dank u Jezuskind dat je ons zoveel geleerd hebt deze nacht en wij hopen dat wanneer je nog eens op een ezeltje ons dorp of onze stad binnenkomt zoals eertijds in Jeruzalem wij je vijf dagen later niet aan het kruis zullen slaan. Zalig Geboortefeest!
Fons Van Dijck
|
||
|
|
De laatste winterprik kan tellen.
Twee dagen hardnekkige mist. Een hele dag had je nauwelijks enkele meters zicht in de straat. Auto’s reden de hele dag met mistlampen, terwijl de weerman waarschuwde voor de verraderlijke kleine stofdeeltjes in de lucht en de raad gaf binnen te blijven en de wagen thuis te laten. Een ijskoude noordenwind en temperaturen tot -6 graden maakten het wintergevoel compleet. De derde dag was de mist opgetrokken. Het dashboard wees nog -3 toen ik ’s morgens naar de kolonie reed. Maar toen ik uitstapte voor mijn ochtendwandeling kon ik mijn ogen niet geloven. Het was alsof de hele dreef verlicht was. De aangevroren mist had zich vast gezet op de takken en de vorst had op een vorstelijke manier de witte ijskleur getoverd op de boomkruinen. Ik koos de weg dwars door de zijdreef waar het lage houtgewas zich slingert tussen de bossen. Terwijl ik over de harde en droge dreef wandelde genoot ik bewonderend van het lichtgevende schouwspel dat als lentebloesems de kleine en grote bomen in het licht zette.
Zo kwam ik uit het bos in de open vlakte van Staakheuvel. Wat een stilte! … Een wijde blik over de maïsvelden, de stille weide en wachtende akkers en in de verte verscholen tussen het houtgewas een weggedoken huis en stallingen van boerderijen. Een buizerd overvloog fladder-zwevend het landschap terwijl hij met hoge stem zijn kreet riep op zoek wellicht naar een nieuwe partner voor de komende lente. Ongewild bleef ik stilstaan om stil te staan bij het schouwspel. Wauw….. hoe wonderlijk mooi!! “ Niets is sterker dan de stilte”, zingt Stef Bos. Het doet je diep ademen en het schouwspel in je opnemen. Spontaan dacht ik aan de namiddag van de Vormelingen in Hoogstraten rond “Sporen naar God”. Was dit natuurlijk schouwspel geen spoor naar de wonderlijke wereld van wat ons overstijgt. Voor dat we God een naam geven is Hij een wonderlijke ervaring die ons overkomt, stil maakt en vredig.
Misschien moeten we eerst tijd maken voor de ervaring van het wonderlijke en pas daarna het proberen een naam te geven. Is het zo ook niet tussen mensen. Eerst ervaar je de liefde en dan geef je de geliefde een naam. “ Ik droom je naam meer dan ik hem noem”, zingt Miel Cools in een van zijn liederen. Een godsdienstleerkracht zei mij eens:” Ik had heel vaak met jongeren gesproken over liefde, verliefdheid enz. maar toen ik het zelf meemaakte ervoer ik dat de liefde nog heel anders was dan wat ik erover verteld had. Tot dan toe sprak ik over liefde als iets buiten mij, nu was het plots iets dat mij helemaal omvatte en overweldigde. De liefde was niet langer een “ probleem” een gespreksonderwerp, maar een mysterie, iets ongrijpbaars”.
Zo is het ook met God. We kunnen erover praten, discussiëren enz, maar Hij kan ons overkomen, Hij kan aan ons gebeuren en dan is het heel anders dan al ons spreken. Dan is Hij niet langer een probleem, maar een mysterie, een geheimvol iets, niet onder woorden te brengen. “Iemand” die ons rustig maakt en geborgenheid geeft. Een kerklied zingt het zo: Zo vriendelijk en veilig als het licht Zoals een mantel om mij heen geslagen Zo is mijn God. “Sporen naar God” kunnen we vinden in de natuur leerden de kinderen, als we de tweede taal der dingen ontdekken en een dieptezicht krijgen op wat we zien. Want kijken doe je met je ogen, zien met je hart en graag zien met je hele persoon. Misschien hebben de kinderen nog het meest “God” ervaren in de warmte en geborgenheid die de catechisten door hun inzet en aandacht voor de kinderen aan de kinderen lieten voelen. Zo van : jij mag er zijn, en wij zijn er voor jou. Dat gevoel was wellicht nog het sterkste spoor naar God voor die elfjarige jongens en meisjes.
Toen ik thuis kwam van mijn frisse winterwandeling had Lieva spek gebakken. Heerlijk, zo’n uitgebakken gereegd spek. Winterkost om “u” tegen te zeggen… Even niet denken aan de cholesterol, en de laatste snee even soppen in de pan. Het festijn compleet!! Winter in de bomen en lente in het hart!
A.Van Dijck
|
||
|
|
Ze stonden naast elkaar in de Begijnhofkerk……. Een stoel met een hoge rug en rieten mat, de andere met lage rug en bruinkleurige skaimat. Sinds Pater Frans niet meer op ’t Begijnhof is, is het erg stil geworden in de kerk. En wat doet een mens al niet om de stilte te vullen! Ja, herinneringen ophalen. Zo deden ook onze twee kerkmeubelen. Waar is de tijd?? begon Hoogrug dat de kerk vol liep op zondag en er bijna gevochten werd voor een stoel. Toen waren wij nog belangrijk. Ik was altijd benieuwd wiens uitverkorene ik zou worden. Moet je weten. Ik was maar een gewone. Er waren er in ’t Begijnhof ook “Chique” die een velourse zit hadden en die een naam droegen. Meestal behoorden die ook aan rijker volk. Amaai, zei Laagrug, zoiets bestaat nu niet meer. Nu is alles gelijk en voor iedereen hetzelfde. Als j’er ene gezien hebt ken je ze allemaal. Nee, in mijn tijd was er zelfs wedijver tussen sommige dames,” om de schoonste stoel”. Soms was die zelfs geassorteerd met hun mooiste hoed. Nee, de dag van vandaag is het niet meer zo kleurrijk in de kerken. Allemaal hetzelfde en wij hangen allemaal vast aan elkaar, we hebben er onze persoonlijke vrijheid bij ingeschoten. Kunnen jullie dan niet meer dansen, vroeg Hoogrug. Dansen, in de kerk? Hoe kom je erbij, vroeg Laagrug met gefronste wenkbrauwen. Ja, toen ik jong was deden we in de kerk de stoelendans. Drie, vier keer werden we gedraaid. Ik voelde me dan als een danseres in de handen van mijn partner. Sommigen draaiden me rond “slowly”, traag en rustig. Maar sommige ook met een flinke Quick step beweging. Laagrug luisterde verwonderd en een beetje jaloers. Voor ons is het heel de tijd “Ter plaatse Sta-Sta”!. Geen beweging. Altijd maar staan en onze partners kennen enkel de beweging “zitten en opstaan”. En de meeste zouden nog het liefst maar zitten. Ze leven in een zitcultuur! Ja, er is veel veranderd in ons leven van kerkstoel. Tussen haakjes, wat is jullie prijs tegenwoordig, vroeg Hoogrug, Prijs! Helemaal geen prijs, alle is gratis! In onze tijd was het anders, vertelde Hoogrug. Eenmaal per jaar werden wij verkocht, er was een kerkstoelverkoop. Al naar gelang je dichter bij ’t altaar stond of al naargelang je door iemand tot private stoel was uitverkozen was je duurder. Dan werd je ook mooi bekleed met zachte stof en kreeg je een naam van koperen spijkers op je kop. Zover heb ik het nooit kunnen brengen, zei Hoogrug. Ik was maar voor t’ gewone volk. Voor ons moest maar een cent betaald worden per zondag. En Mie-cent met lange zwarte voorschoot ging in elke mis die cent ophalen. Boter bij de vis, dachten de heren van ’t kerkbestuur. Je kan je wel voorstellen dat er wat jaloezie was tussen de kerkstoelen omwille van die discriminatie. Van de mensen zullen we dan nog maar zwijgen! Kan ik me voorstellen knikte Laagrug begripvol. Hoe zou je zelf zijn. Daarom willen de mensen tegenwoordig nog altijd niet vooraan gaan zitten maar lopen onze kerken vol als een fles. Gelukkig is het nu allemaal wat democratischer en gelijk geworden, zei Hoogrug, maar Laagrug keek niet overtuigd. Hij droomde ook weleens over promotie. Altijd hetzelfde is ook niet alles. Eenmaal per jaar is er voor ons toch nog wat te beleven. Dan is het grote schoonmaak in de kerk. Dan komt er een ploeg vrijwilligers, de grote kuis doen in ons kerkhuis. Onder leiding van koster of kosteres wordt de heleboel proper gemaakt. Ook wij stoelen krijgen dan onze beurt. Tegenwoordig komen er ook mannen aan te pas, want die stoelbanken omdraaien en verplaatsen is geen sinecure. Mannenwerk zeggen de vrouwen!!! De vrouwen maken de stoelen en stoelbanken proper. Ze komen bij nogalwat uit. Onder de stoelen hangt er kauwgom vastgeplakt en in de boekjesgleuven vind je karamellenpapiertjes of ander afval. Vroeger moesten de mensen nuchter zijn als ze naar de kerk gingen, maar tegenwoordig…. We leven in een knabbelcultuur en sommigen komen al knabbelend in de kerk en als ’t dan communie is moeten ze toch ergens blijven met hun mondvoorraad. Pats! …onder de stoel… Met het wegblijven van de jeugd schijnt het wel iets gebeterd te zijn. Maar een winstpunt is dat ook weer niet. De vroegere voorschriften van het nuchter zijn waren nog niet zo dwaas. Eerst uw mond spoelen voor je naar de kerk gaat! was het devies van mijn grootmoeder, zo vertelde mijn moeder toch. Nuchter naar de kerk en proper binnen gaan. Voeten vegen aan de rooster bij ’t portaal en met wijwater een kruis maken voor de binnenkant. De dag van vandaag lopen velen zomaar binnen. Er is nog werk aan de winkel. Ik heb soms compassie met die wekelijkse kerkpoetsters, zei Hoogrug. Het is toch maar een ondankbaar werk. Moesten de mannen thuis zo ook binnen komen als de vrouw gepoetst heeft, ze zouden gauw een opnemer in hun hals krijgen. Kerkpoetsen toch maar een ondankbaar werk, zei Laagrug. Het wordt niet erg gegeerd en gewaardeerd. Ze houden nochtans echt van ons en van ons kerkhuis. Misschien kunnen we volgend jaar met Valentijn die kerkpoetsers eens in de bloementjes zetten; we zouden er allemaal wel bij varen. Daar was Hoogrug het volmondig mee eens. Maar wie luistert de dag van vandaag nog naar een kerkstoel. Je weet maar nooit, zei Laagrug. Ssst… de koster is daar. Hij komt de kerk sluiten… A. Van Dijck - Wortel 14 februari 2006.
|
||
|
|
Waarom zijn priesters altijd “oude” mensen? Dit was een vraag van een kind op de lagere school aan de pastoor die op klasbezoek kwam. Blijkbaar zien kinderen vandaag alleen “oude” priesters. Zo was het niet voor de jongeren van Vito-Hoogstraten die een gesprek hadden met Bart Rombouts, een van de weinige jonge priesters in ons bisdom. Ze hadden natuurlijk heel wat vragen… In het kader van een lessenreeks rond “Levend Water” bracht Bart Rombouts, een bezoek in de klas bij de leerlingen van het 3de technisch. Na zijn verhaal mochten de leerlingen vragen stellen. Nadien hebben ze een verslagje gemaakt van het gesprek. Een samenvatting ervan geeft weer welk idee jongeren van 14-15 jaar over een priester hebben.
Enkele vragen die de leerlingen stelden Wat vind je van de nieuwe paus? Hoeveel verdient een pastoor per maand of van wat leef je als je zoveel goed doet voor de mensen? Heb je geen eentonig leven? Mag je kiezen wanneer je opstaat en gaat slapen? Mag je een hobby hebben ? Mag je op café gaan? Wat vind je van euthanasie en abortus? Op welke wijze ben jij levend water voor andere mensen?
Wat is (of was) het idee van een priester bij deze jongeren? Ik kwam iets te weten van het echte leven van een priester, en niet van de roddels er rond. Ik kreeg meer inzicht in de manier waarop priesters leven. Ze leven niet afgesloten, zoals in een kostschool waar ze geen vrijheid hebben. Ik dacht dat ze allemaal in een klooster moeten leven en dat ze een teruggetrokken leven leiden. Priesters mogen ook rondwandelen en zelfs iets gaan drinken. Ze doen ook nog andere zaken dan bidden. Ze hebben ook een eigen menig, zoals iemand anders Ze mogen zelf hun dag indelen en hun werk plannen. Ze hebben geen saai leven, integendeel, ze hebben een interessant leven omdat ze veel te doen hebben. Ze leven geen rustig leventje. Ik dacht dat een priester alleen maar studeerde en naar de mis ging of de mis opdroeg. Als je ziet hoe ze er bij lopen, dacht ik dat priesters depressief waren, maar dat is niet zo. Priesters zijn niet altijd streng en ze zijn niet allemaal ouderwets of hebben niet allemaal oude gedachten. Ze zijn ook niet allemaal even saai. Zo’n priester is goed voor de toekomst Priesters krijgen een zware opleiding, ze moeten veel studeren; ik dacht dat het simpeler was. Het kerkelijke leven is niet zo streng als dat ik dacht. Verder is het duidelijk dat ze rotsvast geloven in God. Priesters zijn ook gewone mensen: ze zijn net zo als iemand anders.
Hoe kwam de priester over? Hij wist niet hoe zijn omgeving (familie, vrienden, enz.) zouden reageren op het feit dat hij priester ging worden, maar zijn droom is uitgekomen. Hij koos zelf om priester te zijn, hij vindt het een roeping en hij is trots op zijn keuze. Hij was open, hij uit zijn mening over zaken waar de Kerk normaal een andere mening over heeft (drugs, abortus, vrouwen, enz. ). Zijn mening was een eigen mening, soms anders dan die van de paus. De priester gaf een interessant eigen levensverhaal en hij gaf een eerlijk antwoord op onze vragen. Verder kon hij meepraten over de actualiteit waarover hij een eigen visie heeft die hij gewoon uitlegt. Deze priester geeft de indruk vrijer te zijn dan een andere mens, en hij is vooral een blij iemand.
Wat vind ik van deze priester? Ik heb respect voor hem en voor hetgeen hij doet, en ik vind het vooral “straf” dat hij op 18-jarige leeftijd priester is willen worden in deze tijd. Misschien zou ik het ook eens willen meemaken. Ik heb geleerd dat je je hart moet volgen. Ik bewonder hem als priester want hij is een dapper man. Hij is zeer sociaal en anders dan oude priesters, want met een priester kan je niet alle dagen een open vraaggesprek voeren. Tenslotte vond één leerling het interessant om eens een bisschop aan het woord te horen... 8-)
vaem
|
||
|
|
Hij had het over de rozenkrans, en hij heeft het twee keer gezegd. Weet je wie? De vorige paus. Bij het begin en op het einde van zijn pontificaat. En helemaal op het einde van zijn leven was hij in Lourdes. Toen kon hij het niet meer zeggen, maar je zag het gewoon. Aan zijn bevende hand hing zijn rozenkrans. Zijn lippen prevelden de gebeden en in zijn heldere ogen zag je wat hij niet meer zeggen kon: mij n favoriete gebed. Indrukwekkend!
Vanaf de 16de eeuw hebben de pausen ons het rozenkransgebed aanbevolen. Al Gods lieve heiligen hielden van dit gebed: Teresia van Lisieux, pater Pio, moeder Teresa en noem maar op. En eigenlijk hield deze vorm van bidden stand, tot op onze dagen. Wij hebben heel wat bedenkingen bij het rozenkransgebed. We zeggen: te simpel voor mij; vervelend; altijd hetzelfde; je valt erbij in slaap; draaimolen; sneltrein; je kan daar toch niet met je gedachten bijblijven! Best mogelijk en gedeeltelijk ook waar. En toch….
Het herhaald bidden, het opzeggen van mantra’s aan de hand van een kralensnoer is heel oud en gekend bij veel godsdiensten. Een formulegebed is vaak een houvast, een kostbaar iets. Je hebt het altijd bij de hand en wat je van buiten kent (par coeur) ken je ook vlug van binnen. Trouwens, toen de leerlingen aan de Heer vroegen: ‘Leer ons bidden”, gaf hij hun een formulegebed, het Onze vader. Het rozenkransgebed heeft heel wat positieve kanten. Om te beginnen. Het is een eenvoudig gebed, dat door zijn herhaling een sfeer van vertrouwen en geborgenheid kan scheppen.
Het is verder een bijbels meditatief gebed. Met Maria kijken we naar haar Zoon en we overwegen de belangrijkste momenten van zijn en haar leven in de twintig mysteries die een samenvatting zijn van het evangelie. Die mysteries zeggen ook veel over onszelf. Ook ons leven is vol mysteries. Terwijl wij het leven van Jezus en Maria biddend overwegen gaan onze gedachten spontaan naar die mensen die net zo’n mysterie meemaken als Maria en Jezus: een blijde geboorte, een kind dat zijn eigen weg zoekt, een veel te vroege dood, de weg van het lijden, de nakende dood enz.
Zo is het rozenkransgebed meteen een gebed van solidariteit met velen: met kinderen die blij zijn, met mensen die zorgen hebben, met hen die hoopvol uitzien naar morgen en met allen die licht brengen waar ze gaan. Een zegen die verbonden is aan het bidden van de rozenkrans, maar ook aan alle gebed is de weelde van de stilte die dit gebed heeft en ondersteunt. Men kan de rozenkrans bidden in de wagen, in de keuken, in het drukke verkeer, of in het lawaai van een metrostation. Best mogelijk, op voorwaarde dat men erin slaagt het lawaai dat ons innerlijk wezen alsmaar meer bedreigt stil te leggen. Wat we doen bij het bidden van de rozenkrans. Dan vinden wij de kern van alle dingen, en die is stil en eindeloos, zei Felix Timmermans. En dan kunnen wij rustig bidden met de psalmist: “Als een kind op moeders schoot, zo veilig voel ik mij”. (Ps 131,2)
Deze mooie bezinning van pater Leo Bortier, Tongerlo, wil ik graag aanbieden aan u allen, in ’t bijzonder aan de mensen die zich inzetten voor het bidden van de rozenkrans in de komende Meimaand
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Ik wil jullie een verhaal vertellen: over de pastoor van Volendam. Volendam kennen jullie wellicht allemaal. Het is een klein stadje in Nederland. Maar de pastoor van Volendam is een bonk van een kerel: groot, breed geschouderd, een stem als een kerkklok en handen als kolenschoppen. Op paasdag vertelde hij zijn parochianen in de kerk wat hem de voorbije week was overkomen. “Ik was mijn tuintje aan het opfleuren, toen ik onder een struik een klein vogeltje vond”. Zo vroeg in de lente al! Uit het nest gevallen? Voorzichtig nam ik het frêle hulpeloze diertje in mijn handen. Je zag het bijna niet liggen, zo klein was het en zo benauwd, dat het helemaal ineen kromp. Een petieterig stukje leven in de grote hand. In dat beeld, het vogeltje in de grote hand, zei de pastoor, herkende ik God en de mens. Ik zag de mensen denken: mooi beeld! God is de hand die ons mensen draagt. Zo luidt het toch in de negrospiritual: He is got the whole world in his hand; God draagt de hele wereld in zijn hand. En staat in de bijbel niet: God schrijft de naam van de mens in de palm van Zijn hand. Maar de pastoor ging verder: God is als dat arme vogeltje. Het werd stil! Ja, God lijkt op dat vogeltje. Ik, mens, kan ermee doen wat ik wil. Ik kan het doodknijpen en uit mijn leven doen verdwijnen, maar ik kan het ook laten leven en verzorgen. Zo is God ons in handen gegeven. We kunnen met Hem doen wat we willen. Maar net als dat arme vogeltje vraagt God: Laat Mij leven, geef Mij een kans, zie Mij staan, hou van Mij. Die stem, die roept om liefde, dat is God. Wie de roep om liefde hoort, hoort God. Wie de roep om liefde smoort, smoort God.
Jezus was als Gods vogeltje, overgeleverd in mensenhanden….. Ze hebben er de zot mee gehouden, bespot, gegeseld, ja als een schurk op een kruis geslagen. Ze hebben Gods vogeltje doodgeknepen en dachten: nu is’t ermee gedaan! Maar op Paasmorgen brak het ontstellende nieuws door……. altijd weer opnieuw… Hij leeft! “De liefde kan niet vermoord worden. Als hier de stem van de liefde gesmoord wordt, breekt ze op een andere plaats weer door. In ’t station van Brussel werd de liefde gesmoord toen Joe Van Holsbeek werd vermoord. Maar in de straten van Brussel klonk uit 80.000 man sterkte “Stilte” de oproep: Geef de liefde een kans, smoor de liefde niet. Blijkbaar is de roep van de liefde – God is Liefde – almachtig en daarom is God almachtig. Je kan hem doodknijpen, Hem verbannen uit je leven, Hem kapot schieten. Maar de eeuwige roep van de liefde is niet kapot te krijgen. Zo is God.
Ik bracht deze week een bezoek aan een jong gezinnetje waar een kindje geboren werd. Het is gehandicapt. “We wisten het”, vertelden de ouders. “De dokters hadden het ons gezegd”. Het was een moeilijke beslissing, maar wij wilden het een kans geven om te leven. Ik werd er stil van en vol bewondering. Ik dacht aan het vogeltje in de hand van de pastoor van Volendam. Misschien was het God wel die vroeg: “mag ik leven? Wil je van mij houden”? Beste lezer: wat doe jij met Gods vraag in jouw leven?
Deus Caritas est Niet toevallig wellicht kreeg de eerste encycliek van paus Benedictus XVI als titel: “God is liefde”. Wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. God is bron van de liefde en God is oproep tot liefde. Christen zijn is veel meer dan kiezen voor bepaalde waarden, meer ook dan bepaalde ethische normen volgen. Het is op de eerste plaats relatie; Relatie met iemand die ons liefheeft en ons oproept lief te hebben. In Jezus Christus heeft deze Godsliefde menselijke gestalte gekregen. Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven opdat alwie in Hem gelooft eeuwig leven zal hebben. In een wereld waarin soms wraak of zelfs de plicht tot haat en geweld met de naam van God verbonden worden, is deze boodschap buitengewoon actueel en tevens van zeer groot praktisch belang aldus de paus. Laten wij in het jaar van het gebed weer tijd en ruimte geven aan deze relatie met God, door Jezus de Christus en in de kracht van de Geest
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Na vier dagen stappen en 80 km in de benen, maken we ons klaar voor de tocht naar de Cruz de Ferro. We verblijven in een prachtig dorpje Rabanal del Camino. Ons hotelletje is vlak naast de Refugio ( Pelgrimsherberg). Dus we zitten midden in de drukte van pelgrims die aankomen, pelgrims die voorbij trekken verderop en enkelen die al lang onderweg zijn en een dag rust nemen.-, was en plas doen om weer met vers ondergoed en verse moed verder te trekken.
Buiten aan ons tafeltje met een lekker biertje wordt er kennis gemaakt. Een ouder echtpaar uit Canada; een koppel uit Zuid Afrika: ze zijn verrast dat wij een taal spreken die lijkt op het Zuid Afrikaans. Samen op de foto en My Sary Marys zingen maakte het feest compleet. Een oude chinees kwam op zijn eentje voorbij. “Bon Camino” (goede tocht) is het minste dat je zegt. We zijn vandaag van 900 naar 1100 meter gestegen, onder de blauwe hemel, een stralende zon en fris windje, zo’n 20-25 graden.
In Rabanal is een klooster waar 4 Benedictijnen verblijven. Ze verzorgen de diensten in een oud mooi Romaans kerkje op ’t dorpsplein. We gaan naar de vespers, boekjes in 4 talen: de paters zingen Latijn. Een 20 tal pelgrims zijn aanwezig. Na de vespers, vanaf 19u, zijn de restaurantjes open. Het stroomt er vol pelgrims. Het is niet “ieder aan zijn tafeltje”, maar voor iedereen een plaatsje. Zo krijgen we gezelschap van een vrouw uit Denemarken en een uit Zweden. Voor 8€ wordt er lekker gegeten: vissoep, vis of vleesplat met frietjes, een fles wijn en water en brood. En een ijsje of flan als dessert. Allemaal een beetje afgestemd op de smaak en de geldbeugel van de pelgrims. Om 21.30u is er nog avondgebed en zegening van de pelgrims in ’t kerkje met de paters. Ditmaal zit het behoorlijk vol, dank zij de mond aan mond reclame die gebeurt. Eenvoudig, sober maar echt. Daarna slapen terwijl de nachtegaal nog zong. Het is behoorlijk fris. Morgen is het de” zwaarste tocht naar het “IJzerkruis” op 1500m.
Om 7uur op, om 7.30u de Lauden in ’t kerkje. Het is behoorlijk koud. Boven de bergen mist; slecht voorteken? We hebben onze warmste kleren aangetrokken: trui, windvrije kw, sjaal om de hals en de pet goed over de oren. Met de zon in de rug en de bergen in de mist voor ons. De berg Irago is een bijzondere plaats voor de pelgrims. Op het hoogste punt staat een groot ijzeren kruis. Het staat boven op een heuvel stenen die daar doorheen de tijden door de pelgrims zijn weggegooid. Een oude traditie wil dat de pelgrim van huis een steen of steentje meedraagt en dat neerwerpt bij het Cruz de Ferro.
De steen staat symbool voor de dingen die jou leven of dat van anderen bezwaren en die je wil neerleggen bij het kruis. Zelf nam ik een steentje mee waarop mensen uit Wortel na de viering een kruisje mochten zetten met viltstift “Ik zal je zorgen meedragen op mijn tocht” zei ik. “Gaan al die kruisen niet te zwaar worden”? vroeg iemand van ’t zangkoor. “Nee, zei ik, want als ik jullie kruis draag dan hoop ik dat jullie een beetje Simon van Cyrene zult zijn en samen geraken wij er zeker”. Ook van de vormelingen van Hoogstraten had ik een steentje meegekregen “ Hart nodig”. Het motiveert je wel om dan op stap te gaan. Het was een zware tocht maar doorheen een prachtig landschap, een bloemenpracht van alle kleuren, de muziek van de koude wind. De zon wordt alsmaar sterker en na een uur wandelen, krijgen we de indruk dat de zon het zal halen van de mist. Na 6 km komen we in een verloren dorpje Foncebadon. In 99 woonde er niemand, alleen loslopende honden en katten; nu was er 1 “Alberge”. De pelgrims stromen er samen voor een warme tas koffie met veel gestoomde melk en veel suiker. Heerlijk. Ik zie een Japans meisje. De twee Duitse meisjes zijn er ook. Ook het Fins koppel ontbreekt niet. Ik hoor Frans, Spaans, en Engels. Ook de Hinkie Pinkie oude Chinees is van de partij; zijn vriendelijke lach spreekt. De patroon was druk in de weer tussen al die talen en culturen. En boven alle gebabbel weerklonk de muziek van de 9de symfonie van Beethoven: “Alle mensen worden broeders”.
Hoe toepasselijk op deze plaats, want inderdaad over de Camino naar Compostella hangt een speciale sfeer van verbondenheid. Iedereen is opweg, men heeft niet veel: alleen een rugzak. Het “hebben” is hier niet belangrijk en dan komt het “zijn” naar boven. “Hebben” vervreemdt mensen, “zijn” verbindt mensen. Met de warme koffie en de hartverwarmde muziek in ’t lijf trekken we naar de Cruz. Ik draag de steentjes in mijn hand. Spontaan liet ik mijn gedachten gaan naar zieke mensen in Wortel en Hoogstraten en naar de mensen die een kruisje meegaven.
Als het kruis in zicht komt zien we de mensen hun rituelen verrichten. De stenen heuvel ligt dicht bij de baan: auto’s stoppen, fietsers houden halt, komen even naderbij of beklimmen de heuvel. Ieder heeft zijn ritueel bij. Een steentje, een papier met een wens, iemand liet er zijn wandelschoenen achter. Wij legden onze steen netjes aan de voet van ’t kruis. We leerden er een echtpaar kennen uit Munchen. Foto’s maken voor elkaar en van elkaar. Ze worden onze tochtgenoten op onze laatste 8 km tot het prachtige dorpje El Acebo. Eén smalle straat met mooie houten erkers aan de huizen. Met onze Duitse vrienden vierden we samen de dag dat zij elkaar 45 jaar kennen. Er moest een fles champagne aan te pas komen en we zongen samen Duitse liederen, melodieën van onder de oorlog: “Suzy Marleen” Sah ein Knabe ein Roeslein Stehen, Die Grenadiere. Ondertussen vertelde hij dat zijn grootvader gevallen was in de eerste wereldoorlog in Verdun en zijn oudste broer in het Ardennen offensief. Hij was maar 17 jaar. Ze stapten uit dankbaarheid voor hun drie kinderen en zes kleinkinderen…. dat alles goed mocht blijven.
Zo heeft elke pelgrim zijn rugzak, niet alleen met kleren en proviand maar evenzeer met pijn en vreugdeverhalen, wensen en dromen. En het ongeweten weten van dit alles maakt op de Camino tochtgenoten tot lotgenoten en lotgenoten tot bondgenoten. Moge deze mijmeringen je de goesting geven tot een “actieve trip” vooral naar de binnenkant van je leven.
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Op een morgen wandelde ik langs Staakheuvel richting Bootjesven. Een juffrouw van Vito was plaatjes aan ’t zetten voor de jongeren. ’t Is de week van ’t Bos: dus moeten ze het verschil leren tussen een berk en een den. Tussen een Inlandse en Amerikaanse eik. Binnenkort is hij verdwenen. Zo kwam ik aan Bootjesven. De mooie poort stond half uitgekleed nog overeind.
De firma die met de afbraak belast is, had zich lelijk misrekend. Ze dachten een bakstenen poort, dat ligt zo tegen de vlakte maar nee hoor. De futlozen van de kolonie waren blijkbaar niet zo futloos als ze ten tonele werden gevoerd. Ze hadden degelijk werk geleverd, met beton en ijzer en met baksteen versiert. Eigenlijk een mooi “sociaal monument” dat het futloze beeld dat van de landlopers is verspreid minstens een beetje zou corrigeren. Maar “Waters en Bossen” hebben daar blijkbaar geen oren naar en die van Erfgoed komen wel op voor huisgevels – en terecht, maar het bijna laatste spoor dat verwijst naar het werk van de landlopers zomaar laten wegruimen, doet toch wel vragen rijzen.
De mensen die de karwei moesten opknappen en een hele dag werk hadden met de drilboor om het klein te krijgen zagen er niet triomfantelijk uit toen ik een paar foto’s wilde maken. ja, meneer, we hebben er niets aan te zeggen. Wij vonden het een mooie poort en met je verhaal over de landlopers vinden we het nog spijtiger. Maar wie zijn wij? Ja, alleen belangrijk als ‘t kiezing is… voor eventjes.
|
||
|
|
Op het eerste gezicht hebben de lezingen van vandaag weinig te maken met het thema van de Nationale ziekendag: Voor een zorgzame samenleving. Nochtans denk ik dat dat slechts waar is voor wie slechts oppervlakkig luistert naar de lezingen. Is de grondtoon van beide lezingen niet verbondenheid. Een verbondenheid die dieper ligt dan verbondenheid door materiele dingen, door ontspanning, door een pannenkoekennamiddag. Dat is natuurlijk allemaal goed en prijzenswaardig en we hebben er van genoten, maar niet alles. Van Adam wordt verteld dat God hem een hele speltuin had gegeven; hij kon stoeien met de dieren, hij kon genieten van appels en peren, ja hij mocht alles een naam geven: schepperke spelen en toch was hij niet gelukkig. Hem ontbrak een “hulp” die bij hem paste. Iemand die hem hielp zichzelf te worden en zichzelf te erkennen. Niet wat we doen is het belangrijkste, maar de mens die het doet is belangrijk: doet die mens zodanig iets voor mij dat ik mezelf word, dat ik mezelf blijf. Echte verbondenheid “bindt niet” maar bevrijdt. Verbondenheid die bindt wordt vlug een boei en van boeien wil de mens zich bevrijden. We zien het vaak in vele huwelijken. Een zorgzame samenleving is niet een samenleving waar men alles voor ons doet, maar waar iedere mens zoveel mogelijk de ruimte krijgt om zichzelf te zijn en tegelijk verbonden te zijn. “Wat God heeft verbonden mag de mens niet scheiden”. Meestal verstaan we deze woorden als een verbod dat man en vrouw die getrouwd zijn van elkaar scheiden. Maar er is niet alleen een band tussen twee mensen, er is ook de band tussen God en die twee mensen. God heeft zich verbonden met die twee mensen die zich met elkaar verbonden hebben. Die verbondenheid mogen we niet verbreken: waar die verbroken wordt is de onderlinge band tussen mensen bedreigd.
Toon Hermans M’n liefje, toen we trouwden Toen las ik in je blik Wij trouwen met z’n drieën het wonder, jij en ik God, man en vrouw En het wonder is gebleven Het grote, je nes ais pas We hebben al, een levenlang un marriage a trois. De verbondenheid die het meest bedreigd is is de verbondenheid met God. En als die verdwijnt uit de maatschappij en uit het persoonlijk leven staat alle verbondenheid op losse schroeven. Kiezen wij vandaag voor verbondenheid met God Zo bevestigen wij de verbondenheid tussen mensen.
|
||
|
|
Als ik ’s morgens wegrijd voor mijn ochtendwandeling staan ze daar op de tuinoprit. Mijn landloper en zijn vriendin. Staf, die elke morgen met zijn hond voorbij wandelt, had het ook al gezien en gezegd:”Lieva, de landloper heeft gezelschap gekregen”. De landloper, bruin gespikkeld in de veren is duidelijk ouder: hij straalt de wijsheid en de rust van zijn leeftijd uit. Zijn vriendin, nog in jeugdige fleur: mooie witte vederbos met hier en daar een zwarte vlek. Sierlijke beweging bij het stappen en met een flair om op te treden in De Laatste Show. Ze genieten van hun vrijheid en hun gezelschap en scharrelen duchtig rond in de vrije omgeving.
De tien kippen en haan achter de draad kijken met heimwee naar hun soortgenoten. Misschien zij ook eens?…. Maar de haan roept hen vlug tot de orde en duldt geen avonturen op zijn domein. Tien kippen en een haan: Dat is de regel en zo moet het blijven. Maar ja, wat wil je: kippen leven dicht bij de mensen en krijgen misschien ook de streken van de mensen. Waarom zou het ook bij ons niet anders kunnen dan het altijd is geweest. Andere relaties? ‘s Avonds verdwijnt het tweetal van het toneel; in het struikgewas van buurmans achtertuin. Gaan ze daar slapen of slapen ze in de bomen? Ik weet het niet en zo’n jong koppel ga je niet uitloeren. Gun ze hun geluk.
Toen Lieva bij de apotheker kwam vroeg ze: “of ze geen mooi witte kip miste”? Weet ik niet, zei Neel. De kippen, dat is het domein van onze zoon Jorik”. Die zag ik onlangs ook met een vriendinnetje en dus zou het wel kunnen zijn dat zijn aandacht voor de kippen is verslapt en er meer gesmst wordt dan kippen bewaakt. Hoe zou je zelf zijn. Wij kunnen ondertussen genieten van hun aanwezigheid in onze tuin en hun kippengeluk. Vooral voor onze landloper vind ik het vooral een goede zaak. Eindelijk eens wat erkenning!
Wat voor een relatie het is? Een vluchtige flodder? Of een samenlevingscontract? Tussen mensen blijft dat allemaal niet lang duren las ik onlangs. Voor ons koppel lijkt het echt menens te zijn. Wij hebben er vertrouwen in want in de dierenwereld gaat het er soms beter aan toe dan tussen mensen. Zei de Engelse schrijver Bernard Shaw niet ooit: “Hoe langer ik onder de mensen vertoef, hoe meer ik van mijn hond (kippen) ben gaan houden”!
|
||
|
|
Daar stonden ze, alle drie, op de hoogste heuvel van de Konijnenberg in Vosselaar. De volle maan zorgde voor het nodige licht en rondom schaduwden de dennenbossen. Hoe zijn ze toch hier gekomen? Jarenlang niets meer van elkaar gehoord of gezien. Ooit waren ze nog eens samen geweest; ze hadden iets heel bijzonders meegemaakt en sindsdien hadden ze een speciale gevoeligheid gekregen. Vooral als ’t volle maan was kwam dat op; dan moesten ze trekken, alles achterlaten en het gevoelen volgen. “Bij mij”, zei Suskewiet, “is dat een soort religieus gevoelen… een gevoelen dat mij zegt: er wacht u iets goeds”. “Bij mij zit het vooral in mijne lever”, zei Schrobberbeek met zijn stoppelbaard. Een Zeemeerminnekesgevoel en de palingvisser Pietjevogel zei: “ik heb mijn lijn uitgesmeten en ben opweg gegaan in de richting die den dobber aangaf”. Hoe is het toch mogelijk dat wij elkaar hier terug vinden en bij volle maan: dat heeft iets te betekenen. Ze hadden niet gemerkt dat over de zandweg, wat weg en weer slingerend door het mulle zand een autootje kwam aangereden. Verdwaald waarschijnlijk! Het stopte: een man stapte uit. Klein van was, door zijn haar gegroeid: sigaretrokend.
“Dag mannen”, zei hij heel spontaan. “Zijde op ne vierde man aan’t wachten”? Ze wisten niet wat zeggen, maar ze hadden wel door dat het iemand was waar mee te praten viel. Nee, zei Schrobberbeek, we zijn aan ‘t overleggen waar we naartoe moeten. Op den dool dus, antwoordde de vreemdeling. Zo zou j’et kunnen zien, zeiden ze samen terwijl ze elkaar bekeken. “Vosselaar, is dat die richting”? vroeg de vreemde man. “Ik denk dat het die richting is”, zeiden ze en ze wezen elk naar een andere kant. “Begrepen”, zei de man. “En gij, wie zijde gij”? Ik ben den aalmoezenier van Wortel. Rob of de Moeze, zeggen ze. “Meneer de aalmoezenier” fluisterde Suskewiet halfluid van alteratie en hij boog zijn hoofd, zoals in de kerk. Ook op den dool? waagde Pietjevogel. Je zou het zo kunnen zeggen: ik kreeg onlangs een schrijven waarin mij duidelijk werd gemaakt dat ik met pensioen moet en dus ik ben opzoek naar een appartement hier in de buurt. Eigenlijk zijn wij dan een beetje collega’s waagde Schrobberbeek die voelde dat die man met Landlopers van zijn soort over de baan kon. Allé mannen, veel succes!.. en gij ne goeie portemonnee! zei Pietjevogel al lachend. Daar stonden ze weer alleen. De schaduwen van de bomen werden groter want de maan was wat weggezakt. Wortel!... Wortel!!... Wortel!!!..... Terwijl ze het als een toverwoord elk om beurten uitspraken was het alsof een licht ging branden. Ja, “Wortel” daar moesten ze naartoe. Dat was het paradijs der Landlopers, wist Schrobberbeek te vertellen. Ik heb het in Turnhout zien staan op grote affiches. De andere twee keken wat ongelovig. Op affiches staat zoveel te lezen. Maar Schrobberbeek gaf niet op: Ik heb het niet alleen gelezen;. Bij Mie Pot in ’t Zwanenven heeft iemand mij verteld dat ze in Wortel, zelfs drie Kerststallen zetten dit jaar. Drie! Suskewiet telde vroom op zijn vingers: één voor mij, ene voor hem en de derde voor de Schrobbe. Ja, vertelde de man aan den toog. Er is daar iets blijven hangen van de sfeer van de Landlopers… Sinds ze weg zijn heeft men heimwee naar hen. “Ja, zo gaat dat gewoonlijk, zei herder Suskewiet “Landloper weg, Leve de Landloper!” En waar staan die drie Kerststallen, vroeg Pietje verder. Naar ’t schijnt ene aan ’t gevang, ene aan de kerk en den derde aan ’t café op Castel. De man die ik in ’t Zwaneven zag, ne zekeren Bosch wist te vertellen dat er ook op de drie plaatsen wat geschonken wordt. Aan ’t gevang is “n Tistje”, volgens het recept van Gerard Huet. In Castel, “ne Hollandse klare” en aan de kerk is het maar “Glühwein” van de pastoor. “Da lust ik wel” zei Suskewiet, “da smaakt nog een bekke naar de kerk!” Ga gij maar wonen in de kerststal aan de kerk. Gij kunt voor ons meebidden”! “Ik had anders wel liever aan Bootjesven ingetrokken; ik ben altijd herder geweest en naar ’t schijnt gaat daar terug hei groeien en schapen komen; misschien kan ik nog schaapherder worden. “Suske, zij content da g’aan de kerk kunt wonen: de pastoor is ook nen herder, weliswaar met minder en minder schapen”. En wij? Kop of let? “Ik verkies het buskotje aan ’t gevang”, zei Palingvisser Pietjevogel. Dan zit ik maar een boogscheut van de visvijver en Bootjesven is ook binnen handbereik. Ik trek dan wel naar Castel: als bedelaar heb ik geleerd van alle hooioppers te eten, van deze kant of gene kant. Het leek wel een hemelsplan onder volle maan ingegeven. Maar zal het slagen? Ik twijfel er niet aan, zei Vrome Suskewiet en hij begon te preken: “Mensen die een Kerststalleke zetten zijn mensen van goede wil. Ze zetten hun deur open voor vreemde gasten, want ze weten in vreemde gasten kan Jezuke zelf aanwezig zijn. De andere twee knikten; dat hadden ze nog onthouden uit hun Driekoningentocht met de ster vele jaren geleden. Weet ge, we schrijven onze naam boven elke kerststal. Zo weten de bezoekers ze uit elkaar te houden. Aan de kerk: Bij Suskewiet In Castel: In Schrobberbeek Aan ’t gevang: Halte Pietjevogel
A.Van Dijck
|
||
|
|
|
||
|
|
Het is een volksgezegde en dus al heel oud. Ze bevatten meestal heel wat waarheid en gelden daarom voor alle tijden. “Trouwen is Houwen” rijmt niet alleen op elkaar, maar rijmt ook met elkaar. Past ook bij elkaar. Trouwen is geen kinderspel. Het is serieus. Het is voor lange tijd, liefst levenslang. Zo werd het gezegd en gezongen op alle toonaarden. Maar sinds enkele weken is het allemaal anders geworden. De politici van dit dierbaar land hebben zelfs bij wet beslist: Trouwen is maar voor efkens….. de faire parts rondsturen, de ceremonie op ’t stadhuis, de show en de foto’s. Het feest en de cadeaus, de huwelijksreis en bedankkaartjes en dan zijn er drie maanden voorbij en kan je lekker scheiden en opnieuw beginnen. “We hebben ons vergist” zeg je maar. “Ons huwelijk is ontwricht”. Zo zal het bij wet bepaald worden door de regering die alles anders wil en denkt dat het dan beter is en die de lat altijd maar lager wil leggen in naam van een gedoogbeleid. Je moet je zelfs niet afvragen wie in de fout is gegaan. “Schuldeloze echtscheiding” zegt de wet. Dat het de ministers ernst is moge blijken uit het voorbeeld van de vrouwelijke blikvanger van het kabinet zelf geeft. Ze slaagt erin binnen een groot jaar een kind te krijgen, opnieuw te trouwen, natuurlijk niet thuis en opnieuw met een dik buikje de verkiezingscampagne in te trekken. Dat noemen ze “voorbeeldfunctie”. Hoe wil je toch dat de jonge lui het gebeuren op het stadshuis ernstig nemen. Het heeft nu al de naam van “een formaliteit”. Nochtans is het burgerlijk huwelijk een waardig equivalent van het kerkelijke huwelijk. Zeker voor koppels die niet kerkelijk trouwen. En de kerk ziet het burgerlijk huwelijk, voor niet gedoopten, als een volwaardig huwelijk. “Minder echtscheidingen”, zeggen de enen. “Meer schijnhuwelijken”, antwoorden de anderen. Moet de wet niet juist een ondersteuning zijn van het engagement in plaats van de afbraak in de hand te werken. Voor de kerk blijft het huwelijk een belangrijke levensvorm. Niet alleen om sociale redenen: inderdaad, goede huwelijken zijn bouwstenen voor een goede samenleving en goede huwelijken zijn een rijkdom voor de kinderen. Maar de kerk heeft vooral waardering voor het huwelijk op bijbelse gronden. Zegt God niet in het boek der schepping: “God schiep de mens: man en vrouw schiep hij hen. Naar zijn beeld en gelijkenis schiep hij hen. “Beeld van God zijn” zie daar de roeping van man en vrouw in de liefde. Hoe God is leren we uit de verhalen van de Bijbel. De kerk vindt er drie kentrekken. - De God van de bijbel is trouw aan zijn woord. Hij verbreekt het niet. - De God van de bijbel duldt niet dat men half en half kiest. Voor Hem of tegen Hem. Je kan geen twee Heren dienen, zal Jezus zeggen. En twee dames dienen is wellicht nog moeilijker. - Ten slotte de God van de Bijbel deelt zijn geluk, sluit zich niet egoïstisch op in zichzelf. Beeld zijn van die God roept de mens op tot blijvende trouw, tot uitsluitend behoren aan die ene levenspartner en tot scheppend de liefde delen met kinderen of in engagement in het leven. Alles erop en eraan. Zo drukken jongeren zich vaak uit wanneer je hen de vraag stelt: “Waarom trouw je voor de kerk”. Ze willen er voorgaan en de gemeenschap mag het weten. Ze voelen wel aan bij de ondertrouw dat hun levensproject niet niks is en dat het in onze samenleving erg ouderwets klinkt en voor de soaps uit de tijd. En toch willen jongeren nog die weg op. Waarom toch? Zou het kunnen zijn dat jonge mensen diep in hun hart het verlangen ervaren naar iemand waarop ze altijd kunnen rekenen, naar een partner die totaal en uitsluitend voor hem of haar kiest, en naar een geborgen plaats in hun leven waar nieuw leven kan ontkiemen. Ja, het zit eigenlijk in onze genen zouden we kunnen zeggen en misschien is het toch best niet tegendraads te leven. Het feit dat velen er niet voor kiezen en dat er nog meer niet in lukken dit waar te maken, neemt niet weg dat het zinvol is hiervoor te blijven kiezen; maar moet ons natuurlijk met schroom over deze dingen doen praten en doen hopen dat zij altijd ideaal mogen blijven, zelfs in een wereld met heel andere realiteiten. Ook aan hen die er niet in lukken wensen wij een mooie toekomst en zinvol leven toe.
A.Van Dijck
|
||
|
|
Ze zit in een leunstoel, haar gezicht gericht naar het licht dat in stralenbussels binnenvalt. Ik ontmoet haar op communieronde in het huis: “Dit brood is teken van Jezus’ leven en hoe hij dat vooral deelde met zieken en mensen die het moeilijk hadden. Mag Jezus ook dicht bij jou zijn”. Tranen springen in haar ogen. “Ik ben nu 76 jaar en ik heb niemand meer die dicht bij me is. Mijn ouders zijn dood, mijn man is 15 jaar geleden gestorven en mijn zus enkele jaren terug. En ik heb geen kinderen”. Ze zucht. “We hebben wel een zoontje gekregen, maar hij is gestorven bij de geboorte. En ik heb hem niet mogen zien”. Dat komt als een mantra terug: “ik heb hem niet mogen zien”. Haar man heeft het gezien, en haar zus ook, maar zij niet. De zusters vonden dat toen beter, het zou anders maar meer verdriet doen. “Dus heb ik mijn kindje niet mogen zien”. Jaren later durfde ze aan haar man vragen of het er dan zo afzichtelijk uitzag, want ze dacht dat dat de reden was waarom ze geen afscheid had mogen nemen. Maar nee, het was mooi, met zwart haar; volmaakt, had haar man gezegd. “Maar ik weet nog altijd niet of ik dat wel mag geloven, want ik heb het zelf niet kunnen zien”. “Of ze het kindje een naam hadden gegeven?”, durf ik te vragen. “Ach nee, dat had geen nut volgens de zusters. En erna hebben ze ontdekt dat ik nooit meer kinderen zou kunnen krijgen. Nooit meer”.
Ze draait haar gezicht weer naar het raam en laat de tranen stilletjes lopen. Ik vloek inwendig op de ‘gepaste rouwverwerking’ van vroeger en vraag me af of er voor haar in hemelsnaam ‘iets van het licht’ kan zijn? En dan, onverwachts, draait ze haar gezicht terug naar mij en glimlacht langzaam. Traag vertelt ze: “Maar ik heb één souvenir. Mijn zus zou meter worden en was apetrots. Het was oorlog toen en ze reed met de tram voorbij een etalage waarin ze een warme, witte, brede sjaal zag liggen. Die moest ze hebben. Ze is een halte verder uitgestapt en is die sjaal gaan kopen om te gebruiken bij het doopsel van haar petekind. Hij is nooit gebruikt geworden. Niemand van de familie heeft ooit in zijn hoofd gehaald om te vragen of ze die sjaal mochten gebruiken. Die is heilig voor mij. Af en toe pak ik hem vast, ik was hem met de zachtste zeep die er is, zodat hij goed ruikt en leg hem terug in een mooi papiertje”.
Ze zwijgt even; “ In die sjaal zal ik begraven worden. Iedereen rondom mij weet dat, de buren en de verre familie. En ik heb het ook opgeschreven”. De haren op mijn armen gaan recht overeind staan als ik het hoor, omdat het zo klopt. De cirkel zal rond zijn als zij zelf sterft. Dan zijn ze weer samen. Een kind, naamloos en ongezien, dat in een witte sjaal had moeten gewikkeld worden. En een moeder die haar kracht haalt uit diezelfde witte sjaal die haar lijkwade zal worden. A.V.
|
||
|
|
Een oma vertelde gisteren volgend verhaal: Als haar kleinkind Fausto 8jaar op bezoek is en naar huis gaat geef ik hem altijd een kus en een kruisje en daarbij zeg ik dan: “God zegene u en God bescherme u”. Enkele weken geleden gebeurde dat weer maar ik gaf hem enkel een kus en een kruisje; Hij keek mij aan en zei: “Oma, en het gedichtje”? Ik vroeg: vind je dat belangrijk dat ik dat “gedichtje” God zegene en God bescherme u”, erbij zeg. Ja, zei het ventje. Waarom vroeg ik: dan voel ik mij veilig. Het teken was belangrijk, maar het uitdrukkelijk God noemen vond hij nog belangrijker. Dan voel ik mij veilig. Daar stond ik: ik had niet over God gesproken omdat ik dacht dat ik mijn kleinkind dan misschien een verkeerd beeld gaf over God ofdat mijn dochter dat misschien niet zo graag had. Maar dat was zijn reactie. Ik vond het een mooi verhaal om met u te delen op het feest van de H.Familie dat de kerk vandaag viert. Het nodigt ons uit eens na te denken hoe wij het “heilige” nog aanwezig brengen in onze omgang met kleinkinderen of kinderen. Godsdienstig opvoeden is meer dan waarden bijbrengen. Vele ouders en vele opvoeders in de scholen zijn wel bezorgd voor christelijke waarden: eerlijk zijn, niet pesten, leren delen enz. Die zijn natuurlijk belangrijk. Maar godsdienstige opvoeding is meer dan levenswaarden bijbrengen. Ook de juf zedenleer brengt kinderen deze waarden bij: en ook humanistische ouders voeden hun kinderen waarde bewust op. Godsdienstige opvoeding is kinderen ook in contact brengen met het verhaal van God, en het verhaal van Jezus. Het verhaal dat iemand van je houdt. Altijd…
1. Zulk een opvoeding gebeurt vooral in een sfeer van vertrouwen en geborgenheid en voor die sfeer zijn ouders de eerste verantwoordelijken. Ouders zijn het eerste beeld van God voor hun kinderen. Zijn de ouders heel streng, dan wordt God een strenge God en groeit er angst. Zij ouders wispelturig, vandaag mag alles, morgen niks, dan is God voor het kind een onbetrouwbare God: moet je voor oppassen. Zijn ouders eerlijk en goed dan zal voor het kind God ook goed zijn en vertrouwen schenken. Door hun levenswijze vormen ouders het godsbeeld in hun kinderen.
2. Godsdienstige opvoeding gebeurt vooral door overdracht van de ouders en grootouders op de kinderen en kleinkinderen. Aan de beroemde kunstglazenier Chagall vroeg men eens: Waar heb je leren houden van glasramen? Hij antwoordde: Mijn bompa hield van glasramen Ik hield veel van mijn bompa Zo gingen we vaak naar glasramen kijken Zo ging ik zelf van glasramen houden. Of volk gezegd: Woorden wekken, voorbeelden trekken.
Als ouders kinderen naar de kerk sturen en zelf terug naar huis rijden dan geven ze een dubbelzinnig beeld door aan hun kinderen en voed je tot dubbelzinnigheid op. Vooral in godsdienstige opvoeding zal het voorbeeld en de eigen eerlijkheid van doorslaggevende betekenis zijn voor de medemens.
|
||
|
|
Daar komen ze, een jong stel van half de dertig. Ik wacht ze op in de hal van het crematorium. Dirk, Carine. Kom maar mee. We zitten aan tafel. Een tas koffie….. Eerst zeggen wie ik ben en stel mij voor en vertel dat ik priester ben en in de beurtrol van het crematorium zit en het toevallig mijn beurt is. Ik zie dat Dirk wel even schrok. “Ja, de vorige keren dat ik hier was waren het gewonen mensen” zei Dirk. “Pastoor, voor mijn moeder nen dienst “light katholiek” want voor mij hoeft het allemaal niet. Als ’t mij te doen stond was ’t allemaal burgerlijk. Maar mijn ma was gelovig en ze wilde het zo; katholiek maar in ’t crematorium. Ook mijn vrouw is katholiek en haar familie heel erg en zo zullen er nog wel zijn die naar de dienst komen”….. Het klonk allemaal heel direct en eerlijk. Ik zei het hem en toen vertelde hij: Mijn ouders zijn uiteen gegaan als ik tien was. Ik wist niet waar ik stond. Ik werd lastig en rebels en dat ben ik gebleven. Ik heb nog wel mijn vormsel gedaan. We moesten bij een mevrouw naar de les. Op het einde vervelend. “Nog enkele malen en dan is ’t gedaan, zei ze. Als jullie goed meewerken mogen jullie na ’t vormsel bij mij pannenkoeken komen eten”. Nooit iets van gehoord. Toen was ’t voorgoed gedaan. We hebben onze kleine, onze Jens, 4 jaar ook niet laten dopen en haar familie, neig katholiek heeft dat aanvaard toen ik den uitleg deed. We zien wel.
Zo waren we klaar om de dienst samen voor te bereiden. Aan de hand van een schema vertelde ik hoe ik het gewoonlijk doe en waarom ik het zo doe. Daarna kunnen we het samen bekijken. “Voor de muziek” zei ik…. “Heb ik al bij” en hij gaf mij drie cd's. Gewoonlijk steekt iemand van de familie de kaars aan… Ik ging even weg om de CD’s te laten opnemen. Ondertussen had hij al gebeld met zijn GSM. “De kaars aansteken dat doe Mieke, het metekind van ons moe”, zei hij toen ik terug kwam. En het levensverhaal?.. “Nonkel Jef van Carine gaat dat maken maar voorlezen zal die niet……” “Het gebed om vergeving, het evangelie, de voorbede”, zei ik….. “Daar zorgde gij maar voor, want ik maak geen kruisteken en ik ga niet bekwispelen….” “Nee, Dirk, Ik zal dat duidelijk zeggen in ’t begin van de dienst dat iedereen er mag zijn vanuit zijn eigen betrokkenheid met je moeder en ook vanuit zijn eigen gelovig zijn”. Zo was het goed. Nog wat gepraat over moeder en het uur was voorbij. Op het einde van de dienst ging Dirk aan de arm van zijn vrouw naar zijn moeder: Hij groette haar. Zij gaf haar een kruisje, samen gingen ze verder…. Die week deed ik drie diensten in het crematorium.
Van Dirk kreeg ik een mailtje: “De mensen vonden het een mooie dienst en ik vond het light katholiek. Ik vond het heel fijn dat je tweemaal onze Jens die niet mee was, bij het gebeuren betrokken hebt. “Oma is nu een sterretje aan de hemel. Ik zal je missen”. Jens. Het mailtje deed me bijzonder deugd…
Als priester ontmoet je op onze dagen meer en meer situaties waar mensen aan de kerk een dienst vragen, maar zelf een heel stuk vervreemd zijn van kerk en liturgie. Vooral als het gaat over jongere mensen is dit een hele opdracht. In hun brief aan de priesters schrijven de bisschoppen: De sacramentenpastoraal ( en ook de liturgie nvdr ) is zowel de vreugde als de pijn van veel priesters. ……. ze zijn vaak ontgoocheld over de discrepantie (afstand nvdr) tussen wat ze willen aanbieden en wat mensen vragen. Het probleem is zo oud als de kerk: varen tussen enerzijds veeleisendheid en ernst en anderzijds tussen begrip en barmhartigheid. In elk geval is het zo dat men de mens die een sacrament komt vragen, moet nemen zoals hij is en dat men hem zover mogelijk probeert mee te nemen naar een dieper begrip van het sacrament (de liturgie). Van een onderhoudspastoraal gaan we ongetwijfeld over naar een missionaire pastoraal. Dat is onze hoofdzorg voor de komende decennia. Openheid maar ook wederzijds vertrouwen tussen familie en priester zijn daarvoor wel heel belangrijk.
A.Van Dijck
|
||
|
|
“St. Katharinahof”, daar moet ik zijn, dacht Marc Buyens bij zichzelf; zijn vurige oogjes en zijn pientere geest, nu hemels verlicht, had het hem onmiddellijk doen begrijpen. Katharina, dat is Hoogstraten en Hof, dat was het Begijnhof. Hij stapte onder de hemelboog met het gouden opschrift en wauw…. In de achtergrond een Vlaams landschap van kerktorens belforten kastelen en glooiende velden en ruisende bomen. Zo weggeplukt uit de schilderijen van de Vlaamse Primitieven, maar de voorgrond ademde de rust en kalmte van het Begijnhof en de muziek die hij hoorde herkende hij direct: dat was begijnenmuziek die hij gehoord had in de Begijnhofkerk bij ’t inspelen van ’t orgel. Moest Jan Van Mol dat weten hij stond hier binnen de week aan de poort.
Marc wandelde rustig rond, gaf zijn ogen de kost en genoot van de omgeving. Hij zette zich op een bank in de schaduw, zette zijn diadeem met het sterretje wat recht, sloot de ogen en droomde….. van de aarde: hoe zijn kleinkinderen nu zijn sterretje aan de hemel zochten en alles was zalig. Hij schoot wakker van sleutelgerinkel. Sinte Pieter! flitste door zijn hoofd. Maar nee…. wie kwam daar aan… Ja, de koster, Jos Laurijssen. Hij had blijkbaar de sleutels mee naar boven genomen. Misschien uit veiligheid om zeker binnen te geraken. “Maar Jos” zei Marc opgelucht.”Wat ben ik blij dat je der nu al zijt. k’ Had je wel verwacht. We zaten in ’t zelfde schuitje”. Ja, het is op ’t einde zo vlug gegaan, maar ’t afscheid was mooi en ja, die sleutels! Mijn werk was mijn tweede natuur geworden en daardoor zijn die sleutels mee hier geraakt. Maar de voornaamste had ons Paula al afgegeven”.
Heb je uwen kroon met je sterretje al gaan halen op de sterparade? Waar is dat? Je volgt de melkweg maar en dan kom je zo bij de plaats waar elke hemeling zijn ster gaat halen. Je kleinkinderen zullen zeker op de uitkijk staan bij heldere hemel op zoek naar de ster van opa. “Ja, dat gun ik ze”, zei de koster. “Want ik vond het niet zo erg dat ik moest vertrekken, maar ik vond het wel erg dat ze daar beneden zo’n verdriet hadden”. “Ik heb geleerd dat verdriet nooit het laatste is” zei Marc, “als je erdoor gaat komt er weer vreugde”. Jos bewonderde Marc. Zelfs in de hemel wou hij anderen nog les geven. Is dat dan zo’n beetje als in nen zuren appel bijten”, vroeg Jos, als jer eens flink doorbijt wordt het sap zoeter. Heel juist zei Marc met de vinger op zijn mond. Jos, pas op want hier mag niet over appels gesproken worden. Met den appel is ’t allemaal verkeerd gelopen, zei Marc. Dus appels: taboe! “Dan liever peren”! zei Jos lachend.
Terwijl ze zo op zen hooghemels aan ’t vertellen waren zagen ze plots in de verte iemand aankomen. Hij had precies een palmtak in zijn handen. Blijkbaar was hij ook getroffen door de verlichte hemelboog van St Katharinahof. Zou dat kunnen? vroeg de koster. Het is precies mijn buurman. Jos Snoeys. Inderdaad, hij stapte nog altijd even rustig en hij had zijn klak nog op. Ja, zei de koster, dat is gelijk mijn sleutels. Jos en klak onafscheidelijk samen. Maar hij draagt een grote palmtak.
Ja, ik ben hier al wat langer, zei Marc en ge weet ik ging altijd naar ’t dorp en overal stak ik wat nieuwtjes op. Ik heb dat hier ook gedaan en zo heb ik vernomen dat de ongehuwden geen kroon met schitterende ster krijgen maar een palmtak. Die moeten niet schitteren voor hun nageslacht en die hebben hun handen altijd thuis gehouden en daarom krijgen die een mooie palmtak. “Ja, das wel mooi” zei de koster, maar ik denk dat onze buurman toch liever Palm zou hebben dan een palmtak! Jos heeft bij Paula geleerd te luisteren en dus Jos een palmtak; net als zijn zus Paula later. Tenzij……, zei Marc en hij stak zijn vingertje op, Say never.. never! Jos Snoeys verschoot zich erg toen hij zijn buurman de koster hier aantrof. Zijt gij hier allang?, vroeg hij verwonderd. Toch al enkele dagen. Daar heeft ons Paula niks van gezegd;
Da versta ik, zei Marc, Paula in verdediging nemend. Ze heeft bij zichzelf gedacht beter verschieten in den hemel dan op aarde . Op aarde zou je dat bang maken en hier is ’t een blije verrassing. Jos legde zijn palmtak op de bank en nam plaats naast zijn vrienden. “Nog ne vierde man en we zijn vertrokken” zei de koster en haalde een stok kaarten van de bridgeclub boven. Hij was nog niet uitgesproken of daar hoorde hij in de verte bazuingeschal! Een engel hemelswit met gouden kroon blies op de bazuin en er klonk hemelse muziek uit die engel. Maar die ken ik, zei de koster. Die komt uit het glasraam van Van den Bossche. Zou het, dat die ook op komst is? Inderdaad, daar verscheen Sint Joris te paard en gezeten op zijn vurig ros, beschermd door St. Joris meneer Van den Bossche. Je kon hem dadelijk herkennen aan de flamboyante hoed die hij droeg in de processie van H. Bloed.
Voorafgegaan door de schallende engel deed Adrien zijn intrede in St’ Katharinahof. Sint Joris deed zijn paard halten bij de bank van ons Hoogstraats trio. Adrien nam zijn hoed af en groette het drietal. Zo past het de laatst aangekomene. Na dat plechtige gebaar viel het het drietal op dat hij een grote ster had: “Une etoile d’ honneur” stond erop. Begrijpelijk, zei Marc, de griffier had daar beneden nogal wat erefuncties. Dat hij hier een Erester mag dragen is passend. Bovendien in den hemel kan men veel beter omspringen met verscheidenheid. Het moet niet allemaal hetzelfde zijn. Variatie is verrijking en door het wegvallen van de jalousie is dat helemaal niet storend. Daar zat het viertal: twee kerkraadvoorzitters en twee kosters. De Kathedraal en het Begijnhof. Dat kan geen toeval zijn, want toeval bestaat in de hemel niet. Gaan jullie mee naar de Vespers, vroeg Jos Snoeys. Jos die bij nogal wat gebedsgroepen was geweest, was al op zoek gegaan naar wat hier geboden werd.
In de St. Katharinadom daar zijn er vespers om vijf uur. En het zijn de Beginas die ze zingen. Naast de Dom heb je een mooie afspanning. “In de Bazuin” wist Jos te vertellen. Daar is naar t’ schijnt Go(l)den Palm en Chateau de Jésus van Cana. Echt Jos Snoeys, zei Marc, hij denkt niet alleen aan ’t biddens maar ook aan ’t apres-biddens. Zullen we? vroeg Adrien en dat klonk als een bevel. Dus ze vertrokken. Met sterre-energie werden ze opgeheven en belandden ze bij de ingang van een prachtige dreef. Vier rijen beukebomen en de grasplantsoenen tussenin vol kleurrijke krokussen; zelfs de groene kopjes van de paasbloemen waren te zien. Heel wat anders dan de Lindedreef wilde de koster zeggen, maar hij bedacht zich: “over levenden niets dan goeds”, geldt in de hemel. Links en rechts van de dreef een grote esplanade met een menigte die niemand tellen kon, uit alle rassen en talen.
Zoals het hemelingen past gaat men in processiestap naar het heiligdom. Dus vier op een rij. De palmtak voorop en de erester achteraan. Gelukkig dat ze allemaal in de processie van H. Bloed waren gegaan want dat kwam van pas. Vooruitschrijden, geen commentaar en met een vrome blik gericht op ’t heiligdom! De klokken beierden alom. Hoe dichter ze naderden hoe sterker de orgelmuziek klonk, en stilaan hoorde men de hooggevooisde stemmen van de Beginas. Er was duidelijk verwantschap met The Flemisch Organ Heritage van t’ Begijnhof van Hoogstraten. Allen waren fier en Marc probeerde zijn hals te rekken.
Plots werd het Adrien te machtig. Boven de ontelbare massa stak iemand uit als een wapperende Hoogstraatse vlag…. “Onze Jan!” .riep hij! En tranen schoten hem in d’ ogen. Zelfs hier lukt het hem op te vallen. Adrien wilde verder kijken maar zijn ogen waren wazig geworden door de vreugdetranen. Op dat moment daalde de goddelijke lichtende wolk over het hele gebeuren, voor ’t oog van elke sterveling werd alles onzichtbaar maar daar voltrekt zich wat in de heilige boeken staat: “Ze zullen God zien van oog tot oog, alle geheimen zullen worden opgeklaard en alle leed en verdriet zullen voorbij zijn. Daar klinkt het Sanctus, Sanctus, het driemaal heilig. Het Alleluia en het Amen, Amen, Amen.
En telkens ik in de St. Katharinakerk van aan het altaar kijk naar het hemels glasraam boven het orgel zal ik mij verbonden weten met de “vier op een rij” en zovele anderen.
A. Van Dijck
|
||
|
|
De Franse filosoof Paul Ricoeur schreef dat een mens in zijn leven drie fasen doorloopt. De eerste fase noemde hij: de eerste naïviteit. De tweede fase noemde hij: de kritische fase. De derde fase noemde hij: ( de tweede naïviteit) fase van de waarheid.
In dacht daaraan terug toen ik in het evangelie hoorde dat Jezus aan Petrus driemaal vraagt: “heb je mij lief”? Misschien dat Hij dat niet achtereen heeft gedaan, maar telkens in de verschillende fasen van het leven.
1. Wanneer ik met jong gehuwde mensen praat dan valt het mij dikwijls op dat ze vooral spreken over alles wat ze al bereikt hebben en de verwachtingen die nog op het programma staan. Hun meubels, hun werk, hun kindje, een bouwplaats enz. Je voelt dat er daar een stilzwijgende afspraak is tussen deze jonge mensen – handen uit de mouwen! Vooruitkomen!! Het familiealbum is niet zover te zoeken en wordt nog wel eens samen bekeken en wat opvalt is dat het in deze periode goed up to date is: de familiefilm wordt bijgehouden. Alle foto’s zijn ingekleefd. Ze leven met het enthousiasme, de roes van het eerste uur, de fase van de eerste naïviteit. Ook als je priester wordt beleef je die eerste jaren als een roes. Je bent met enthousiasme vertrokken. Wij zullen het wel eens waar maken. Wij zullen het anders en beter doen dan de vorige generaties! En je smijt je in je werk met een jeugdig enthousiasme en je beleeft een diepe vreugde aan alle nieuwe dingen die het leven je brengt. Je bent in de fase van de eerste naïviteit zou de franse filosoof zeggen: een heel belangrijke fase. Hoe sterker we ze beleven hoe beter. Want het geluk heeft zijn eigen heimwee. Deze periode van intens geluk zal de mens helpen bij latere moeilijkheden. Ook Petrus maakte deze fase door. Hij was de Heer gevolgd met heel zijn onstuimigheid. Hij had er alles voor verlaten. Zijn antwoord was duidelijk: “Ja Heer, Gij weet dat ik u bemin”.
2. De tweede fase noemt men de kritische fase. Men hoort andere geluiden. “Getrouwd zijn: ’t is niet alles”! zucht iemand. “ ’t Is voor altijd en ’t is altijd met dezelfde”! Kinderen hebben: ’t is schoon; maar soms heel moeilijk. Ze kunnen niet alleen lief zijn, maar soms ook heel lastig. En onze Koen is toch zo koppig en onze Hans zo lui en ons Mieke zo gemakkelijk ziek”! “En de beminde parochianen”, zucht de pastoor, “zijn soms ook vervelende parochianen”! En de kerk: ’t is altijd ’t zelfde en de pastoor begint te zagen, en de kerk dit en de kerk dat. Ook Petrus maakt het door. Petrus droom komt niet uit. Jezus past niet in zijn opvattingen. Hij verloochent zelfs zijn meester – “Ik ken hem niet”. Als we zo beginnen te denken zitten we in de tweede fase: de kritische fase. De waarden uit de eerst fase geraken wat verduisterd, we geraken wat in de mist en we ervaren vooral de tekorten van het leven en de medemens. Het is een moeilijke fase, maar een belangrijke. In deze fase mogen we niet afhaken, het niet opgeven. Vele mensen haken af, verlaten de kerk, geven hun idealen op. In deze fase vraagt Jezus voor de tweede maal: “Petrus zoon van Johannes, hebt ge mij lief”?
3. Zo komen we stilaan doorheen deze kritische fase in de derde fase. Onze franse filosoof noemde ze: de fase van de waarheid, de tweede naïviteit. In deze fase ontdekt en beleeft men terug de waarden van het begin, maar niet meer zo naïef, maar met de verscherpte blik van de kritische fase. Man en vrouw zien mekaar met al hun tekorten, maar zeggen ondanks deze tekorten is er ook nog veel waardevols in elkaar…. genoeg om het de moeite te vinden bij elkaar te blijven. Onze kinderen zijn wel niet volmaakt, maar toch zouden we ze niet willen missen. Ze betekenen heel wat in ons leven. En de kerk is ook niet volmaakt en de priesters hebben ook hun gebreken maar ondanks dit betekent een kerk toch heel wat in het leven. Men leert met mildheid over het leven en de dingen denken. Een goed huwelijk is een huwelijk waarin het soms heel goed gaat. Een goede leraar is iemand doe soms zeer goed les geeft. Een goed predikant is iemand die af en toe goed preekt. Het leven verloopt niet constant in het rijk van de superlatieven. Het gaat in het leven op en neer. Toen Jezus de derde keer aan Petrus vroeg: “Simon, zoon van Johannes hebt gij Mij lief” werd hij bedroefd en met bescheidenheid antwoordde hij: “Heer, gij weet alles,dwz. mijn stoute dromen van mijn jeugd. Mijn stommiteiten van de verloochening, maar ook mijn blijvende trouw doorheen alles. Gij weet dat ik U bemin.
Vandaag bidden we om de gave van de trouw. Petrus staat centraal: het evangelie leerde hoe hij de trouw met vallen en opstaan heeft geleerd. Moge de Geest ook ons leven vervullen van zulke trouw.
A.Van Dijck
|
||
|
|
Weldra zullen ze weer verschijnen. De politici van alle kleuren. Beladen met folders en fotomateriaal wandelen ze de markten op en af; klampen mensen aan en verleiden ze met snuisterijen . Ook op de koffies van de verenigingen moet er een stoeltje bijgezet, want de m/v die de belangen van de verenigingen gedurende 4 jaar verdedigden en daardoor teveel werk hadden om aanwezig te zijn, komen nu met hun verlanglijstje aanzitten in de hoop….. In Edegem, vertelde een vriend, gaan ze zelfs op huis bezoek van deur tot deur. Zo willen ze de verlangens van de goegemeente leren kennen in de hoop…. Ondertussen liggen de 8JV exemplaren te blauwogen in de krantenwinkels: een geschenk van ons aller premier die zich al 8 jaar voor ons afslooft en hoopt alzo een graantje mee te pikken op het oogstfeest van 10 juni. Den boer op! is de leuze.
Met dezelfde leuze roept Kardinaal Danneels de christenen van vandaag op. Wij hebben zoveel te bieden aan onze tijdgenoten schrijft hij. Heel ons christelijk bestaan is gebouwd op het samenspel van geloof, hoop en liefde. Voor de christenen is het geloof “zijn ogen” het doet hem de beloften kennen. De hoop is “zijn hart” de motor die hem opweg zet. En de liefde “zijn handen en voeten” ze geeft concrete gestalte aan de beloften. Al is het geloof onontbeerlijk en de liefde de voornaamste, het noodzakelijkst is de hoop, aldus de Kardinaal. Onze tijd heeft vooral nood aan de hoop. De mens is met hoop geboren: die zit hem in het bloed. Alleen de mens heeft besef van toekomst en tijd. Alleen hij kan dus hopen. Er zijn vele vormen van hopen: hopen dat de ploeg wint, dat je met de lotto succes hebt, dat de uitslag goed is, dat het morgen goed weer is enz.
De fransen spreken over “Les petites espoirs et la grande espérance”. De kleine verlangens en de grote verwachting. Onder alle soorten verwachtingen ligt er één fundamentele: bemind worden om te leven: liefde en leven. Voor ons is Christus onze Hoop. Hij heeft ons Gods beloften doen kennen, Hij heeft ze ons voorgeleefd, Hij heeft ze door zijn Geest in ons weggelegd. Een christen is een mens van hoop. Onze parochies zouden moeten zijn: “kernen van hoop”.
Wij hebben een spiritualiteit die genezend kan zijn voor het gevoel van leegte en frustratie dat de consumptie heeft teweeg gebracht. Wij hebben een gemeenschapsgeest om de tussenschotten neer te halen van nationalisme, vooroordelen, racisme die ons continent teisteren. Wij hebben een toekomstvisie, voor leven en overleven. Het geloof kent de weg, de hoop zet op weg, de liefde houdt opweg.
Den boer op! Politici doen het voor een vergankelijke krans, zou Paulus zeggen wij echter voor een onvergankelijke. Loop dus zo dat je hem wint en loop er niet in.
A. Van Dijck
|
||
|
|
Ter bestemming…… Vlak na H. Bloed en met de verantwoordelijke van de Processie naar Compostela vertrekken werkt inspirerend. Ik zag de processie van H. Bloed als de spirituele achtergrond bij mijn tocht. De opening was een klim van 6 km van Pedrafita naar O Cebreiro op 1300m. Onder stralende middagzon begonnen we eraan. Al vlug werd duidelijk dat er in twee snelheden zou gestapt worden. Johan huppelend als een jong hert tegen de bergflank, ik “als een moede hinde naar het klare water smacht”. Onderweg wachtten we elkaar op en genoten van het mooie landschap. Gelukkig vonden we nog een slaapplaatsje in O Cebreiro, een plaatsje met een 20 tal huizen en een mooie Romaanse kerk. We gingen om 20u naar de mis en ontvingen de pelgrimszegen. Ik stak een noveenkaars aan voor de hele tocht. Buiten was het koud en nat weer. Vlug bed in.
Donderdag 14 juni naar Triacastela, 21 km. Koud, wind en regen. Klimmen en dalen. We zetten de tocht in het teken van de boete. De zeven kruisen, de zeven hoofdzonden. “Ken je ze nog? En welke is de populairste!. Je mag driemaal raden”. Zo trokken we verder. Klimmen en dalen op een hoogte van 1300m. Aan gulzigheid hebben we niet toegegeven want allebei slankten we 3kg af tijdens de tocht. Traagheid hebben we omgedoopt tot een deugd… muilezelpas, kuierpas en wandelpas wisselden af en brachten ons om 15u. in Triacastela. We sliepen boven een café en “ genoten” mee van het Spaans caférumoer en vermoeidheid doet slapen.
Vrijdag 15 juni, naar Saria, maar 18km maar wel een zware bergrit. Om 7u al op weg. Bewolkt met af en toe een streepje zon, prima wandelweer door een Bucolisch landschap. De Gloria groep inspireerde ons. Loven, danken en prijzen… het zijn van die dingen die niet opbrengen maar ze ademen je open en je geniet met volle teugen van wat je te zien krijgt. Het panorama met schapen in ’t veld, een biddende torenvalk in de lucht en een klimmende, zingende leeuwerik in de hoogte. De bloemenpracht groet je langs het pad. Onderweg wordt er gestopt voor een slok water of een café grande con leche in de afspanningen. De mens is de stem van de natuur. Hij mag de ondertekst geven aan wat de natuur aan schoonheid schenkt.
Zaterdag: Tocht naar Porte-Marin 22 km. Stijf en stram door het klimmen en dalen van gisteren begon ik aan de derde dag. De dag van de waarheid. Niet goed geslapen maar ’s morgens toch weer fit. Water en druivensuiker voor onderweg en Johan had nog een ander “paardenmiddel” Pure chocolade!; “Ja, zei hij, Lief uit de Katelijnestraat had hem verteld: een blokje pure chocolade en ik kan een berg strijk aan of 100 km fietsen”. Zo’n doordenkertjes helpen je in je geloof dat de smeltende chocolade je geest opkikkert en je weer vleugels geeft. Ondertussen keken en luisterden we naar het boek van de schepping want deze dag stond in het teken van de mooie woorddienst uit de processie. Onderweg wordt er om de 500m. aangegeven hoever Compostela nog is. Bij de honderd km paal houden we halt. Een Spaanse smos met echte boerenhesp smaakt heerlijk en een dubbele café con leche en veel suiker geeft weer energie om de laatste 100 km te beginnen. Als we het cowboy-dorp binnen stappen om 17u. weten we: Het zwaarste is achter de rug en de conditie houdt stand. In de kerk sluiten we ons aan bij de plaatselijke parochiegemeenschap en in gedachte zijn we verbonden met de parochies Wortel en Hoogstraten. Ook al verstaan we weinig van de taal, de rituelen zijn herkenbaar en helpen je innerlijk en uiterlijk mee te vieren.
Zondag wilden we het rustig aan doen. Om 8u. opstaan. Om 9u ontbijten. Om 10u vertrekken. s’ Morgens ben ik de rappe en Johan de trage… hij doet alles grondig. Hij had ook een rugzak van 14 kg. ik van 8 kg. Dus vlugger in en uitgepakt. Ieder zijn ritme, dat moet kunnen. We zouden proberen tot in Ligonde te geraken, slechts 17km. Voor mij was het de dag van de Voorbede… In gedachte was ik onderweg met vele mensen die onderweg zijn in het leven. Mensen die geen weg meer zien, mensen die hun weg zien eindigen, mensen wiens weg is doodgelopen en die opnieuw een weg moeten vinden. St. Jacob is de patroon voor alle mensen “onderweg” en de Camino naar Hem is een uitstekende route om “met de voeten” te bidden dat iedereen zijn weg zou vinden, opweg zou durven gaan, de weg volhouden en eens moge thuiskomen. Terwijl ik zo de zondag heiligde zorgden de hemelsluizen regelmatig voor een flinke drats. Het leek wel de kwispel van de pastoor die met Pasen zijn Paaslammeren zegent. Ik bezocht Wortel, Hoogstraten, Mol, familie en vrienden. Johan ontving onderweg voortdurend sms’jes uit het thuisfront. “Jef Van Looveren deed het goed in de kerk en alles was goed verlopen”. Om 13u. zitten we samen rond boerehesp, brood en koffie. We wandelen verder door weer en wind en beginnen uit te zien naar slaapgelegenheid maar alles volzet. ’t Is weekend en dus veel Spaanse dagtoeristen. Aan km 73 was ik dood op. We moesten verder. Gelukkig ging het nu bergaf. Aan km 70 vonden we plaats in een kleine Refugio. Een stapelbed voor ons twee. De jongste boven. Er waren nog een 8tal kamergenoten. Frans, Spaans, Duits. Een warme douche en lekker eten bij de bazin van het huis. We zitten op een hoogte van 756m en er is geen netwerk meer. Dus alle contact met het thuisfront valt weg. Geen nieuws, goed nieuws.
Maandag: om 7.30u vertrokken richting Melide Bewolkt, zon en regen maar niet koud. Zonder ontbijt op stap. Na 5 km in Palas del Rei eindelijk ontbijt! De vermoeidheid viel weg en ik voelde me terug fit worden. “Vijf broodjes en twee vissen”: als je deelt wat je hebt zal voor de rest gezorgd worden. Met dit offerandelied trok ik verder. Onbezorgd en vertrouwend: er wordt gezorgd. De weg, de natuur, zon, regen en wind, mooie wandelweg. Klimmen en dalen. “Er is zo veel” zingt Toon Hermans. Om 15u. komen we toe in Melide. Nog 52 km te doen. Nog drie dagen voor ons. We nemen ruimschoots de tijd om te rusten…… uitgestelde zondagsrust!
Dinsdag. Elke dinsdag ga ik wandelen met mijn vrienden. Een van hen was Jan met wie ik 7 maal op tocht ging met de rugzak. Taizé, Assisi, Siena, Compostela. Vorig jaar stierf hij plots en onverwachts. In gedachte ben ik bij mijn vrienden en Rita zijn vrouw. Het consecratiekruis uit de processie is inspiratie voor deze dag. Toewijding aan God en je kruis dragen. Ik dacht aan Abraham die met zijn zoon Isaac de berg optrekt. Een mysterievol gebeuren. Niet te verstaan. Te doen met vele mensen die verder moeten zonder te begrijpen. Enkel vertrouwend: God zal erin voorzien. Ondertussen is het tweede pakje druivensuiker al bijna leeg en de chocolade van Johan ook al over de helft. Onderweg werden wij stilaan “bekenden” Iedereen liep ons voorbij en met een Buon Camino moedigden zij ons aan. Onder hen: “Zwei kleine Italianer” die wat uitdrukkelijker lieten blijken dat ze die “ouwe grijze man met zijn stokken” wel sympathiek vonden. Opweg naar Arzua liepen we bij elkaar uit in de afspanning Casa Nova. Ze wilden wat meer contact. Ze wilden weten hoe oud ik was. “Ik ben 41” zei ze en jij? 73 zei Johan in keurig Spaans. Een spontane knuffel en kus moest ze kwijt. Bewondering. Met een traan van ontroering zei ze: “Mijn papa is ook 73 jaar”. Johan stond erbij en keek ernaar. Om 14u. zijn we in Arzua in een mooi hotel. Johan haalt zijn mooie kleren boven en maakt zich klaar. Bij mij is dat vlug gebeurd zodat ik nog ruim de tijd heb om een sudoku in de krant op te lossen. Die avond zijn we toeristen wanneer we gaan eten en door de stad wandelen.
Woensdag 20 juni Voorlaatste rit. We willen vandaag de vredewens delen met ieder die ons voorbij steekt of die we ontmoeten. Met “Buon Camino” of “vanwaar ben je” open je de deur van velen en Vlamingen vinden altijd wel een of andere taal om met “vreemden” in contact te treden. Overal ontmoet je Nederlanders; zo ook hier ontmoetten we fietsers uit Venlo. Ze waren al lang onderweg Voor eenmaal hadden we een hotel gereserveerd maar toen we op het plaatsje aankwamen bleek het hotel 10 km verwijderd van die plaats. Nergens was er plaats. Dus iets gaan drinken in de Albergue en ons probleem uitleggen aan de Patron. Hij telefoneerde met de baas van het hotel dat we reserveerden en ja het lukte. Hij kwam ons halen. Met een sportwagen naar hotel Bello. De duurste verblijfplaats. We zitten op 17 km van Compostela en 4 km van de Camino . Donderdag 21 juni. Begin van de zomer en laatste tocht. De processie eindigt met het sacrament, Jezus in de Torenmonstrans. St. Jacob wacht ons op in de torenkathedraal van Santiago. Uitzien naar…….. en opkijken naar... is de spirit van deze dag; bewolkt, regenachtig, af en toe een streepje zon en af en toe een steile klim. Om 12.30u komen we aan op de Monte do Gozo: de berg van de vreugde. Het lang verwachte punt: Compostela zie je in de diepte liggen. In de St. Marcoskapel gaan we een kaarsje branden uit dank en voor alle mensen onderweg: Hou hen opweg. Nu is het nog een 7-tal km doorheen de wijken naar het hartje van de stad. De Kathedraal. We nemen de tijd en de nodige tussenstop zodat het 16u is als we op het plein toekomen. Even tot midden op het plein, omringd door mooie historische gebouwen en voor u de kathedraal met zijn robuuste en rijzige toren, mannelijk en vrouwelijk, naast elkaar. Je wordt er stil van en diep blij: je kijkt, bewondert. We zijn er! Jan, ik ben er! Dank je wel, Johan mijn veilige gids. Samen gaan we naar het bijgebouwtje waar je je diploma kan afhalen na het voorleggen van alle stempels die je onderweg verzameld hebt en die getuigen zijn van de weg die je hebt afgelegd. Daarna gingen we in de kathedraal: St. Jacob gaan omhelzen en bedanken en eventjes gaan bidden en offeren in de crypte bij zijn graf. We zullen nog drie dagen in Compostela verblijven maar dat is een ander verhaal.
F en J.
|
||
|
|
Een zaterdagvoormiddag tijdens de vakantie. Ik had niet veel te doen. Dus ging ik enkele “kadertjes” van dopelingen die niet waren afgehaald thuis brengen bij de jonge gezinnetjes. Als zij niet naar de kerk komen, gaat de kerk hen opzoeken. Zo kwam ik in Hoogstraten in de Achtelsestraat. Appartementsblok 72 nr 4. Daar moest het zijn, maar nergens op de brievenbussen was de gezochte naam te bespeuren. Gelukkig zag ik op ’t terras enkele mensen zitten koffiekletsen. Even aankloppen. Zet je bij!... Een tas koffie?... Zo zaten we daar: Swa, Angéle, een Loenhoutse bezoeker en Biebie. Amaai Swa! zei ik; vroeger zei men: “Loenhout heeft de macht (centen) en Hoogstraten de pracht” maar tegenwoordig zitten ook de centen in Hoogstraten. Een appartementsblok van dat kaliber!. Swa bleef er nogal rustig bij. Ja, zei de bezoeker, maar misschien komt dat door al dat Loenhouts volk dat in Hoogstraten terecht is gekomen. Swa zweeg; hij besefte dat hij in de minderheid was; bovendien was zijn moeder ook van Loenhout. Ja, zei de bezoeker: In den tijd van de gas kwam Loenhout nogal eens in ’t nieuws. Opdat de luisteraars zouden weten waar dat b.r.g.t. lag zegde hij: “In Loenhout bij Hoogstraten wordt er momenteel gezocht naar gas”. Loenhout in de schaduw van Hoogstraten. Ondertussen hebben nogal wat Loenhoutenaren hun weg gevonden naar Hoogstraten: hun centjes gedeponeerd in de warenhuizen of de banken. En nu Jef Van Looveren stilaan een vaste waarde wordt in de parochie krijgt ook het kerkgebeuren een Loenhouts tintje. Binnenkort wordt het gezegde uit de tijd van de Van Dongens weer bovengehaald: “Hoogstraten door Meir geregeerd en door Loenhout bekeerd”. Ja, de mensen zijn blij met de komst van Jef Van Looveren, wisten ze te vertellen. Zijn goede faam uit Rijkevorsel en zijn geëerde naam uit Vosselaar maken hem al vlug geliefd in Hoogstraatse kringen. Zelf kan ik dat alleen maar beamen en mij aansluiten bij de vreugde om zijn komst. Hier en daar hoor ik ook aleens zo van die uitlatingen: “Zou dat niet”?!
Zo ging het gesprek al vlug over de “pastoors van vandaag”. Het is er niet eenvoudiger op geworden en ook de mensen zijn veranderd. Ze staan heel anders tegenover de pastoor. Uit eigen ondervinding kan ik daarvan meepraten. Als je 30 jaar geleden op huisbezoek ging dan was je welkom en verwacht. Soms werd het zelfs hardop gezegd: “Da’s zolang geleden dat er nog een pastoor langs kwam”. Wanneer ik tegenwoordig op huisbezoek ga – als dat nog kan – dan heb ik soms het gevoel: “je bent welkom maar niet verwacht”. Ze voelen zich wat onwennig met een onverwacht bezoek. Sommige begeleiders van de pastoraal stellen zelfs de vraag of je dat nog wel mag doen: zomaar op bezoek gaan bij iemand in de parochie zonder dat je gevraagd wordt. Je weet wel; onze moderne tijd met zijn respect voor de privacy. In de ziekenhuizen is het haast onmogelijk als priester zomaar op bezoek te gaan. Wie ligt er? Wie wenst bezoek? Als de familie het niet duidelijk en schriftelijk heeft te kennen gegeven dan sta je nergens. Begrijpelijk dat de leken die de priester hielpen bij het ziekenhuisbezoek bijna allemaal hebben afgehaakt. “We maken ons meer slechte vrienden dan goede door al die reglementeringen” zegden ze. Ja, de tijden zijn veranderd en wij zijn de tijden! Neem nu bv. de kinderen: Welk beeld hebben kinderen van een priester? Laatst was ik op bezoek in een jong gezin. De kindjes moesten nog gedoopt worden. “Ik ben de meneer van de kerk” zei ik tot de kinderen 5 en 4 jaar. Waaraan kan je dat zien”? vroeg ik terwijl ik het kruisje op mijn jas ostentatief naar voor hield. “Aan uw haar” was het antwoord. Het deed me denken aan een collega die op klasbezoek ging in het 2de leerjaar en de vraag kreeg: “Mr. pastoor, waarom moet je oud zijn om priester te zijn”? Meteen wist ik hoe hij naar mij keek maar ook hoe kinderen vandaag de priester ervaren. Toen ik jong was, was er altijd wel een seminarist in toog die de kindermis in Loenhout leidde. Zo keken wij zelf op naar jonge mensen die priester werden en kinderen groeiden op met het beeld van de jonge onderpastoor op ’t dorp of de jonge proost in de jeugdbeweging. Ja, De tijden zijn veranderd en wij zijn de tijden. Ondertussen was de cappuccino stilaan opgeraakt en de tijd van gaan gekomen. Het Loenhouts onderonsje had blijkbaar niemand verveeld. “En toch, zei Angéle, denk ik dat er nog vele mensen blij zijn om eens een babbel te doen met de priester”. Een positieve noot. “Laten wij die van Loenhout zijn, zei ik, maar blij zijn als de maan. Die is blij dat ze het licht mag ontvangen van de zon en zo ’s nachts de duisternis in de wereld kan verlichten. En Swa: wil jij dat “kadertje” bezorgen aan je ex huurders”?” Komt in orde! Bedankt en tot ziens!
A.Van Dijck
|
||
|
|
Als we ziek zijn, zijn we blij dat er iemand bij ons is om ons te bemoedigen, ons lijden te helpen dragen en te verzachten. Familieleden, verplegend personeel, pastorale begeleiders en geneesheren hebben hierbij een bijzondere roeping en verantwoordelijkheid. Ook Jezus had bijzondere aandacht voor de zieke mens. We lezen het vaak in het evangelie. Als teken dat Hij ook nu ons nabij wil zijn als we ziek zijn heeft hij ons het sacrament van de ziekenzalving geschonken. De priester mag in Jezus naam vergeving schenken van onze zonden, de zieke de hand opleggen als beschermend gebaar, hem zalven met de H. Olie tot kracht en verlichting en hem de communie aanreiken.
Het is goed dat bij dit gebeuren, zo mogelijk ook de familie en mensen van de zorg ook aanwezig zijn. Zij zijn ook een teken van Jezus zorg voor de zieke mens.
1. Elk jaar wordt in het rusthuis een gezamenlijke viering van de ziekenzalving gehouden. Dit gebeurt gewoonlijk op woensdag voor Palmzondag om 14.30u (28 maart 2007) in de stille ruimte. In de viering gaan zoveel mogelijk priesters en pastores van de fusie Hoogstraten voor. Ook de mensen van de Palliatieven zorg en van de liturgie zijn aanwezig. De familie wordt op de hoogte gesteld en kan aanwezig zijn. (Bejaarden die liever de ziekenzalving op hun kamer ontvangen kunnen dit meedelen).
2. De gezamenlijke ziekenzalving geeft de bejaarden jaarlijks de gelegenheid stil te staan bij de laatste levensfase in hun leven (zonder onmiddellijke druk). Door de ziekenzalving leggen ze de toekomst in Gods handen en geeft de Heer hun een teken van zijn nabijheid en zijn kracht om deze levensfase hoopvol te leren doormaken. Het gezamenlijk vieren geeft hen ook het gevoelen dat zij lotgenoten zijn die bondgenoten worden en tochtgenoten naar het levenseinde. De aanwezigheid van de gemeenschap, familie, vrijwilligers, personeel geeft hen ook het gevoel dat zij door goede mensen omringd zijn die hen zullen nabij blijven op die tocht en hen helpen de overtocht naar de andere kant te maken. De ziekenzalving kan maar ontvangen worden als de zieke nog bewust kan deelnemen aan het gebeuren. In andere omstandigheden is de stervenswijding aangewezen als gelovige begeleiding.
3. De stervenswijding. Naast het sacrament van ziekenzalving heeft de kerk ook een ritueel voorzien. We noemen dit ritueel “De stervensbegeleiding”. Zij is de aangewezen vorm: - In geval de zieke, die reeds de ziekenzalving heeft ontvangen, naar het einde toe, zo mogelijk met de familie, biddend wil afscheid nemen. - In geval de zieke niet meer de ziekenzalving kan ontvangen (bv. in geval van coma, in geval plots van overlijden) en de familie gelovig en biddend rond de zieke wil samen zijn. De stervenswijding is een mooi gebeuren waar ook de verbondenheid van de familie met de stervende en met elkaar op een sterke wijze kan worden uitgedrukt. In het licht van de dood worden banden weer sterker, bruggen gebouwd voor de toekomst en het gevoel sterk gemaakt dat alles goed is tussen de stervende en de familie. De stervenswijding is een mooi gebeuren, zeker wanneer het gebeurt door mensen die reeds langere tijd de zieke en hun familie hebben begeleid met de palliatieve en pastorale zorg.
Wij zijn blij dat wij in het rusthuis een palliatieve en pastorale dienst hebben die deze taak ter harte neemt. Priester en leken hebben hier een belangrijke en eigen verantwoordelijkheid. De ziekenzalving is voorbehouden aan de priester. De stervenswijding is de eigen taak voor de pastorale verantwoordelijken. De verantwoordelijken van het rusthuis zullen op het moment dat het levenseinde nadert de vrijwilliger palliatieve zorgen van de afdeling oproepen indien de familie of de bejaarde dit wenst.
|
||
|
|
De twee lezingen van vandaag gingen beiden over “melaatsen”. Wat we over melaatsheid weten is dat zij uitgesloten werden uit het gemeenschapsleven. Ze werden gemeden als de pest. Er was voor hen geen plaats in de herberg van de mensen. In de beide verhalen is er iemand die het opneemt voor deze mensen. Elisa de man Gods en Jezus de profeet uit Nazareth. Noch Elisa, noch Jezus geneest de melaatsen. Ze luisteren naar de noodkreet van de mens en zij verwijzen hen naar de instantie die de mensen kan helpen. De Syriër Naaman moet naar de Jordaan gaan en zich zevenmaal onderdompelen in het water. Jezus stuurt de melaatsen naar de priester, naar de instantie die kan bepalen of zij er nog bijhoorden of niet.
Luisteren naar de nood van mensen en hen de weg wijzen naar de plaats waar geholpen wordt of waar mensen zijn die verantwoordelijkheid dragen voor de samenleving. Vandaag op deze Nationale ziekendag wordt ook onze aandacht gevraagd voor mensen die door ziekte of handicap niet ten volle kunnen deelnemen aan het gemeenschapsleven. Het is natuurlijk gemakkelijk onze politiekers de les te spellen, en te hen vragen een beleid te voeren dat aan alle mensen de nodige kansen biedt. Er voor te zorgen dat onze gebouwen en onze diensten toegankelijk zijn en betaalbaar voor iedereen. Door mee te doen aan deze actie steunen we inderdaad de initiatiefnemers van CM bij hun politieke actie rond mobiliteit en vervoer enerzijds en rond toegankelijkheid anderzijds. Ook in het parochieblad kan je hierover een mooi artikel lezen.
Als wij in het spoor van de profeet en van Jezus gaan staan dan wordt van ons meer gevraagd. 1. Luisteren naar de nood van mensen. De mensen de kans geven om met hun vragen en zorgen naar buiten te komen. Ontmoetingsplaatsen en momenten tussen zieken en gezonden - en wie is niet ziek en iedereen is nog een beetje gezond - zijn belangrijk in onze welvaartwereld. Luisteren niet enkel met onze oren, maar met ons hart. Wie luistert met zijn hart komt in beweging, blijft niet bij de pakken zitten maar zal iets ondernemen. Vele ziekenzorgkernen proberen deze dagen iets te doen om zieken en gezonden dichter bij elkaar te brengen. Maar ieder van ons wordt uitgenodigd zich te bezinnen over de vraag: wat kan ik doen voor mensen die minder mobiel zijn of voor mensen die chronisch ziek zijn.
2. De mensen de weg wijzen naar plaatsen of instanties die kunnen helpen. Vaak weten mensen niet waar ze terecht kunnen, waarop ze recht hebben. Hoe ze kunnen geholpen worden.
3. Wat mij ook opvalt in beiden verhalen is dat de melaatsen zelf ook iets moeten doen. Wegwijzer zijn is belangrijk. Ze worden op weg gezet. Ze moeten zelf ook iets doen. “Ga naar de Jordaan en was je zeven maal”, zegt de profeet. “Ga naar de priesters en laat je zien”, zegt Jezus. Mensen op weg zetten en op weg helpen is ook een belangrijke evangelische houding. Het moet niet allemaal tevoren gedaan worden; mensen helpen tot zelfredzaamheid is een weldaad voor de betrokkene.
4. Ten slotte willen beide bijbel verhalen onze ogen openen voor de diepste werkelijkheid: Gods werkzaamheid in deze wereld. De Syriër Naaman keerde terug naar de profeet Elisa, ging voor hem staan en zei: “Nu weet ik dat er in Israël een god is en nergens anders op aarde”. En één van de tien melaatsen keerde terug” toen hij zag dat hij genezen was”. Hij verheerlijkte God met luide stem. Zij hebben de diepste werkelijkheid gezien: “Gods werkzaamheid in deze wereld. “En dat brengt de mens de diepste genezing, de diepste heling. Hierdoor wordt een mens weer “heel”. Daarom zegt Jezus: “Uw geloof heeft u gered”.
|
||
|
|
Midden in het leven staan wij in de dood. Midden in de dood staan wij in het leven.
Tijdens het voorbije jaar werden jullie geconfronteerd met de dood van een geliefde. Bij de ene kwam de dood onverwacht: een ander zag het levenseinde stilaan aankomen; een derde werd brutaal geconfronteerd met de dood. Ieder draagt zijn verdriet. Midden in het leven staan wij in de dood. Maar hoe moet het verder?
Er bestaat een oud Chinees verhaal over een vrouw wier enig kind stierf. Ontroostbaar was ze en in haar groot verdriet ging ze naar de wijze van het dorp. Hoe moet ik verder leven? Kan je me helpen. Heb je een medicijn? De wijze man zei: “Breng me een mosterdzaadje maar uit een huis waar nooit verdriet om een dode was. Dat zullen we gebruiken om uw verdriet te verdrijven”. De vrouw ging meteen op pad. Belde aan bij een prachtig Herenhuis, daarna aan een boerenhof, tenslotte bij een arme hut. “Hebben jullie een mosterdzaadje”, vroeg ze telkens. “Tuurlijk” was het antwoord. En ben ik hier in een huis dat nooit verdriet om een dode heeft gekend”? De mensen zwegen, ze schudden het hoofd. Bij sommigen kwam het verdriet in de ogen. Toen begreep de vrouw: dood en verdriet horen bij het leven. Vandaag bij mij, morgen bij jou. Midden in het leven staan we in de dood. En ze dacht na over al die mensen met verdriet en zei bij zichzelf: “Wie is er beter in staat om deze bedroefde mensen te helpen dan ik die droefheid ken?” En overal waar ze aanklopte met haar vraag, bleef ze een poosje om te troosten. Zo ging ze vragend en troostend verder op zoek naar het magische mosterdzaadje dat het verdriet uit haar leven had verdreven en ze begreep: Midden in de dood, staan wij in het leven.
En de engel sprak tot de vrouwen aan het graf: “Hij is hier niet. Hij gaat u voor op de weg naar Galilea, het dagelijks leven
|
||
|
|
”Made in China” zo lazen wij het reeds als kind, toen we nog geen engels kenden. Het was gemaakt in China en dat was voor onze kinderwereld heel ver. China daar werden de kinderen ten vondeling gelegd en de voetjes van de meisjes “verminkt” om niet te kunnen lopen. Ondertussen lezen we: Made in China en weten we dat het over een onmetelijk land gaat met 1,3 miljard mensen, met een economische explosie en een groeiend aanzien bij de grootmachten van deze wereld. Tussendoor gaan we eens lekker chinezen. De Olympische spelen volgend jaar zullen het visitekaartje van China worden voor de hele wereld.
Op onze dagen heeft men het vaak over globalisering en mondialisering. De wereld is een dorp geworden en de dorpeling moet een wereldburger zijn. Wanneer dat voor iemand waar is dan is het voor de christen. Vanuit ons geloof worden wij opgeroepen wereldwijd te denken en heel concreet te handelen. Zo is immers ook onze God, vader, Zoon en Geest. God denkt globaal maar handelt steeds lokaal. Hij heeft een liefdesplan voor de hele wereld, maar hij begint met een concreet iemand: Abraham en zijn nageslacht. Zij worden geroepen niet voor eigen verdienste of geluk maar om drager te zijn van een wereldwijde belofte: In u zullen alle geslacht gezegend worden.
Ook in de bijbelse traditie lezen we keer op keer de oproep tot wereldwijde broederlijkheid die christenen moet kenmerken. Bij zijn Hemelvaart vertrouwt Jezus zijn apostelen toe: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga en maakt alle volkeren tot leerlingen”.Doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. Leer hun alles onderhouden wat ik jullie geboden heb. Weet wel, ik ben met jullie tot aan de voleinding van de wereld”. Wij, christenen, liggen dus aan de wieg van de globalisatie. Een globalisatie van verbondenheid, solidariteit en broederlijkheid.
Christenen zijn geroepen om te zijn zoals hun God: “Globaal denken en concreet handelen. Ieder jaar met missiezondag staan we stil bij de werelddroom van God, maar we zetten ons in voor een klein stukje concrete wereld. Ernest Kabongo, Zaïrese priester en verantwoordelijke voor Missio in ons land schrijft: In deze geglobaliseerde wereld staat China vandaag enorm in de belangstelling. Het land is een echte bouwwerf met de Olympische spelen die er komende zomer zullen plaats vinden en de enorme economische groei die er volop aan de gang is. Maar meestal gaat die economische groei ook gepaard met structuren van uitsluiting en uitbuiting. Daarom willen we met “Geloof, globalisatie en China” verwijzen naar de missie van de kerk in China.
“Made in China” wil dus verwijzen naar de mens in China en wat hem of haar diep van binnen raakt of drijft. “Made in China” richt zich vooreerst tot de armen en allen die uit de boot van de nieuwe Chinese welvaart vallen. Want de universaliteit van het evangelie steunt op de rechtvaardigheid en de waardigheid van iedere mens als beeld van God. In China is er nood aan deze boodschap. veel Chinezen hebben interesse voor Jezus’ boodschap. Maar ze moeten hun geloof, helaas, al eeuwenlang beleven in de context van verdachtmaking en soms van vervolging en marteldood.
De Chinese kerk staat vandaag voor grote uitdagingen. in de loop van vorige eeuw is de kerk in China verdeeld geraakt in een officiële en ondergrondse kerk. Lang werd er gedacht dat er een schisma was ontstaan. Maar vandaag is duidelijk dat beide kerken trouw zijn aan Rome. Daarom riep Paus Benedictus XVI in juni de Chinese christenen via een herderlijke brief op om zich te verzoenen. Die verzoening is dus een eerste grote uitdaging.
Wij, christenen hier, worden geroepen, om ons, ondanks de eigen zorgen en moeilijkheden, open te stellen voor een echte uitwisseling met de Chinese kerk in een geest van de wederzijds respect. Want China met nauwelijks tien miljoen christenen op een totaal van 1,3 miljard inwoners kan ons inspireren in ons geloof, door haar lange bewogen geschiedenis van vervolging en verdrukking, door haar koppige moed en het enthousiasme van de Chinese christenen.
Vandaag op missiezondag, willen wij onze verbondenheid met de Chinese christenen en met de hele wereldkerk extra in de verf zetten en ook vertalen in financiële solidariteit. De collecte gaat integraal naar het solidariteitsfonds van Missio waarmee de diaconie van de Chinese kerk en van de vele zusterkerken wereldwijd ondersteund worden. Op die manier willen wij als gelovige gemeenschap samenleven, samen vieren en samen een meer rechtvaardige samenleving opbouwen in en geest van gelijkwaardigheid, vriendschap en wederzijds respect.
|
||
|
|
Wij vieren vandaag Allerheiligen en Allerzielen: een dubbele viering en elk van hen zegt iets belangrijks over de mensen die we gedenken.
Aller-heiligen: het gaat over alle mensen: alle mensen zijn heiligen, dragen iets heiligs in hun leven. Dat heilige willen we eren, naar dat heilige willen we opkijken. Dat heilige willen we vasthouden. Dat heilige van elke mens is meer dan iets uiterlijks, iets opvallends het zit diep van binnen. Dat heilige is ons van huis uit meegegeven want we werden geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Het is een Goddelijk beeld dat in ieder mens verborgen zit, als een kunstwerk in een houten of een arduinen blok. En elke mens heeft door zijn handel en wandel de goddelijke kentrekken uitgekapt of geboetseerd. En met Allerheiligen kijken we naar het mooie, het heilige in elke mens en het is ons heilig als iets kostbaars dat we niet willen vergeten. In de liturgie hebben we vooral dat heilige bezongen. In een hemels visioen werd ons gezegd: het heilige overleeft de dood. Het hoort bij God en zijn heerlijkheid. Witte gewaden en palmtakken in de hand in een schare die niemand tellen kan. Zo staan ze voor Gods troon. Beelden die het onuitsprekelijk proberen op te roepen. En tot achtmaal toe wijst Jezus op de heilige kentrekken die onze dierbaren droegen: Zalig de armen, de treurenden, de zachtmoedigen de rechtschapene, de eerlijken en barmhartige. Zovele kentrekken die Jezus zalig prijst. Zo vieren we Aller-heiligen.
Maar er is niet alleen Allerheiligen er is ook Allerzielen. Elke mens is ook een beetje aller-zielen….. een beetje zielig, onvolkomen, aards en vergankelijk ja zelfs zondig. Het heilige is verbonden met het zielige en vandaag mogen we ook bij het zielige van onze mensen stilstaan. We moeten het niet wegmoffelen of verdoezelen: we moeten het durven laten zijn zoals het was. Het zielige en het heilige van onze mensen samenhouden, zo gedenken christenen hun overledenen. Met Allerheiligen worden de graven opgepoetst en versierd met mooie bloemen. We willen ze in de bloemetjes zetten. Iemand zei mij enkele dagen geleden: “Mijn graf moeten ze niet elk jaar liggen afschuren. Laat het maar de sporen van de tijd dragen. Zo zijn we toch zelf ook”. De mens onder de steen draagt de sporen van vergankelijkheid.
Zo vergankelijk en zielig is de mens en zo vergankelijk en zielig zijn wij mensen die vandaag over het kerkhof lopen, bedrukt of met de flair dat ons niets kan overkomen. Ook wij zijn Allerheiligen en Allerzielen. Hoe dragen we zorg voor het heilige in ons leven. Hoe gaan we om met onze zieligheid. En luisteren we vooral naar de boodschap van de overledenen. A. Van Dijck.
|
||
|
|
Staan bij een graf. Maria stond buiten, bij het graf; te huilen. Dat is de wereld van mensen in rouw deze dagen. Buiten: ze moeten naar het kerkhof. Ze huilen: ieder op zijn manier, soms duidelijk van buiten, soms van binnen, soms nat, soms droog. Ze probeert naar binnen te kijken. Zo menselijk. Je probeert door die steen, die zerk met je hart en je gevoel tot bij de mens te geraken die gestorven is. Maar het valt tegen: ze vindt hem niet. De mens die je zoekt is zoveel meer dan wat er ligt onder die zerk. Je weet dat de mens die hier ligt niet de mens is die je hebt gekend of lief gehad. Ook nu zijn er twee engelen of andere figuren die je vragen waarom je huilt. Geen engelen van goedkope troost, maar die je op verhaal laten komen. "Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd". Dit is het verhaal van zovelen onder u: Dat altijd maar zoeken en niet vinden, vragen en geen antwoord. Het is een verhaal dat lang kan duren, dagen, maanden, jaren. Gelukkig komt er een moment dat men zich omkeert. Je bekeert je. Dit is een belangrijk moment: Maria keert zich om, bekeert zich van de dood naar het leven, van het graf naar de mensen. Deze ommekeer betekent ook een nieuw begin. "Verwerkt verdriet". Verwerkt verdriet betekent niet dat je je met de dood van uw geliefde hebt verzoend. Dat doe je namelijk nooit. Maar dat je met je verdriet gaat werken, dat je weer het leven in handen neemt. Wie zich kan omkeren aan een graf kan de handen van wie erin ligt in zijn rug voelen, zelfs de adem in zijn nek en kan een stem horen die zegt: moeke, vake, manlief, vrouwlief, leef voort, leid je eigen leven verder. Misschien zeggen ze wel wat Yvonne van Emmerik dichtte:
Sterf niet met mij…… Sterf niet met mij. Als je mij nog iets wilt geven dan zou ik vragen: Sterf niet met mij, omhels het leven. Je mag bedroefd zijn maar wanhoop niet, verdrink niet in te groot verdriet. Als je mij nog iets wilt schenken, dan zou ik willen: Blijf de toekomst zien, blijf hoopvol denken zodat je uitgroeit en voluit leeft, het leven alle kansen geeft.
A.Van Dijck Jo.20,11-18
|
||
|
|
Het is maar een zielig zicht wanneer je langs de kippenwei naar de pastorie gaat. De kippen zitten volop in de ruif. De bruine loopt rond met een bloot achterwerk. De grijze Mechelse koekoek vertoont kankerachtige pluimuitval en de witte probeert zijn blote borst te verbergen. Ook onze landloper en zijn vriendin weten van het onheil. Voor enkele weken kwamen ze elke morgen als ik de garagedeur open deed, fier acte de presence brengen, terwijl ze hun nek uitstaken naar links en rechts zoals de mannequins in de modeshow. Nu zijn ze niet te zien. Ze zitten verscholen achter een struik, kop in kas en ineengeschrompeld voor de kille herfstochtend. Ze missen blijkbaar hun warme wintertrui.
Ook in het kippenhok is het crisis geblazen. De eierproductie is minimaal en nog nauwelijks genoeg voor de eierkoek tussen mijn boterhammen op de wekelijkse wandeldag. Spek met eieren na de ochtendwandeling zit er niet meer in. “De tering naar de nering” zegt Lieva verontschuldigend. Alleen de haan blijft onberoerd bij heel dat gebeuren. Hij verliest niets van zijn vederdons en stapt nog even plechtstatig over zijn domein zoals de paus over het Sint Pietersplein. Hij straalt de boodschap uit: Mensen niet in paniek. Dit gaat voorbij. Geduld, er komen beter tijden. Hij blijft rustig zijn kippengezin bij elkaar tokken als ik het eten over de draad gooi. Hier is het te doen! Vooruit, niet bij de pakken blijven zitten. Het is alsof hij als een goede loods zijn kippenboot naar de haven wil leiden. Juist in deze tijd van crisis in de kippenwei las ik de uitspraak van Michel Van Bosstraeten, bisschoppelijk vicaris, die bij zijn afscheid zei: “De kerk is niet doodziek, ze zit in de ruif”.
De ruiftijd in de kerk is wellicht ook niet zo’n aantrekkelijk zicht, net als in het kippenhok. Je ziet vooral alles wat verloren gaat en minder wellicht dat er hier en daar reeds kleine nieuwe vedertjes uitschieten, voorbodes van nieuwe uitstraling. Nieuwe pluimen zullen er komen, mits goede zorgen en geduld. De kerk zit in de ruif. Daarover wordt in alle toonaarden gezongen. Lege plekken in de kerk, mensen die kop in kas zich op zichzelf terug plooien, en dalende activiteitsgraad op vele vlakken. En toch: het gaat voorbij. Hier en daar zie je lichtpuntjes. Op het secretariaat zie ik veel bedrijvigheid: Allerheiligen, Parochieblad, Kerstmis. Ze trekken weer op pad de vele vrijwilligers om alles aan huis te bezorgen. Het parochieteam neemt stap voor stap de eindverantwoordelijkheid voor de toekomst in handen. Natuurlijk gebeurt dat ook op eigen ritme en met zoeken en tasten. De kerkwachters die weer voor een open kerk zorgden en de kerkraad die zijn voelhorens uitsteekt om volgend jaar 50 jaar wederopbouw Toren te vieren is je toch niet ontgaan? Jozib heeft zijn tent opgeslagen temidden van de Hoogstraatse jongeren: het kan een lichtpunt zijn. Dat ondertussen ouders bezig zijn met de kinderen voor te bereiden op de eerste Communie en Vormsel wordt niet van de toren geblazen, maar het is wel een nieuwe lente…... nieuwe veders. En in de wekelijkse liturgie worden de zaadjes gezaaid door koren, leken en priesters en langs hen door de Heer zelf zaadjes; die misschien nog de wintertijd nodig hebben om te ontkiemen en voor een nieuwe lente te zorgen.
Wat ik over Hoogstraten schrijf kan ieder aandachtige lezer vertalen naar zijn parochie en zijn situatie. De kerk is in de ruif. Het is niet de gezelligste tijd, er is verlies van pluimen en de perceptie is niet zo aantrekkelijk maar onder dat alles klopt een hart dat zich voedt aan diepere bronnen en zo deze tijd zal doorleven en overleven in een nieuwe tijd. Kijk naar het haantje op de toren. Hij staat altijd met de kop in de wind. Zo moeten christenen zijn in deze tijd. Windklievers.
A. Van Dijck
|
||
|
|
Tijdens de donkere decemberdagen ga ik ’s morgens niet wandelen in de bossen, maar in de verlichte dreven aan de kolonie. Van noord naar zuid (Casino-Merksplas) Van oost naar west (werkhuizen- Wortel) Ze vormen een kruis en op het kruispunt staat het bushokje. Elk jaar wordt het omgetoverd tot een sfeervolle kerststal. Het was er druk die eerste maandag van december om 7.30u. Hoogstraten schakelt over op Diftar ophalingen en de mensen van dienst waren al druk bezig de afvalcontainers te verwisselen en het nieuwe systeem op gang te trekken. Ieder van ons heeft ermee te maken, want vervuilers zijn we allemaal. Afval verzamelen, omvormen en recycleren dwz. opnieuw in de cyclus van het leven brengen. Aan de werkhuizen van ’t gevang ging juist de grote poort open en een grote groene camionette, met alleen boven getraliede ramen reed buiten; wellicht met gevangenen op transport gezet voor elders. “ t’Dievenkarke” noemden wij die als kind. En toen ik in de richting van Wortel stapte kwam ik een gelijkaardige tegen die wellicht nieuwe klanten transporteerde voor Wortel. In de gevangenissen gaat het een beetje zoals buiten met het afval: verzamelen, omvormen en proberen te re-cycleren……… terug in de cyclus van het maatschappelijk leven brengen. Juist op het kruispunt van dit menselijk bezig zijn staat nu het afgedankte bushokje, gerecycleerd tot een sfeervolle kerststal. Mooi, zo’n kerststal vlak bij het huis van miserie dat een gevangenis is. Het zegt mij: God wil wonen in de donkere hoeken van onze wereld, zoals het kerstlied zingt dat ik elke morgen bij mijn wandeling bij de kerstal zing: “ Uit uw hemel zonder grenzen Komt Gij tastend aan het licht met een naam en een gezicht even weerloos als wij mensen”. God is niet vies van wat de mensen zoal wegdoen, niet meer tellen. Hij blijft de mensen verzamelen, ze omvormen en terug sturen in de wereld. Een beetje oneerbiedig zou je kunnen zeggen: Het kind van Kerstmis wil de mensen verzamelen, omvormen en “recycleren” terug in de levenscyclus brengen… zodat zij hun zijn eigen plaats weer kunnen innemen tussen de anderen.
Bij mijn thuiskomst walmt de warmte, met geur van verse koffie mij in ’t gelaat. Het spiegeleitje oogt heerlijk en brood soppend geniet in van een smakelijk ontbijt. Het ochtend ritueel sluit ik telkens af met een stukje brevieren. “Het morgengebed van de kerk”. Een dagelijks gebeuren dat soms heel automatisch verloopt. Maar in de Advent is er elke dag een eigen lezing en mooie Adventsgebeden. Dat nodigt uit tot meer aandachtig bidden. “Kom laat ons optrekken naar de berg van de Heer Hij zal ons zijn wegen leren. Wij zullen ons door Hem laten leiden” zegt de profeet. “Kom, Heer Jezus Help ons hartelijk te zijn voor iedereen, laat onze vriendelijkheid bekend zijn bij iedereen” bidt de kerk Ondertussen heeft Lieva de computer opgestart, de binnengekomen mails afgenomen en netjes klaar gelegd om beantwoord te worden. Zo start een nieuwe dag.
Zalig Kerstmis A. Van Dijck.
|
||
|
|
Ma, kunnen we dat cadeautjes kopen en pakjes geven niet afschaffen. Dat is toch niet nodig. Kerstmis op zich is toch een geschenk. We kunnen toch samen kerstmis vieren. Ik was verrast maar er liggen dit jaar geen pakjes onder de boom. In ben benieuwd wat het worden zal. Dat jonge mensen al die glitter en glamour en commercie rond Kerstmis beu zijn, wijst er misschien wel op dat ze willen dat Kerstmis meer naar de binnenkant zou beleefd worden dan naar den buitenkant.
Laten we proberen dat vanavond te doen. 1. Laten we eerst naar de kerstal kijken. Fransciscus van Assisi heeft in 1200 het Bijbels visioen op een volkse wijze voorgesteld. Kijken we met hem mee: Centraal staat Maria en Jozef en het kind in de kribbe. Rond hen de os en de ezel, de herders met hun schaapjes en de koningen met hun geschenken en boven hun hoofden prijkt de engel zingende Gods Vrede sjaloom voor de mensen. Daar waar mens en dier in harmonie leven met elkaar, daar waar arme herders en rijke koningen knielen voor een kind, daar waar hemel en aarde verbonden zijn daar is Gods droom aanwezig tussen de mensen, ook al staat die kerststal haaks op een wereld vol oorlog en haat en mensen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Laten we thuis toch maar het kerststallekke zetten, ook al zijn de kinderen groot en de kleinkinderen er nog niet. De kerststal met zijn vertrouwde figuren houdt de droom van God in ons midden en het heimwee in ons hart.
2. Kijken we ook naar het kind. Niet zonder reden plaatst de evangelist Lucas de geboorte van Jezus tegen de achtergrond van het historische rijk van Keizer Augustus en de volkstelling. Hoe klein en onopvallend het gebeuren in Bethlehem ook is, toch wordt hier geschiedenis geschreven, ja komt de geschiedenis op een keerpunt. Later zal men inderdaad spreken over de tijd voor Christus en de tijd na Christus. Kijken we naar het kind. God is zo groot dat Hij klein kan worden als het armste kind. Zo universeel dat hij particulier kan worden, deze mens. Zo arm menselijk dat Hij in doeken is gewikkeld en liggend in een voederbak van de dieren. Hij heeft de minste plaats gekozen, niemand kan hem die ontnemen. Tegelijk is dit kind zo Goddelijk dat herders en koningen voor hem knielen en hem aanbidden: Zoon van God, zoon van Maria. Profeten noemen hem: wonderbaar raadsman, Goddelijke held, Vredevorst. Oriënt. Een groot licht voor het volk dat in het donker wandelt. De goedheid en de mensenliefde van onze God is in Hem op aarde verschenen. Immanuel God met ons. Alleen met de ogen van het geloof kunnen we dat zien en met daden van liefde dit ervaren.
3. Laten we ten slotte niet enkel naar de kerststal kijken en het kind bewonderen. Zetten we een stap in de Kerststal, durf je plaatsen bij de kribbe, Maria en Jozef. Wanneer je in de stal gaat staan ga je anders kijken naar het leven en de wereld. Je gaat plots ontdekken dat er een dak boven je hoofd, beschutting in je rug en vaste grond onder je voeten is; dat is het wat dit kind over zijn God heeft verteld. En voor je krijg je een breed perspectief dat je uitnodigt verder te gaan….. er is uitzicht, er is toekomst, ga op weg. Daartoe worden wij uitgenodigd telkens de Heer in ons midden komt in de tekenen van brood en wijn, schamele tekens maar bron van leven voor hen die geloven. Dan zal de droom van God en de boodschap van het kind mens worden in deze wereld en in ons bestaan. Dan zal de sjaloom van God, de harmonie van de vrede ook ons deel zijn.
Zalig Kerstmis! A Van Dijck
|
||
|
|
In de zandbak
Het meeste van wat ik echt nodig heb om te weten hoe te leven en wat te doen en hoe te zijn, heb ik geleerd op de kleuterschool. Wijsheid regeert niet op de top van de academische berg, maar daar in de zandbak.
Dit zijn de dingen die ik leerde: Samen delen. Geen ruzie maken. Anderen niet slaan. Leg de dingen terug waar je ze hebt gevonden. Ruim je eigen rommel op. Laat de dingen liggen die niet van jou zijn. Zeg “het spijt me” als je iemand pijn doet. Was je handen voor het eten. leid een evenwichtig leven: wat leren en wat denken, en elke dag wat tekenen en zingen en dansen en wat opeten en werken doe’s middags een slaapje. Let, als je de wereld ingaat, goed op het verkeer, hou elkanders hand vast en blijf dicht bij elkaar.
Wees je bewust van het wonder denk terug aan het zaadje in de plastiek beker: de wortels gaan naar beneden en de plant gaat naar boven, en niemand weet eigenlijk waarom, maar zo zijn we allemaal. Goudvissen en hamsters en witte muizen, en zelfs het zaadje in de plastiek beker: ze gaan allemaal dood. Wij ook.
En denk eens terug aan je eerste leesboek en een van de eerste woordjes die je kon lezen: kijk. Alles wat je moet weten, ligt daarin besloten: hoe je met elkaar omgaat, en liefde, en elementaire hygiëne, milieu en politiek en verstandig leven.
Bedenk eens hoeveel beter de wereld zou zijn als iedereen ’s middags zijn beker melk dronk, en dan een uurtje ging slapen. Of als we in ons land en in andere landen leefden naar het principe altijd de dingen terug te leggen waar je ze hebt gevonden en onze rommel op te ruimen En het gaat nog steeds op, hoe oud je ook bent: als je de wereld ingaat, kun je maar best elkaars hand vast houden en dicht bij elkaar blijven.
Mij bezorgd door een onderwijzer die ook een wonderwijzer is A.Van Dijck.
|
||
|
|
1. Ken je het land van Zebulon en Naftali. Wellicht niet. Nochtans komt het tweemaal ter sprake in het goede nieuws van vandaag. Ook al kennen wij deze landen niet en weten ze niet liggen: Eén ding wordt duidelijk gezegd/ Het is er niet goed om wonen en leven. Het zijn landen van doodse duisternis. Het zijn mensen die oneer werd aangedaan. De grootmacht Assyrie houdt hen in haar greep. Een volk dat wandelt in het donker. Zebulon en Naftali: ongekend voor ons als Tjechenie, en Dagistan, Dafoer en Soedan waarvan wij weten dat zij ook vandaag in duisternis zijn gehuld en in de greep zijn van grootmachten of rebelleerders. Zebulon en Naftali zijn dus van alle tijden. Daar begint God zijn bevrijding zegt de profeet. Er zal een groot licht stralen over hen die wonen in het land van doodse duisternis. Het juk van de verdrukking zal gebroken worden
2. De voorspelling van de profeet Jesaia ziet Mattheus in vervulling gaan in Jezus. Jezus begint inderdaad zijn optreden niet in de hoofdstad Jeruzalem, het godsdienstig bolwerk van zijn tijd. Maar in Galilea, het achterlijk gebied waar heidenen en Joden onder elkaar vermengd zijn. Jezus begint niet “bovenaan” maar “onderdaan”. Hij lanceert een beweging van onder naar boven. Vanaf de kleinen en onaanzienlijke naar de groten en de machtigen. Mattheus noemt uitdrukkelijk de namen: Zebulon en Naftali. Daar rekruteert hij zijn eerste leerlingen. Daar komen de mensen in grote getale naar hem toe.
Jezus doet 3 dingen 1. Hij verkondigt een blijde boodschap en nodigt de mensen uit er te durven in geloven. 2. Hij zoekt medewerkers. Hij is geen solist. Hij brengt mensen in beweging. 3. Hij stelt tekenen van bevrijding. Zijn dat niet de drie opdrachten voor iedereen die in het spoor van Jezus wil leven. Je moet een boodschap hebben, je moet mensen in beweging brengen, je moet tekenen van bevrijding stellen.
Zo deed ook pater Damiaan. 1. Toen pater Damiaan in Molokai aankwam was het er een hel. Een gevecht ieder voor zich. Vechten om te overleven. Hij bracht er de boodschap van liefde, in woord en daad en zo gingen mensen weer in zichzelf geloven en in elkaar. 2. Damiaan werkte aan de gemeenschap. De fanfare was een van de symbolen van gemeenschap. Samen muziek maken, samen muziek brengen en zo de vreugde en de miserie van de mensen optillen. 3. Hij werkt aan bevrijding. Herstellen van de kerk;, de voedselverdeling, waterleiding, menswaardig begraven. Maar de diepste bevrijding bracht hij in de kerk als hij tot hen sprak, tot op de dag dat hij zijn preek begon: “Wij melaatsen”. Hij was een van hen geworden. Zijn dood zal hun opstanding zijn. Zo deed ook pater Rigouts die wij vandaag gedenken. Ook bij hem ging de boodschap brengen gepaard met concrete inzet voor de armen, sociale actie op gang brengen en door zijn persoonlijk leven getuigenis afleggen van zijn boodschap. Missionarissen lijken uit de tijd, ontwikkelingswerkers hebben hun plaat ingenomen. Missionarissen zijn herders. Ze kennen hun schapen en ze geven hun leven voor hun schapen. Sommigen worden door de kerk heilig verklaard. Heiligen zijn geen volmaakte mensen, ze hebben soms grote gebreken. Maar ze zijn wegwijzers. Ze staan niet in de weg, maar langs de weg. Ze wijzen een richting aan voor hun medemensen. Zij wijzen de weg naar een oprechte christen zijn door te doen wat ze zeggen en te zeggen waarom ze het doen. Ze hebben een boodschap en programma. Een woord en een daad. Goede vrienden, weet ge wat het eerst teken is van melaatsheid? “Dat je gevoelloos wordt” Hoe gezond ben jij als christen? Moge het voorbeeld van pater damiaan en pater Fons Rigouts ons behoeden voor de “ geestelijke melaatsheid”.
|
||
|
|
In het voorjaar waait er in Haïti een harde droge wind, de “Van karèm”, dwz; de wind van de vastentijd. (Frans Vent: wind, Le carême: de vasten). Zo genoemd omdat dat voorjaar samen valt met de Vastentijd. Haïti is een van de armste landen van Latijns Amerika, hoofdzakelijk katholiek. De Van karèm is voor de kinderen in Haïti de gunstige tijd om vliegers op te laten, gedragen door de wind. Het zijn kleurrijke vliegers, gemaakt van eenvoudige, vaak gevonden materialen.
Broederlijk delen ziet in die vliegers de dromen van de kinderen de inzet van de grote mensen om altijd weer opnieuw te trachten op te staan uit hun ellende en te werken aan een vrij en voorspoedig bestaan. Onze vlieger draagt het logo van Broederlijk delen: Het kruis en de peilen die wijzen naar noord en zuid. Het rijke noorden en het arme zuiden. Heel de vastentijd willen we met hen verbonden zijn.
Vandaag wil ik vanuit de lezingen stilstaan bij de wind. Zonder wind kan de vlieger niet opstijgen. Wind: voor de mensen in de oudheid was de wind een wonderlijk verschijnsel. Je ziet hem niet, kunt hem niet vastpakken, maar je voelt hem wel. In de wind vermoedde men de geheimzinnige kracht van de godheid die, onzichtbaar, zijn aanwezigheid doet gelden. In het Hebreeuws, de taal van de Bijbel betekent Ruach zowel wind als adem als geest en wordt Ruach gezien als Gods kracht. In het evangelie lezen we dat de geest Jezus naar de woestijn voerde voor het grote gevecht met de duivel. Gods kracht was in Jezus en daardoor kon hij weerstaan aan de verleidelijke voorstellen van de duivel. Ook in de eerste lezing komt het woordje Ruach terug. Toen God de mens uit het stof der aarde had gevormd blies hij de levensadem in de mens: de Ruach en zo werd hij een levend wezen. Wat de wind is voor onze vlieger, de kracht die hem doet opstijgen en in de hoogte houdt dat is de Ruach van God, de geest of adem van God voor de mens. Soms maakt Gods geest zich zo meester van de mens dat ze begeesterde mensen worden of geestdriftige mensen worden. Zulke mensen brengen op hun beurt de wereld in beweging. Ze zorgen ervoor dat de vlieger opgaat ook in onze tijd.
Op deze eerste zondag moeten wij bidden dat Gods geest, de Ruach van Jahweh ook ons mag bezielen, begeesteren dan worden wij “levende wezens” mensen met levenskracht, begeesterde mensen of geestdriftige mensen. Enkele mensen hebben gezorgd dat deze vlieger hier kwam: zonder hun geestdrift was het niet gebeurd. En onze bloemschiksters hebben ook de koppen bij elkaar gestoken om elke week de symbolen van de veertigdagentijd wat meer te brengen. Het potje met zand verwijst naar de woestijn waar Jezus verbleef maar wie gedreven is door Gods geest kan zelfs de woestijn doen bloeien daarom deze groene tak hier vooraan zichtbaar.
Gebed: God, van stof en as zijn wij, van aarde Maar Gij, God blies ons uw levensadem in Uw Ruach maakt ons levend. Wees ons nabij in deze 40 dagentijd Laat uw adem als een stevige van karèm door ons leven waaien Zodat ons uitkijken naar leven en opstanding als een kleurrijke vlieger is gedragen door uw liefde hoog in de lucht en verbonden met de aarde.
|
||
|
|
Een vlieger dient niet om te pronken. Een vlieger moet je durven loslaten, toevertrouwen en die mysterieuze kracht van de wind. Dan kan hij de hoogte in. Dan doet hij mensen ook opkijken, bewonderen en dromen. Durven loslaten! Daarover spreken ook de lezingen van vandaag. Abraham moet durven loslaten: zijn land, zijn volk en zijn familie. Maar God geeft hen ook een belofte: Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen. Zoals de vlieger die de kinderen met veel moeite hebben in elkaar geknutseld maar kan schitteren aan de blauwe hemel in de zon als ze hem durven loslaten…. zo moet Abraham alles loslaten om een nieuwe toekomst tegemoet te gaan. Ook in het evangelie zien we Jezus wegtrekken uit de zekerheden van het dal; Hij trekt de bergen in. Dan moet je veel achterlaten. Enkel het allernoodzakelijkste kan je meenemen. Hij neemt zijn beste vrienden mee: Petrus, Jacobus en Johannes. Boven op de berg staan ze niet alleen in de volle zon, maar Gods heerlijkheid is als het ware zichtbaar en tastbaar aanwezig. Het straalt uit Jezus die ze gevolgd zijn op de tocht. Alleen wie het dal en leven van elke dag durft verlaten zal de wijdsheid van de bergtop en de heerlijkheid van God ervaren. Durven loslaten om een nieuwe werkelijkheid te beleven dat is de boodschap van dit verhaal.
De kinderen moeten hun vlieger loslaten om met hem in de hoogte te dromen. Abraham moet alles achterlaten om nieuwe toekomst tegemoet te gaan. De leerlingen laten het vertrouwde leven achter om mee te trekken de bergen in: daar zien ze Gods heerlijkheid in Jezus schitteren.
En wij: Wij weten het wel: er zal maar nieuwe toekomst groeien in onze wereld als het rijke noorden bereid is een stuk van zijn welvaart los te laten en te delen met het arme zuiden. Maar durven loslaten is zo moeilijk. Wij willen altijd maar meer economische groei, meer welvaart.
En wij: Ieder van ons wordt vandaag geroepen een stuk welvaart te durven loslaten om zo meer vrij te komen en als vrijere mensen te leven. Onze bisschop schrijft daarover het volgende: “vasten kunnen we zien als een oefening in het vrijkomen van alles wat ons gevangen houdt, ons opener en ontvankelijker doen staan voor het goede, voor het gerechtige, voor alles wat God en de naaste van ons mogen verwachten”. Kijken we daarom op naar de vlieger in de kerk, naar Abraham die opweg gaat en naar Jezus die ons uitnodigt de stilte van de bergtop op te zoeken. Daarom wil ik bidden:
God, roepstem van alle tijden Abraham hebt Gij geroepen Hij gaf gehoor aan u en is vol vertrouwen de weg gegaan die Gij hem wees. Jezus nodigde zijn vrienden uit mee te gaan naar de bergtop Zij hebben zijn heerlijkheids ervaren. God, maak ook ons tot pelgrims luisterend naar uw stem Zoals Abraham en Jezus Zo zullen wij durven achterlaten alles wat ons gevangen houdt en onvrij maakt en durven delen in solidariteit en liefde. Amen.
|
||
|
|
Onze vlieger in de lucht, leidt geen zorgeloos leventje tegen de blauwe hemelsferen, soms kan het er stormachtig aan toe gaan. Rukwinden brengen hem uit zijn evenwicht, wervelwinden slingeren hem weg en weer. Soms dreigt hij te pletter te storten op de grond. In die momenten komt hij tot het besef hoe belangrijk het touw is dat hem verbindt met de aarde en met de persoon die sturend en bijsturend hem in de lucht houdt. Lang dacht hij dat het touw hem hinderde in zijn volle vrijheid, maar nu beseft hij dat het zijn veiligheid en zijn vrijheid beschermt en binnen goede banen leidt.
Ook de lezingen van vandaag hebben het over twee nood situaties. Het volk in de woestijn op zijn tocht leidt honger en dorst en dreigt te stikken in de hitte van het woestijnleven. Het komt in opstand tegen Mozes en zijn God. Had ons liever in Egypte gelaten. als we hier met kinderen en vee van dorst moeten sterven. Ze komen in opstand tegen hun leiders, maar eigenlijk tegen hun God. Mozes treedt op namens God en zorgt dat ze te drinken hebben. Zo ontdekte het volk dat Mozes en zijn God levensnoodzakelijk zijn om hun tocht tot een goed einde te brengen. “Massa en Meriba” plaats van opstand en verbittering, moet ook in de latere geschiedenis mensen herinneren dat ze in moeilijke tijd hun vertrouwen in God moesten bewaren. Mozes en God en hun richtlijnen zijn voor de mens onderweg wat het touw is voor onze vlieger tollend in de wind.
Ook in het evangelie staan we midden in een noodsituatie. De Samaritaanse vrouw zit letterlijk en figuurlijk aan de grond. Ze zit bij een put maar is zelf uitgeput door haar levensavontuur. Vijf mannen heeft ze gehad en die ge nu hebt is uw man niet. Ze heeft altijd uit een put geleefd en dan moet je altijd dieper putten, altijd nieuwe avonturen en dan raak je uitgeput…. je krachten zijn op. Ze heeft het allemaal niet zo nauw genomen met God en gebod en met de discussies wie nu de echte aanbidders zijn, die van de stad Jeruzalem of die uit de bergen Horeb. De Joden of de heidenen. Haar ronddolend leven komt tot rust bij de ontmoeting met Jezus. Ze weet zich door hem gekend, gewaardeerd en bemind. In Hem heeft ze de ware gevonden, niet iemand die ze wil bezitten maar voor wie ze zich wil openen. Jezus heeft in haar hart een bron aangeboord die ze zelf niet kende. Haar leven is plots veranderd. Ze laat haar kruik in de steek en loopt naar de stad om het nieuws te vertellen. Jezus is voor haar het houvast geworden. Het touw waarmee ze zichzelf uit de put heeft geheven. Iemand die haar staande houdt en letterlijk weer op weg zet. Ze gaat naar de stad om te vertellen wat haar is overkomen. En vooral wat Jezus voor haar heeft betekend.
Onze vlieger heeft nood aan het levenbehoedende touw en de leiding vanop de aarde om veilig in de lucht te blijven. Het volk van God beseft weer dat Mozes en Gods Tora hen levenskracht geven op hun tocht. En de Samaritaanse vond in Jezus de ware levensbron voor haar zelf maar ook haar volk. Wat betekenen deze verhalen voor ons in deze 40 dagentijd? - Durven geloven dat ook voor onze tijd en onze kerk die een woestijnervaring doormaakt, het woord van Mozes en de Tora van God maatstaf en leidraad zijn om niet ten onder te gaan aan geestelijke honger en dorst. - Durven wij geloven dat ieder van ons die zoals de Samaritaanse weleens aan de grond zit, of bij de put, uitgeput met een lege emmer dat ook voor ons Jezus en zijn woord bron van levend water kan worden. Ik wil het biddend vragen:
God, bron van leven heel deze wereld met haar wel en wee heel uw kerk met haar vreugde en pijn elke mens met zijn lief en leed gaat u ter harte. Wees hier aanwezig en wek uw kracht Zodat besproeid wordt wat verdord is Verkwikt wordt wie vermoeid is dat ten leven wordt gewekt al wat ten dode is opgeschreven Dit vragen wij u in Jezus naam Amen.
|
||
|
|
Ik was tien jaar in ‘44. Ik beleefde de bevrijding als kind. Ze had plaats in oktober. Op de eerste vrijdag van oktober ging ik ’s morgens te voet met mijn moeder naar de kerk; 3 km ver. Dat was een goede gewoonte in die tijd: op elke eerste vrijdag naar de mis gaan. Toen we een 500 m. ver waren deed zich een harde knal horen en we vluchtten naar het huis waar we net aangekomen waren. Daarna gingen we verder: later vernamen we dat dit het salvo was dat de doorbraak van de geallieerden aankondigde. “Vandaag komen de Tommy’s” zeiden de Duitsers tot de mensen. “binnen blijven!” Niets vermoedend gingen we verder naar de kerk. Toen de mis goed bezig was begon het plots langs alle kanten te rommelen. De pastoor deelde vlug de communie uit en stuurde iedereen huiswaarts. Toen we buiten kwamen reden legerauto’s vol soldaten richting St.Lenaarts. Auto’s gecamoufleerd met takken, soldaten gewapend en met zwarte gezichten. Er heerste paniek alsof de hel was losgebroken. De eerste projectielen suisden door de lucht en ploften in Loenhout dorp neer. De mensen zaten in hun kelders.Tussen al dat gewirwar liepen mijn moeder en ik naar huis. Na een paar 100 meter kwamen we aan de melkerij. Iemand deed teken. Wij doken de kelder in. Veilig en met velen samen. De weesgegroetjes binnen wisselden af met het gerommel buiten. Ik voelde me veilig, maar mijn moeder wilde naar huis. Als het geschut richting Brecht leek te schieten kwamen we uit de schuilkelder en liepen verder naar huis. Na enkele honderden meters leek het gevaar terug te keren. Dus wij weer bij schrijnwerker Minus in de kelder. Er stond een grote mand geurende appelen. Ik kreeg er een en genoot ervan. “Kom, zei mijn moeder, we gaan verder!” Op de grote baan naar St.Lenaarts was het een drukte van jewelste. We liepen naast de soldaten en voertuigen; vol schrik keek ik naar de geweren in aanslag. Ook een luchtafweergeschut werd meegevoerd.We liepen meer dan een kilometer ver: tot bij nonkel Jaak. Daar gingen we ook weer even binnen, in de kelder natuurlijk. Even op adem komen en hopelijk daar blijven. Maar nee, moeder wilde naar huis, weten hoe het thuis was. De laatste kilometer liepen we over de akkers, hijgend en biddend. “Moeder, de soldaten gaan op ons schieten als ze ons zien vluchten”, zei ik hortend en stotend. Maar mijn moeder liep verder en ik liep naast haar. Ze was als een beschutting voor mogelijke kogels van de soldaten. Gelukkig kwam er geen schot. In de verte dook de boerderij op. De pannen op de hoek van de stal waren weggemaaid door een ontplofte kanonsbal. Er stond tegen de schuur een Duits kanon opgesteld. Levensgevaarlijk prooi voor Engelse vliegers! Gelukkig bleef het afweergeschut tijdelijk Brecht bestoken zodat we veilig thuis kwamen. Net op tijd. Geen kwartier later werd de paardenstal getroffen door een nieuw projectiel. Gelukkig, het paard bleef ongedeerd. Ons vader en de andere kinderen zaten samen in de kelder, angstig biddend voor onze thuiskomst en toen we allemaal weer samen waren viel er een rust over mij en de anderen. We waren thuis… bij vader en moeder… het was alsof…
Deze dag zal ik nooit vergeten; hij blijft onuitwisbaar verbonden met de bevrijding in oktober 44. Ik denk weleens: mensen die de oorlog niet meemaakten zijn anders dan onze generatie. Ze hebben niet de angst, de onveiligheid aan den lijve ondervonden; ze hebben ook niet geleerd te zoeken naar een houvast en schuts midden het gevaar en het vertrouwen dat alles goed zal aflopen. A.Van Dijck
|
||
|
|
In ieders leven is het weleens Goede Vrijdag. Niemand blijft ervan gespaard: onze ouders sterven, een kind, een vriend…. en we rouwen, zoals de vrouwen. De eerste troost bieden de dagelijkse bezigheden. Er komt zoveel kijken bij een begrafenis! We denken dat we de steen niet kunnen wegrollen: de steen van de dood is veel te zwaar. We hebben alleen ons geloof: dat brengt ons in een andere wereld, de wereld van God. Hij rolt de steen weg en zegt als we bij een graf komen: “Hier is leven, geen dood!” Ook nu zit er in al de graven van onze geliefden een man in het wit. Niet meer de engel, maar de kerk en haar priester. Ze zeggen: “Zoek je je dode? Hij is niet hier, hij leeft!” Zo machtig is God, dat hij zijn Zoon heeft opgewekt uit de dood. En ook ons en onze geliefden zal God onze vader doen verrijzen. Wat Jezus overkomen is, overkomt ook onze doden. De dood heeft niet het laatste woord! Maar is dat niet moeilijk te geloven zul je misschien zeggen. Ja, de vrouwen liepen ook weg, ze waren ontdaan. Ze hadden tijd nodig en ook de steun van de apostelen om te geloven. De boodschap van de verrijzenis heeft tijd nodig om in ons door te dringen. Want de steen van de dood is zo zwaar…. Ook wij hebben in ons leven tijd nodig om tot geloof te komen in de prediking van de kerk. Daarom doe ik het steeds opnieuw. Het is in onze tijd té stil rond het verrijzenisgeloof geworden. En toch is het zo: we zijn door het doopsel met Christus aaneengegroeid tot één enkele plant. Kijk naar Christus, naar wat er met hem is gebeurd: hij leeft! En kijk naar je eigen leven en dat van je geliefden: ook zij zullen eens leven bij God! Dan pas zal het voor ons helemaal Pasen zijn. Kard. Danneels
Pasen moet je durven geloven; je moet je eraan durven toevertrouwen dan werkt het, dan geeft het je kracht. Alleen als je in het water durft springen, kan je ervaren dat het water je draagt. Misschien moeten we meer luistern naar ons hart, dan willen begrijpen met ons verstand…. Daartoe nodigen de Oosterse wijzen ons uit. Zo bijvoorbeeld Kahlil Gibran. De dood is nooit totaal. Je bent nooit helemaal dood. In elk leven steekt een beetje dood en in elke dood blijft een stukje leven. “Want leven en dood zijn één, zoals de rivier en de zee één zijn”. Inderdaad, in de rivier is de zee aanwezig en in de zee is de rivier opgenomen. Met ons verstand is het niet allemaal te vatten, maar in ons gevoelen ligt het vermoeden. Dit zegt de wijze: “In de diepte van uw verwachtingen en uw verlangens ligt uw zwijgende kennis van het hiernamaals. En als zaden dromend onder de sneeuw droomt uw hart van de lente. Verlaat u op deze dromen, want daarin gaat de poort naar de eeuwigheid schuil. Pasen: Luister naar je hart en durf je toevertrouwen aan de boodschap van het evangelie. Zalig Paasfeest.
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Jezus of Claus?
Pilatus vroeg aan de menigte: Voor wie kiezen jullie? Voor Jezus of Barabbas….Voor Barabbas, die oproer preekte en geweld of voor Jezus, die vrede preekte en verzoening. Het volk koos Barabbas. Vandaag zou Pilatus in Vlaanderen misschien vragen: voor wie kiezen jullie? Voor Jezus of voor Hugo Claus Als je de kranten en de media bekijkt of beluistert dan is de keuze duidelijk. Nauwelijks een woord over Jezus en een woordenvloed over Claus. En wellicht gingen er op Goede Vrijdag in Antwerpen en elders meer mensen op weg voor het overlijdensregister van Claus, dan voor de overlijdensdienst van Jezus. Wellicht niet toevallig stapte Claus in de Goede week uit het leven: zo kwam zijn dood in confrontatie met de dood van die Jezus met wie hij heel zijn leven in de clinch lag. Hij, de god van de Vlaamse literatuur moest het niet hebben van de Jezus, het levend verhaal van God. Hij was zijn contrastbeeld. Claus wou het hoogste woord en het laatste woord in het leven en in de dood. Jezus liet het eerste woord en het laatste woord aan God.
Claus kwam van zijn kruis en stapte de dood in. Jezus bleef op zijn kruis, ook toen toeschouwers riepen: “Kom van uw kruis! Anderen heeft hij gered, zichzelf helpen kan hij niet.” Hij stierf op zijn kruis en ging het leven in, want God heeft het eerste en het laatste woord. Toen Jezus bewonderend naar de tempel keek, zei hij: “Breek deze tempel af en in drie dagen wordt hij herbouwd.” Toen een vriend van Claus, bewonderend voor de O.L.Vrouwkerk in Antwerpen stond, zei Claus “Dynamiteren”!
Voor wie kies je vraagt Pilatus vandaag…. Voor Jezus of voor de Clausen van vandaag: de moderne mens die het eerst en laatste woord wil over leven en dood; die zweert bij de maakbaarheid van de wereld door de mens en de onfeilbare wetenschappen. Het is het non serviam (ik zal niet dienen) van het eerste uur en de hoogmoed, Gods gelijke te zijn van de slang. Kiezen voor Jezus is zeggen: God heeft het eerste woord en hij spreekt nog altijd voort. God heeft het laatste woord, oorsprong doel en zin, gaan in Hem voort Tussen beiden de hemel als verschil. Zonder God eindigt alles met Goede Vrijdag. Met God begint alles met Pasen. Zalig Pasen!
|
||
|
|
Op een dekenvergadering in de jaren negentig zei de bisschop dat hij graag een bezoek zou brengen aan al de decanaten – 32 in die tijd - om ter plaatse kennis te maken met de mensen die er de pastoraal mee hielpen uitbouwen. Het was de tijd dat overal parochieteams gevormd werden. Ik stelde hem voor om eens een dag naar het Hoge Noorden te komen om eens rond te toeren in de dekenij Hoogstraten en ter plaatse de priesters, de kerken en de parochies te leren kennen. De bisschop was akkoord en op een maandagmorgen om 9 uur belde hij aan op de dekenij. Even kennis maken met de secretaris en zijn helpers en daarna startten we onze verkenningstocht. Even halten bij de kerk van Minderhout en binnenlopen bij de Zusters van Mariaveld. Daar was de Decanale ploeg om de veertien dagen te gast. Ze probeerden de bisschop te lijmen met koffie, koekjes en versnaperingen maar de afspraak was: kennis maken en een babbeltje. Zo ging het naar Meerle langs het Proefbedrijf van de Kempen. Het belang dat het gespeeld had en speelde in de wereld van de tuinbouw. De pastoor van Meerle wachtte ons op aan de kerk en vertelde wat over zijn parochie: een grensparochie. Zo ging het richting Meersel-Dreef. Met de kapelaan wandelden we naar de Mariagrot, en in het park. Daarna langs de kerk naar het klooster: aan de Franciscaanse gastvrijheid kon de bisschop niet weerstaan en samen met de paters werd er koffie gedronken met gebak. “Gezelligheid kent geen tijd”, maar toch moesten we verder.
Wat De Mosten waren als toeristische trekpleister vertelde ik terwijl we eraan voorbijreden. Janneke Van Deijck stond ons op te wachten aan de kerk en hij had graag al de kunstschatten van zijn kerk laten zien maar de bisschop was nog meer geboeid door de pastorale ijver die hij voelde bij deze “oudste” priester van de dekenij. Het middagmaal namen we op ’t Klein Seminarie. De kok had zijn best gedaan: een mooi tafelkleed, stoffen servetten en er stond wijn op tafel. “Een gewone maaltijd” was de afspraak en vooral tafelgesprek met een volle tafel priester - leraars aangevuld met de gebroeders Van Dongen en mezelf.
Voor een korte siësta was er tijd en plaats op de dekenij. Maar om 14uur begon het tweede deel van de tocht, richting Rijkevorsel. De veilinggebouwen even in de aandacht brengen was niet moeilijk. “Daar komen dus de aardbeien van, die de deken van Hoogstraten elk jaar mee naar de sessie brengt”, vroeg Mgr. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig! De zusters van Rijkevorsel hadden zich samen met hun pastoor rond de tafel geschaard voor de babbel en de kennismaking en daarna trokken we met de pastoor naar de kerk. Ook Sint Jozef, arbeidersparochie in een overwegend landbouwgebied, werd niet vergeten en de pastoor vertelde over het ontstaan, de groei en de eigenheid van zijn parochie.
Om Wortel te bereiken reden we langs de kolonie van Merksplas en Wortel; en het toch wel bijzonder gebied dat het vormde in de Noorderkempen. Ik vertelde dat de kerk van Wortel de oudste was in de dekenij en ook de bisschop kwam onder de indruk van de mooie site die kerk, kerkhof en kapelanie samen vormen. Het kasteel van Hoogstraten deed mijn medereiziger vermoeden dat we de stad naderden en inderdaad we werden verwacht in het Rijk van het Spijker, waar zuster Liesbeth zorgde voor een aangename kennismaking met de zustergemeenschap en de onderwijswereld. Daar was de tweede grote halte voor het avondmaal met de zusters en een rustige pauze. Het dagprogramma was voorbij. Het avondprogramma zou beginnen om 19.30u in de Raboenizaal. Daar werd druk gewerkt door Lisette en haar ploeg aan het klaar maken van het avondgebeuren. Alle parochieteams en de dekanale werkgroepen werden verwacht, want na de ruimtelijke kennismaking zouden nu de mensen van ter plaatse aan de beurt komen. Een bezinnend moment, een presentatie van de dekanale werking zouden de aanzet worden. Iedere parochie moest zich visueel voorstellen, daarna was er ruimte voor losse kennismaking met aardbeipunch, koekjes en koffie. En al wandelend van de ene tafel naar de andere leerde de bisschop de mensen kennen en kon hij hen in de “Sitz im Leben” van Meerle, de Dreef, of Veussel terug plaatsen.
Toen ik rond half tien met de bisschop terug naar de dekenij reed zei hij me: “Ik denk dat ik me nu voel als een pastoor die heel de dag huisbezoek heeft gedaan: vermoeid maar heel tevreden. Eigenlijk zou een bisschop daarvoor meer tijd moeten hebben”. De stilte beaamde het! Langs deze weg wil ik onze bisschop, nu hij afscheid neemt, als bisschop, bedanken dat hij ons in het Hoge Noorden die tijd heeft geschonken. Het betekende voor ons meer dan het bakje aardbeien dat wij hem bij zijn vertrek aanboden. Het was een dag die niet overgaat.
Data afscheidsvieringen; Grote en open afscheidsviering voor de bisschop in de kathedraal in Antwerpen: op 1 juni 2008 met om 15u. Een officieel gedeelte met toespraken en opgeluisterd door het kathedraalkoor, 17u eucharistieviering in de kathedraal en aansluitend receptie op het bisdom ( het geheel wordt opengesteld voor het brede publiek) Viering dekenaat Noorderkempen: 19.30u Een gebedsmoment in de St. Antoniuskerk te Brasschaat, daarna receptie in de Ruitershal aldaar.
Fons Van Dijck
|
||
|
|
Op zaterdag 3 mei hield ik mijn kruisdagenwandeling in de Kolonie van Wortel. Het was een prachtige lentemorgen. Het jonge groen in de bomen, de lentebloesems in volle bloei, mist over het weiland en de versgeploegde akker, wachtend op het zaad. Terwijl ik mijn auto parkeerde hoorde ik een geblaat hees als de stem van een oude kerkzanger. Ik keek op en twee “meutes” kwamen naar den draad. Hopende op…. Op dit vroege ochtenduur 7.30u was een loonwerker al volop aan ’t ploegen met een vijfsnedenploeg. Bij elke rit werd een pand aarde omgekeerd en de kraaien vlogen naarstig op en af om zich te goed te doen aan wat er naar boven kwam. Terwijl ik er stond op te kijken gingen mijn gedachten naar vroeger. Ik zag mijn oudste broer bij ons achter de schuur de akker omploegen. Paard, ploeg en boer in gelijke tred op en neer van ’t ene eind naar ’t ander. Bij elke omwenteling van de ploeg, één snede omgekeerd. Bij dag en dauw, over de middaghitte tot ’s avonds laat: de boer hij ploegde voort! Hoeveel km hij had afgestapt… alleen de kwikstaartjes die genietend pieren zochten en de ploeger volgden konden het vertellen. Als ik eraan terug denk, kom ik in bewondering. Toen was boeren nog werken. Hard labeur. Ondertussen had de loonwerker de ploeg alweer gedraaid en begon hij aan een nieuwe pand.
Ik wandelde verder naar Bootjesven: spontaan kwam het lied in mij op: Wanneer ik door de velden ga en zon en hemel gadesla dan weet ik Heer hoe groot Gij zijt en buig mij voor uw majesteit. De vogels zongen hun lied. In de verte een koekoek en in mijn buurt ja,…. de wielewaal. Een fietser uit Hoogstraten die vogels kwam bekijken bevestigde het. “Ja, het is de wielewaal. Hij komt hier elk jaar in begin mei. In de winter trekt hij naar Afrika, maar begin mei is hij er weer”. Inderdaad al meerdere jaren hoor ik hem in dezelfde dreef aan Bootjesven. Hoe wonderbaar! Een vogel, in de winter trekt hij naar Afrika, in de lente komt hij naar Wortel! Telkens opnieuw, onze wielewaal. Hij vliegt, de wind draagt hem, maar wie leert hem de richting?
In het natuurgebied zijn de paarden op wandel. Naar het schijnt zou er tussen het biezenlandschap weer heide groeien; want ook na tachtig jaar blijft het zaad nog levenskrachtig en kan het terug openbloeien tot een heidelandschap. Misschien is het met het geloof ook als met het heidezaad: het kan helemaal overwoekerd zijn door het mensenwerk, maar op een dag als de mens weer op zoek gaat gaat het terug opschieten tot nieuwe wasdom. Zo wandelde ik verder richting Staakheuvel. De koeien van boer Geerts in de verse wei langs het bos keken verrast op en kwamen nieuwsgierig naar de draad. Een haas die daar zijn dutje nog deed sprong opgeschrikt weg, het bos in. Spontaan spreek je dieren aan en ze lijken mensentaal nog vertrouwd te vinden want ze wandelden nog wat mee langs den draad. Zal ik maar eens langs lopen naar het kapelleke van Staakheuvel? Blij verrast zie ik dat het kapelleke uit 1955 mooi versierd is. t’ Is meimaand, Mariamaand dus niet vergeten. Ik bid er een tientje terwijl ik de melkmachine op het bedrijf hoor draaien. Werken en bidden het hoort bij elkaar.
Zo gaat de weg weer richting casino: langs een veld groen van het gras en geel van het koolzaad. Ik heb er wat moeite mee dat dat binnenkort opgeofferd wordt aan brandstof. Is dat geen verloedering van de natuur? Ondertussen sta ik al bij een mooi pas geploegde akker. Ik vind dat indrukwekkend zo ’n openveld dat lijkt te zeggen: kom bezaai mij! Ik ben er klaar voor. Alleen daar kan God zijn werk doen en de mens zijn wasdom halen… dertig, zestig, honderdvoudig.
A. Van Dijck.
|
||
|
|
“Weg van God” is het thema van het nieuwe pastorale werkjaar.. Daarmee sluiten wij ons aan bij de oproep van de Belgische bisschoppen in hun brochure “God ontmoeten in Zijn woord”. Weg van God kan je op verschillende wijze interpreteren.
1. Negatief: niet willen weten van God. Dan kunnen we stilstaan bij de realiteit dat heel wat mensen weg willen van God. Ze zitten verveeld met hun christelijk verleden, zwijgen erover in alle talen of doen er meewarig over zoals je zo vaak hoort in de Media. “Ja, ik ben vroeger nog misdienaar geweest, of zangertjes in ’t kerkkoor”; of nog: “van huis uit” kom ik ook uit dat nest. je hoort als ondertoon: ze zijn blij dat dat verleden tijd is en ze zijn nu volwassen geworden. Weg van God: negatief bedoeld hoor je zelfs binnen de christelijke groep. In het katholiek onderwijs kiest men wel voor de christelijke waarden, maar voor Jezus en zijn boodschap opkomen is niet vanzelfsprekend. Een godsdienstleerkracht die een nieuwe collega wilde opweg helpen kreeg te horen: “gebruik jij de bijbel op school in de les godsdienst!” Blijkbaar was dit voor de nieuweling niet vanzelfsprekend of zat het niet in haar opleiding. Maar kijken we maar naar onszelf “zich outen” voor God of voor de kerk, dat ligt moeilijk. Blijkbaar zit de ongelovige en gelovige Thomas dicht bij elkaar. In het nieuwe werkjaar zouden we daar rond met elkaar in gesprek kunnen gaan om elkaar te helpen “groeien in geloof”.
2. “Weg” van God kan je ook positief bekijken. Sommige mensen zijn “weg” van God. Denk aan dat meisje dat op vakantie was en in de sloppenwijken van Caracas twee kleine Zusters van Foucauld zag leven en werken. Het greep haar aan zo dat haar beeld van God helemaal anders werd en zij er niet meer weg van wilde en zich onlangs liet dopen. Ze had God niet gezocht, maar blijkbaar was God op zoek naar haar en was Caracas the place to be voor haar ontmoeting. God op zoek naar ons: dat is de ervaring van bekeerlingen Augustinus zegt het zo: “Binnen in mij waart Gij, ik was buiten en daar zocht ik u. Gij waart bij mij maar ik was niet bij u. Toen hebt gij geroepen en geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken”. Augustinus zocht en ontdekte dat hij gezocht werd. God was al op zoek naar hem voor dat Augustinus God zocht. God gebeurt aan ons, God overkomt ons. “Gij komt tot ons gans onverwacht”, zingen wij. Wellicht heb jij het ook al mee gemaakt dat er iets gebeurt in je leven waarvan je zegt: Dit kon geen toeval zijn! Hier was meer! Wat mij zondag na de viering opviel was dat er zoveel blije mensen waren, dat er een sfeer van enthousiasme heerste. “Enthousiasme” is Grieks en betekent: “in God zijn”. Het was alsof iets van God ons overkomen was. “Ik was ontroerd”. Ik had tranen in de ogen toen ik dat meemaakte. En je moet je niet afvragen: was het de zang? Was het de versiering, waren het die vele mensen, was het de priester? Neen het was niet dit of dat, het was meer: hier gebeurde iets, hier gebeurde Iemand. God overkwam ons en zijn vreugde en vrede vervulde ons hart. Dan zijn we eventjes “weg” van God.
3. “Weg van God” betekent ook: Er is een weg van God naar ons en van ons naar God. God is een verhaal, zegt prof. Schillebeeckx. In verhalen heeft hij zich laten kennen, in verhalen kunnen wij hem op het spoor komen. Het grote verhaal van God vinden we in de bijbel. De bijbel leren lezen kan een weg zijn naar God… We moeten het nog leren. Maar ook ons levensverhaal is belangrijk om God op het spoor te komen. Daarom nodigen de bisschoppen ons uit in dit werkjaar het evangelie bescheiden maar vastberaden door te geven. Ook de lezingen nodigen ons daartoe uit. Ik ben de Hoeder van mijn broeder, hoorden we tweemaal. Wij dragen verantwoordelijkheid voor mekaar. Ik denk dat we dat niet alleen op moreel gebied mogen zien maar vooral op het gebied van het geloven. Bescheiden maar vrijmoedig durven spreken over ons geloof en ongeloof maakt de weg vrij dat God ons kan vinden. Dat wij groeien in geloof.
|
||
|
|
We leven in een wereld waar alles verpakt is, liefst nog vacuüm. Zo wordt er nog al wat gegeten uit blikjes. Een verse maaltijd is in vele, vooral jonge gezinnen, vaak meer uitzondering dan regel.
Ik prijs me gelukkig dat ik bij die uitzonderingen ben. Natuurlijk zijn wij mannen ons niet bewust wat zo’n warme maaltijd: soep – vlees - patatten en dessert allemaal aan werk betekent. Over het aanhalen spreek ik nog niet. Maar soms zie ik moeders een hele voormiddag bezig in de keuken. Een berg groentenafval, aardappelschillen en diens meer en aan de andere kant en geurende pot soep, dampende aardappelen, gestoofde groenten en spetterend vlees in de pan. Dat is het resultaat van een voormiddag keukenwerk. Wat een heerlijk gevoel als je daarvan mag genieten…. “Niet te rap eten”, krijg ik vaak te horen, wellicht willen ze daarmee zeggen: geniet rustig van de lekkere spijzen voor je neus, maar vooral van de liefde en de zorg waarmee ze zijn klaar gemaakt.
Misschien is dat laatste nog het belangrijkste en het vlugst vergeten. Vers eten is toch wat anders dan eten uit blikjes! Daarmee wil ik niet zeggen dat blikjeseten noodzakelijk van minder kwaliteit is; het prijskaartje doet vaak het tegendeel geloven. Maar het is anders. Vers heeft iets meer.
Vers of ingeblikt? Aan dat beeld denk ik terug naar aanleiding van een pastoraal probleem van vele pastores. De plaatjesmuziek waarmee ze geconfronteerd worden bij huwelijks en begrafenisvieringen. Liturgie is geen “ingeblikt” gebeuren: het is een “live” gebeuren en waar het mogelijk is moeten we proberen dit “live” karakter zoveel mogelijk te respecteren, zowel wat de teksten betreft als de muziek. Live-liturgie betekent niet dat alles moet worden uitgevonden, de ingrediënten zijn gegeven, de partituur geschreven, de uitvoering wordt ons in handen gegeven. Live-liturgie zal dan ook het meest “live” zijn als degene die de teksten brengen of de muziek uitvoeren dit derwijze doen dat de aanwezigen zich aangesproken voelen, zodanig dat ze spontaan gaan reageren waar ze uitgenodigd worden.
De meeste parochies beschikken nog over een koor, zij het vaak vrijwilligers, die de uitvaartdiensten verzorgen. Ze doen het met liefde en met toewijding, ook al zijn de mogelijkheden beperkt. Plaatjesmuziek, ingeblikte muziek, kan niet opwegen en mag niet opwegen tegen livemuziek, gebracht door koren, solisten of muziekgroepjes. In een uitvaartdienst waar veel volk is, kan ingeblikte muziek aanvullend aanwezig zijn bv. tijdens de offergang of de communiegang, of op ’t einde, als slotwoordje bij de absoute.
Jonge mensen die trouwen voor de kerk kunnen beroep doen op het orgel en de organist om de intrede en de sortie wat meer ampleur te geven. Het vraagt geen extra uitgaven en betekent naar mijn gevoel een meerwaarde voor de viering. Vers of ingeblikt, confectie of maatwerk, live of disco, trektocht of all-innvakantie. Laten we toch maar de voorkeur geven aan de eigen inbreng en inzet van de mens in afwachting van de dag dat we voorgoed “ingeblikt” worden. Maar dan zijn we dood.
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Met het feest van Christus Koning sluit het kerkelijk jaar af en met de Advent begint het nieuwe kerkelijk jaar. Elk jaar ga ik die week op retraite in Postel Een gelegenheid om de balans van het voorbije jaar te maken en de toekomst te plannen. Dit jaar leidt Mgr. Van den Berghe de retraite en staat ze in het teken van het Paulusjaar.
Zou het niet voor ieder van ons een gelegenheid zijn om eens de balans te maken van ons christen zijn in het voorbije jaar. De tijd van de grote optochten bij het feest van Christus Koning is voorbij en vele christenen durven niet meer naar buiten te komen met hun overtuiging. Ze trekken zich stilletjes terug in de loopgraven van hun familie of de catacomben van hun privé leven; Van meerderwaardigheidsgevoelen zijn ze verzonken in minderwaardigheidscomplexen en de angst om voor “oubollig” te worden bekeken.
Als het in Brussel regent…. Druppelt het in de kempen. Twee jaar geleden had er in Brussel-Allerheiligen een Evangelisatiecongres plaats onder de titel: “Kom en zie” Aan alle kerken kon je een grote spandoek zien, in meerdere talen. De kerk van Brussel wilden de vele bezoekers van de hoofdstad uitnodigen eens binnen te gaan in een van de kerken, die allemaal open waren, om kennis te maken met de christenen in Brussel. Er waren ook internationale ontmoetingen en grote conferenties. Over het resultaat na 2 jaar zegt Mgr. De Kesel: “ De grootste vrucht is een mentaliteitsverandering van de kerk in Brussel. Tot dan bestond de neiging zich niet teveel te manifesteren en zeker niet de eigen christelijke identiteit te benadrukken. Een gevolg van het wijd verspreide idee dat het geloof zou verdwijnen of zou verschrompelen tot een privékwestie. Sinds Brussel Allerheiligen staat godsdienst weer op de kaart. Brussel-Allerheiligen was een geprivilegieerd moment voor de katholieken om complexloos naar buiten te komen.? Dit jaar heeft in Brussel de internationale Taizé jongeren ontmoeting plaats. Een nieuwe uitdaging voor de katholieken van Brussel.
“Je bent niet als christen geboren, je moet het worden” schrijven de bisschoppen. Deze uitspraak klinkt wat vreemd voor ons, christenen in Vlaanderen die meestal slapend in moeders armen tot christen werden gedoopt. Voor velen is het bij zo’n slapend christen zijn gebleven. Ze hebben zich laten wiegen in de armen van de gelovige thuis, de veilige paraplu van de parochie, de indringende onderrichtingen van de katholieken school en het alom tegenwoordige sociale vangnet van christelijke organisaties. Met een evangelische boutade werd hen gezegd: Doet maar wat hij u zeggen zal…. We lieten ons gezeggen thuis, op school, in de kerk, in het dorp. Het was allemaal wat vanzelfsprekend en je hoefde slechts de grote stroom te volgen. Met de golden sixties, de welvaart en TV. werden we overspoeld met goederen en ideeën; Wat altijd was geweest werd in vraag gesteld en alles moest anders. Waar vroeger weinig vragen werden gesteld, werden nu overal vragen gesteld en antwoorden werden meteen nieuwe vragen. Zo was het in de wereld, zo was het ook in de kerk.
Vlaanderen missiegebied! Vroeger trokken missionarissen naar de missies buiten Europa om te spreken over God en mensen te leren houden van God. En hand in hand met de geloofsverkondiging hebben zij zich altijd ingezet voor het geluk van de mensen. Meer dan ooit moeten wij dat doen in Europa dat missiegebied aan het worden is. Wij zijn met onze christelijke levensovertuiging stilaan in een minderheidspositie beland. Des te meer is het nodig in deze pluralistische wereld te durven getuigen van de hoop die in ons leeft. “Moedig en deemoedig, vrijmoedig en blijmoedig” zo omschreef Kardinaal Danneels de levenshouding die christenen past in deze tijd. Moedig: Op je werk zeggen dat je s’ zondags naar de kerk gaat vraagt moed. Op school vertellen aan je vrienden dat je misdienaars bent vraagt lef. Alleen de bomen die in de wind durven staan krijgen diepe wortels. Deemoedig: Niet opdringerig of onverdraagzaam Respect voor anderen en bescheidenheid. Vrijmoedig: Bewust van eigenwaarde en meerwaarde van het geloof. Geloof geeft kwaliteit aan het leven. Blijmoedig: Een aantrekkelijke levensstijl. Un saint triste est un triste saint!
Moge de Heer van de Advent ons moedig-zijn schenken.
A. Van Dijck
|
||
|
|
Geld verloren, veel verloren Eer verloren, meer verloren. Ziel verloren, alles verloren.
Met dat doordenkertje dat ik als kind op school leerde kunnen we misschien bij deze crisistijd stilstaan. De moderne mens heeft niet alleen geld verloren, hij dreigt vooral zijn ziel te verliezen. Ziel heeft te maken met bezieling, met geestelijke krachten, met spirituele krachtbronnen. Dezer dagen verscheen het boek van Jos Vranckx, reporter bij GVA. Met als titel: Geloof als geneesmiddel. Hij staat stil bij de over medicalisering en het medisch consumentisme. Maar vooral onderlijnt hij dat de mens meer nodig heeft dan pillekens voor alles en nog wat. Hij heeft nood aan geestelijke krachten. Als de mens zijn ziel verliest, verliest hij ook de zin om te leven. “Euthanasieartsen zeggen mij dat niet ondraaglijke pijn, maar “levensmoeheid” de voornaamste reden is voor de vraag naar actieve levensbeëindiging. De kosten explosie in de gezondheidszorg bedreigt de toekomst van de verzorgingsstaat, meer dan de pensioenen”.(sic) Tegen 2050 zou het merendeel van het bruto nationaal product naar medische en psychische hulpverlening gaan. Er met dus naar een andere weg gezocht worden. Hij pleit ervoor ons weer bewust te zijn van de band tussen gezondheid en zingeving; Wie een zin ziet in het leven, krijgt weer zin om te leven. Godsdienst en geloof kunnen bijdragen tot de algemene gezondheid van de mens. Hij pleit ervoor dat de kerk met meer geloof in zichzelf en in haar boodschap aan “zielzorg” moet doen.
“Zielzorg” een ouderwets woord, maar dat past bij onze tijd. “Zorgen voor de ziel”, zorgen voor je bezieling. Godsdienst kan daarbij helpen. Naar de kerk gaan is zorgen voor je ziel, niet alleen voor je zielezaligheid na dit leven, maar ook voor een beetje zaligheid in dit leven. “ De kerk moet zonder valse schaamte haar traditionele helende en zielzorgende rol opnieuw opnemen”. (sic).
Mijn moeder reed tot haar 80 jaar bijna elke dag ’ s morgens naar de kerk. 3 km ver. Ik denk er vaak aan als ik s’ morgens aan ’t wandelen ben. “ Ik versta niet dat de mensen van ’t dorp die zo dicht bij de kerk wonen, in de week niet naar de kerk gaan. Je ziet er mensen, je kan eens met iemand praten en de mis is beter dan pilletjes”; aldus mijn moeder. Natuurlijk gaat het hier over godsdienst die de positieve kijk van God op de mens en de wereld durft centraal stellen en niet enkel met het waarschuwend vingertje achter elke hoek staat.
Een boodschap die vooral toekomst gericht is en spreekt in visioentaal over Gods droom voor de mens en de wereld. In de liturgie vinden we deze beelden terug: de wijngaard, het bruiloftsfeest, de maaltijd op Gods berg, de zaligsprekingen enz. Maar deze grote dromen moeten vertaald worden in het concrete leven van elke dag door aan God te geven wat God toekomt en aan de keizer wat de keizer toekomt.
Hebben de grote financiële instellingen niet God en de keizer buiten spel gezet, om zelf God en keizer te spelen. De desastreuze gevolgen kunnen we nog niet beseffen en de gemeenschap moet hun wangedrag indekken om de schade te beperken. Hopelijk het einde van het blinde kapitalisme. In heel de Bijbelse boodschap is de Mammon ( het geld) de grote tegenspeler van God. Hij is de tegen-god . “Je kan niet God en de Mammon dienen” Zal Jezus zeggen.
Als God weer de ziel mag zijn van ons leven zullen we alle andere waarden, ook het geld op zijn juiste plaats houden. Dan wordt het doordenkertje weer een opdracht: Geld verloren, veel verloren. Eer verloren, meer verloren. Ziel verloren, alles verloren.
A.Van Dijck
|
||
|
|
Jef en Marie wonen in het grote ouderlijk huis. Eens woonden ze er met hun 10 kinderen: het huis leefde, gonsde van de drukte. Waar veel kinderen zijn willen veel kinderen komen. En vijf dochters en vijf zonen bracht ook heel wat jong volk over de vloer. Toen leefde het huis… en toen leefden ook Jef en Marie. Ondertussen was er veel veranderd: de kinderen getrouwd en uit huis, de kleinkinderen ook al half was en de eerste achterkleinkinderen die opschieten in de familietuin. Nu zitten Marie en Jef in de “goei” zetels die ze gekregen hebben met hun gouden bruiloft. “Ja, want nu kwam de tijd om te rusten”, werd gezegd. Maar Jef en Marie voelden daar niet zoveel voor. Liever een vol huis, dan een leeg huis. Ze keken samen naar de laatste beelden van het nieuws. “Er was geen nieuws” zei Jef, “ en Terzake zou ook niet vet zijn”. En na Terzake was er alleen maar wat “aardigheid” te zien. Dus klikte hij de televisie af juist toen Terzake begon. Maar terwijl de beelden weg schoven begon een andere film… “Ja, moeder, hoe moet dat hier met dat groot huis? Voor ons twee is ’t derde part groot genoeg!” “Jamaar, de kinderen en de kleinkinderen en de achter…” zei Marie, “ze moeten toch nen thuis hebben… het ouderlijk huis”. Inderdaad, Marie en Jef hadden altijd gezegd: we moeten het ouderlijk huis open houden en zondags blijven we altijd thuis… voor de kinderen… Ze mogen niet voor de deur staan. Simpel was het niet voor Jef en Marie. Want ge hebt 10 kinderen en ’t zijn tien verschillende. En ze evolueren allemaal anders. En dan hebben we het nog niet over de kleinkinderen. Als Marie sommigen van hen ziet binnen komen – smoren – ringen – kleren – dan zucht ze weleens halfluid: “Maar Bart waar zijde toch mee bezig”… “En van die flodderbroek van Annick van onze Lowie”, dacht Jef laatst, “daar kunde gemakkelijk drie rokjes van maken!” Maar hij zei het niet want “mijn kind, schoon kind”. Zeker de kleinkinderen! Marie was eventjes naar de keuken geweest en kwam terug met een tas koffie… en gij? “Breng maar nen trappist mee! Das katholiek”! “Komt er in ’t weekend volk” vroeg Jef. “Ja, waarschijnlijk die van elke week” zei Marie. Ze hadden ze wat in reeksen: een reeks kwam regelmatig, sommigen wekelijks, anderen kwamen enkel met de grote gelegenheden, ne Kerstmis, ne Pasen en met de kermis. Enkelen zagen ze bijna nooit. Da waren moderne: die gingen twee tot drie keer op vakantie, die hadden relaties met groot volk en maakten carrière. Marie dacht dat ze een beetje verlegen waren da “zij” maar gewoon mensen waren. Ja, die weinig thuis komen, vervreemden ook van elkaar zei Marie weleens. De felste is ons Monnik! Heel modern in doen en laten. Met van alles en nog wat bezig, allemaal vrijwilligerswerk. Die valt altijd op ’t onverwachts binnen, maar dan is het alsof plots de zon in huis is. En ze heeft ook altijd zo van die verrassende ideeën. “Zeg moe, zoudt ge dat vaasje daar niet zetten, of mag ik dat hier wat anders schikken”? Ik zeg dan weleens “och kind, voor ons is ’t goed zo”. Maar als ze het dan gedaan heeft ben ik toch blij. Ge voelt dat ze ‘t niet doet om te moeien, maar opdat het hier nie te muf of te duf zou worden. Ja, ’t ouderlijk huis is veel te groot en soms is het zondags heel stil, maar we blijven toch thuis. Ge weet nooit… In de week kunnen ze naar de gepensioneerden en later naar t’ rusthuis. Ja, d’er zijn kinderen die zeggen: die ouders, daar zorgen anderen voor. De Bond van Gepensioneerden en later het OCMW. Gelukkig, de onzen niet, die komen nog naar huis. Ondertussen sloeg de klok 10uur… En de trappist was leeg. Zullen we maar… willen we eerst nog een tientje bidden van het rozenhoedje? Vroeger was dat in de wintermaanden altijd een heel rozenhoedje, maar je weet wel… Den televisie en terwijl ze baden dachten ze aan die andere Jozef en Maria met hun wonderkind! Wat die allemaal meegemaakt hebben: blijde, droeve dingen, maar alles liep goed af. Glorie zij… Goddank. Als ik ’s zondags in de kerk sta, het ouderlijk huis van de christenen dan voel ik mij weleens als Jef en Marie. ’t Is meestal veel te groot; er zijn verschillende soorten kinderen maar we blijven toch s’ zondags thuis. Komen er veel dan leeft het huis. Zijn er weinig dan zijn we blij en denken “ de anderen zullen elders moeten zijn, want ’t zijn allemaal goei…..”
Zalig Kerstmis.
A.Van Dijck.
|
||
|
|
Laten we vanavond in gedachte naar de kerststal gaan kijken en luisteren naar de boodschap die ons wordt verkondigd. Eén woord kan je overal horen: Vrede. In het hebreeuws klinkt het Sjaloom en betekent eigenlijk: “geheelheid of harmonie”. Kerstmis zingt van Sjaloom harmonie: en als ik bij het kerststallekke sta dan zie ik de harmonie uitgebeeld.
1. Centraal: Maria en Jozef en hun kind. Is dat niet de eerste vorm van harmonie die een mens nodig heeft: Vader – Moeder – kind. Een thuis, een plek van geborgenheid, mensen die om je geven. Hoe zeer dit oerbeeld van harmonie in onze wereld ook wordt verscheurd, vertekend of miskend, toch is het goed dat het heimwee ernaar blijft leven in ons hart en in de gebrokenheid van ons bestaan
2. Bij de kribbe zijn de herders aangekomen en in de verte zijn de koningen onderweg. Ze hebben geluisterd naar de boodschap van de engelen en de glans van de ster. En zijn op weg gegaan. Ze zijn de tweede vorm van harmonie in de kerstal. Herders en Koningen horen samen, rijk en arm vinden elkaar, elk heeft zijn eigen rijkdom. Het schaapje van de Herder, het goud, de wierook en de mirre van de Wijzen. Het kind brengt hen samen; vanuit het Kind, groeit de harmonie tussen arm en rijk, de groten en de kleinen, degenen die lukken en die mislukken, die wonen in paleizen en die waken in ’t open veld. De zwarten, blanken en gelen. De autochtonen en allochtonen. Hoever de realiteit van onze wereld ook verwijderd is van deze droom van harmonie en vrede, laat de droom niet los, bewaar het heimwee in je hart.
3. “Mama, wat komt dat konijn hier toch doen”, hoorde ik een kind vragen bij de stal. “Ja, ook de dieren horen hier thuis” zei de mama. Inderdaad, er wordt in de kerststal niet alleen de harmonie van de familie en de maatschappij bezongen, maar ook de harmonie van de mens en de dieren, de mens en de natuur. De os en de ezel hebben hun Bijbels patent, want reeds Jesaia schreef over hen: zij erkennen hun meester en de krib die hen voedt, terwijl de mens zijn meester vergeet. Als de telg van Isai komt wordt alles anders: Dan zal de wolf zich neerleggen naast het lam. Een panter vlijt zich bij een bokje neer. Kalf en leeuw zullen samen weiden. Een kleine jongen zal ze hoeden. Het pastorale beeld van de harmonie in de dierenwereld – aartsvijanden worden vrienden, - harmonie tussen de dieren en de mensen , de mens en de natuur. Onze kardinaal wijdde er zijn kerstbrochure aan: “De mens in zijn tuin”. Hopelijk heeft Gaia wat respect voor dit Bijbels visioen.
4. Tenslotte vertelt het kerststallekke nog over een vierde harmonie. Boven de stal schittert een ster, de zingende engelen hangen in het dak. Zij verkondigen de voornaamste harmonie: die tussen hemel en aarde, God en de mens, het hier-nu en het hier-na. Het eer aan God en de vrede aan de mens. Ook deze harmonie wordt ons verkondigd in de kerststal. Juist deze verbondenheid is de bron van elke andere harmonie Wie de verbinding met hierboven doorknipt, trekt de stekker uit die de hele kerststal in zijn volle licht doet stralen. De vele lichtjes in en rond de kerststal wijzen naar een onzichtbare bron die licht en energie geeft aan het hele gebeuren?. Trek de stekker uit – alles donker. Zo is het “Goddelijk Kind” de bron van de Sjaloom, de vrede en harmonie die ons in deze nacht wordt verkondigd. In dit Goddelijk Kind, leren we niet alleen God kennen maar leren we ook wie de mens is. Zijn geboorte en optreden was een levende parabel van God, maar in zijn leven kwam ook Gods plan met de mens volledig aan het licht. Hij was toonbeeld van God en voorbeeld van de mens.
Maken we het even stil: Zie in gedachten: De droom van harmonie tussen Man – Vrouw – Kind en alle pijn die er hierrond is. De droom van harmonie tussen arm – en rijk, autochtoon en allochtoon en alle afstand die er nog is. De droom van harmonie tussen de mens en de dieren en alle wanorde in ons ecologisch huis. De droom van harmonie tussen de hemel en de aarde, God en de mens. En vragen we aan het kind om Sjaloom in ons hart opdat wij hem zouden brengen in de wereld (zingen) Sjaloom, Gods vrede kome over u. (2x) Sjaloom, breng Gods vrede bij de mensen om je heen. Sjaloom, dan komt ook Gods vrede om je heen
|
||
|
|
De nieuwe bisschop Johan Bonny heeft als bisschopsleuze: “Het Lam zal hun herder zijn”. En op het schild staat het Lam zoals op het mooie glasraam boven het orgel in Hoogstraten. Het staat recht, wakker en aandachtig. Het draagt een herdersstaf met daarin het kruis, uitdrukking van dienstbaarheid en zelfgave, teken ook van verrijzenis en het nieuwe leven. Onze bisschop wil daarmee zeggen dat niet Hij de kudde van Antwerpen leidt, maar het Lam. Hij volgt het Lam en zal in het spoor van het Lam zijn nieuwe taak op zich nemen. Hij zal doen wat de twee leerlingen van Johannes de Doper doen in het evangelie van vandaag. Johannes wijst naar Jezus en sprak: “Zie het Lam Gods”. Deze woorden zijn zo belangrijk dat ze vereenzelvigd worden met Johannes de Doper. Hij wordt afgebeeld met een lam.
Voor de betekenis van het Lam moeten we terug naar de Bijbelse geschiedenis.
1. Bij de uittocht van het volk Israël uit de verdrukking van Egypte moesten de Israëlieten een lam slachten en het bloed van het lam uitstrijken op de deurposten. Zo zouden ze gespaard blijven van Gods toorn en bevrijd worden uit de slavernij. Het bloed van het lam bracht redding en verlossing aan Israël. Elk jaar moesten de joden blijven terug denken aan de wonderbare uittocht: het pascha van Israël. Ze moesten een jong lam slachten en een paasmaaltijd houden tot nagedachtenis aan de eerste uittocht, maar tegelijk als een oproep tot voortdurende bevrijding. De evangelist Johannes ziet Jezus als het nieuwe paaslam. Volgens Johannes wordt Jezus gekruisigd op het moment dat in de tempel de paaslammeren worden geslacht. Hij is het nieuwe paaslam dat zijn volk verlost. Op het kruis worden Jezus beenderen niet gebroken zoals dat ook niet mocht gebeuren met het Paaslam. Het Lam Gods brengt bevrijding.
2. Johannes noemt Jezus in zijn evangelie: “Het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt.” Hier verwijst hij naar een ander Joods gebruik. Elk jaar vierden de Joden de grote verzoendag tussen God en het volk en de mensen onder elkaar. Als teken van verzoening werd een lam, beladen met al het kwaad, symbolisch de woestijn ingejaagd waar het stierf voor de zonden van het volk. Het schaap was het zwarte schaap. Iemand die altijd de schuld krijgt noemt men het zwart schaap. Voor Johannes is Jezus het zwart schaap dat belast met onze zonden vrijwillig de dood ingaat. Zo verzoent hij de mensheid voor goed met God. Dit is de tweede betekenis van het Lam.
3. In het boek van de openbaring, het laatste boek van de bijbel, wordt het triomfantelijk Lam voorgesteld. Staande op het boek met zeven zegels, met een zegevaandel tussen de poten, terwijl zijn bloed stroomt in de beker. Rond het Lam op de troon staan Adam en Eva als vertegenwoordigers van de mensheid en de koren der engelen en de oudsten van het volk. Zij brengen hulde aan het Lam met het driemaal: “Heilig, Heilig, Heilig.” Het boek van de openbaring spreekt over het Lam als heerser en overwinnaar. Soms wordt het Lam ook voorgesteld als ram, de aanvoerder van de kudde, de “belhamel” met de bel, die aan het hoofd gaat en die de schapen en lammeren blindelings volgen.
Tenslotte vinden wij ook in de vroomheid en de liturgie het beeld van het Lam terug: - Johannes de Doper wordt afgebeeld met een Lam. - In de kleuterschool leerden we een liedje over Jezus en Sint Janneke Van Jezus en Sint Janneke Die speelden met een lammeke Al in het groen geklaverd land Met een papschoteltje in de hand - In de processie van ons dorp stapten Jezus en Sint Janneke op: Twee jongetjes: Jezus met een kleine wereldbol Sint Janneke met een levend schaapje aan een touw. - In de H. Bloedprocessie is de Lams Gods groep een van de mooiere groepen. Kinderen met een schapenvachtje en een kruis met overwinningswimpel. - In de mis zingen we tot 3x toe: “Lam Gods, Agnus Dei.” - Als de priester de Hostie toont zegt hij: Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt. Een uitnodiging om met eerbied Het Lam Gods te ontmoeten. Onze bisschop wil blijkbaar herder zijn zoals het Lam Gods. Misschien kan het ook ons inspireren. Het Lam heeft het onrecht niet overwonnen met macht en geweld. Hij heeft het overwonnen in geduld en verdraagzaamheid. Probeer te leven in zijn geest Probeer op uw beurt het leed van de mensen mee te dragen Probeer op uw beurt de zonde uit de wereld te dragen. Dan zijn wij volgelingen van het Lam Gods.
|
||
|
|
Van 28 juni 2008 tot 29 juni 2009 – 2000 jaar na de geboorte van Paulus. De paus heeft hiermee een dubbele bedoeling. Als wij Paulus beter leren kennen in zijn gedrevenheid voor Jezus dan zullen wij op onze beurt 1) groeien in onze liefde tot Jezus en 2) op een aantrekkelijke wijze ons geloof in Jezus verkondigen.
Paulus is afkomstig uit Tarsus, gelegen aan de Middellandse zee in het huidige Turkije. Tarsus was samen met Alexandrië en Athene een van de culturele en religieuze centra. Keizer Augustus, geboorteverhaal, studeerde in Tarsus. Het was ook een handelscentrum vooral in kostbare houtsoorten die via de zee verhandeld werden. Tarsus heeft een Griekse beschaving, maar op moreel gebied stond het laag genoteerd.
Paulus was lid van een Joodse gemeenschap. Hij was blijkbaar als jonge man geboeid door Jahweh God. Hij is zeer verstandig en gaat studeren voor Joods Schriftgeleerde, in Jeruzalem. Hij wordt leerling van Hillel een beroemd en een gelovige Schriftgeleerde. Hij kiest voor de theologische richting van de Farizeeërs. Farizeeër betekent op de eerste plaats: zeer wetgetrouw gelovige. Zij geloofden dat ze door het stipt en nauwgezet onderhouden van de wet en al zijn voorschriften de komst van de Messias konden bespoedigen. De wet en zijn voorschriften zijn heilig voor Paulus. Daar mag je niet aan tornen. In Jeruzalem komt de confrontatie.
Dat Joden leerlingen van Jezus worden vindt men niet zo erg maar dat heidenen christen worden zonder de Joodse wet, met de besnijdenis en andere verplichtingen, is een brug te ver voor Paulus en zijn geloofsgenoten. De hoofdman die opkomt voor een christen zijn zonder Joodse verplichtingen is Stefanus. Hij dient hierover uitleg te geven voor de Joodse rechters. Het eindigt dramatisch. Stefanus wordt gestenigd en dit zonder enige vorm van proces. In plaats dat de deur opgezet zou worden voor de heidenen worden alle bruggen op geblazen met al wie met de Jezus van Nazareth te maken heeft, Joden zowel als heidenen. De handelingen typeren Paulus dan ook als een kerkvervolger “met ziedende woede”, en die de leerlingen van Jezus met de dood bedreigt. Gevolg vele christenen – Joodse – zowel als heidense – vluchten naar Judea, Samaria, Damascus, Antiochie. Waar de christenen ook terecht komen, zij verkondigen Jezus. Het bloed van de martelaar Stefanus wordt het zaad van nieuwe gemeenschappen.
Nu verneemt Paulus dat in Damascus christenen heel openlijk in het publiek de Heer Jezus verkondigen. Van de Joodse leiders krijgt hij de volmachten om de christenen aldaar aan te houden. Vol ijver is Paulus nu op weg naar Damascus. Maar juist daar onderweg ontmoet hij Jezus. Hij vertelt het zelf: “Ik was opweg en naderde Damascus al, toen mij, rond het middaguur, plotseling een fel licht uit de hemel omstraalde. Ik viel op de grond en hoorde een stem tegen mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? Ik antwoordde: wie bent u dan Heer? Hij zei tegen mij: Ik ben de Jezus, de Nazireeër, die gij vervolgt”. Paulus wordt van zijn paard gebliksemd, zeggen de schilders. Van zijn paard. Het paard van de machtige mens. De beloofde Messias zou geen paard rijden. Hij zou op een ezel de stad binnen komen.
Alles wordt anders: daarom krijgt hij een nieuwe naam Saulus wordt Paulus, Paulus betekent klein en zwak. Een andere naam betekent een andere zending. Niet de wet redt de mens, maar God is ons heil. Slechts door geloof, overgave en vertrouwen in de God van Jezus wordt de mens gered… en deze redding is voor iedereen toegankelijk. We horen het in de lezing van vandaag. Nooit is het onder vroegere geslachten bekend gemaakt zoals het nu door de Geest is geopenbaard. Dat de heidenen in Christus Jezus mede–erfgenaam zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het evangelie. Aan Paulus danken wij het dat het christendom geen Joodse sekte werd, maar een boodschap voor alle volkeren. Juist deze boodschap wordt ons door Mattheus verkondigd in het evangelie van de Wijzen uit het Oosten.
|
||
|
|
1. In het O.T. leefde niet de gedachte van Missie- van zending. Wel dat het volk van God een roeping had voor alle volkeren. Israel moest zodanig leven dat het een licht werd voor de volkeren en dat de volkeren zouden toestromen om in het licht van dat volk te staan. “Niet uitgaan naar de volkeren, maar de Volkeren stromen naar Israël toe. Jezus zal aan zijn leerlingen zeggen: Gij zijt het licht van de wereld, Gij zijt de stad op de berg”. Onze eerste vorm en belangrijkste van missionering is dusdanig als christenen leven dat de anderen geboeid raken door ons leven en op zoek gaan naar het geheim van ons leven. “Zie hoe ze elkaar liefhebben” werd over de eerste christenen gezegd.
2. Missie als zending naar de heidenen ontstaat na Jezus dood en verrijzenis. De kerkvervolging na de dood van Stephanus, heeft als gevolg dat vele christenen vluchten. Overal waar zij komen verkondigen zij de Heer Jezus. Na zijn bekering tot de Heer Jezus, hij noemt het zijn roeping wordt Paulus de grote zendeling, de dienaar van het Woord. Hij wordt de rusteloze missionaris. Paulus maakte drie missiereizen te voet. Een afstand van 5000 km. Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig. Het is de H.Geest die hem uitstuurt en het is God zelf die hem daartoe geroepen heeft. Zoals Abraham zijn land en familie achter liet om te gaan waar God hem heen voerde, zo vertrok Paulus. Hij ging op weg zoals de goede Herder, op zoek naar de verloren schapen van Israël en uit alle volkeren.
3. Hoe gaat Paulus te werk. - Op de eerste plaats verkondigt Paulus de Heer Jezus in de synagoge het gebedshuis van de Joden. Hij vindt hier weinig gehoor en veel onbegrip, soms zelfs vervolging. In Lystra wordt hij gestenigd. Ze vermoeden dat hij dood is en slepen hem buiten de stad. De leerlingen van Paulus komen erbij uit en stellen vast dat hij nog leeft. Ze vluchten naar Derbe. - Op de tweede plaats verkondigt Paulus Jezus en de blijde boodschap rechtstreeks aan de heidenen. Dit gebeurt vaak ten huize van christenen en door een mond aan mond reclame. Zo groeien er kleine gemeenschappen. Maximum aantal is 120 zodat men elkaar allemaal persoonlijk kan kennen. - Op de derde plaats verkondigt Paulus het evangelie op het publieke forum. Zo zal Paulus spreken in de stad Athene op de Areopaag, een publiek spreekgestoelte. Zijn optreden vinden we terug in de Handelingen. Het werd geen verhoopt succes. Vooral wanneer hij spreekt over de opstanding der doden, haken velen af en spotten ermee.
Paulus zal veel tegenstand kennen. Later zal hij schrijven: De Joden blijven tekenen eisen. De Grieken verlangen wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid maar voor hen die geroepen zijn Gods kracht en Gods wijsheid. Als wij dit terug plaatsen in onze tijd zouden we kunnen zeggen: De verkondiging moet niet alleen gebeuren in de kerk, ook in de samenleving moet ze ter sprake komen en ook op het publieke forum van de media moeten christenen getuigen van hun geloof. Spreken over geloof is in onze tijd terug gedrongen tot de catacomben van het persoonlijk leven of de veilige ruimte van het kerkgebouw. Christen zijn in weer en wind is een uitdaging voor onze tijd. Met God op weg gaan is een risico. Daar zijn we vaak bang voor. Tot de volwassenen zei de Paus in Frankrijk: “Frankrijk wat heb je met je doopsel gedaan”. Een uitdagende vraag om geen slapende gedoopten te zijn, maar wakkere en mondige getuigen van hun geloof. En aan de 10.000 jongeren in Parijs zei hij: “Jonge mensen, wees niet bang om over Jezus te getuigen”. Het foldertje over Paulus wil ook ons uitnodigen de figuur van Paulus beter te leren kennen, maar vooral vanuit zijn gedrevenheid in zijn spoor te leven.
|
||
|
|
Wat is geluk?
De depressieve samenleving zoekt uitweg uit huidige crisis. Kardinaal Danneels: premier Van Rompuy en 6 personaliteiten uit het middenveld reiken ideeën aan. Je kan het lezen in het parochieblad van deze week dat in een nieuwe outlook verschijnt. De bovenbouw van onze westerse wereld is ingestort omdat de spirituele onderbouw verwaarloosd werd. Dat lijkt de rode draad in de getuigenissen. Moeten wij ons concept van geluk niet bijstellen vraagt de kardinaal. In plaats van te streven naar veel en meer gaan zoeken naar wat echt goed is. Geluk putten uit kleine dingen en dankbaar zijn voor wat er wel is. Crisis is een kans om bepaalde zaken fundamenteel anders aan te pakken. Hebzucht, wantrouwen brengen een spiraal van angst en onzekerheid in de samenleving. Een nieuwe mentaliteit is dringend nodig. Zorg dragen voor de spirituele grondslagen van de samenleving lijkt meer dan ooit belangrijk.
VRT: Elke avond een gezin dat leefde vanuit een bepaalde overtuiging: Islam, Vrijzinnig, Boeddhist, Katholiek. Het was hun bijdrage aan de Goede Week. Aan de kijkers om te kiezen, want we leven in een tijd van religieuze shopping...
Opvallend in deze getuigenissen was: - Dat een echte levensovertuiging te maken heeft met je hele levenswandel: het is niet iets als een zondagskostuum, dat je leven in de week niet raakt. - Dat een echte levensovertuiging een waarborg is voor respect en verdraagzaamheid in de wereld.
Pasen kan ook voor ons een keerpunt betekenen: geloven is je leven verbinden met Christus. Al wie zich met Jezus verbindt kiest voor Jezus levensstijl. Hij wordt een nieuwe mens. Met Pasen hernieuwen de christenen hun doopbeloften. In heel wat kerken worden met Pasen volwassen mensen gedoopt. Het betekent dat wij met Jezus begraven worden om met Hem een nieuw leven te kunnen leiden.
Onze hernieuwing bestaat dan ook uit twee delen.
1. Verzaken aan het kwaad, afstand doen van de oude mens, zou Paulus zeggen. Niet meer zinnen op het aardse. 2. Ons hechten aan God, aan Jezus, aan de Geest en de gemeenschap van de kerk. Zo maken christenen het verschil in deze moderne wereld waar onverschilligheid heerst en een seculier overheidsmoraal met totalitaire trekjes zich steeds meer opdringt.
"Wat betekent voor u geloven?" vroeg men aan 40 jarige man, die van dronkaard geheel onthouder werd en die in deze nacht in Brugge gedoopt wordt. "Geloven in Jezus geeft mij een gevoel van rust en veiligheid. Wereldse zaken worden bijkomstig. Je leert alles en een groter geheel zien en daardoor lig ik niet meer wakker van geld of carrière maken. Dat is geen vlucht uit het leven wel een bewuster besef van wat er echt toe doet, want ik was veel materialistischer. Van nature heb ik geen geduld, maar mijn christen zijn zet me aan beter naar anderen te luisteren en geduldiger te zijn. Dat maakt mij een beter en gelukkiger mens." (André Howie) Moge Pasen ook ons bevestigen in een bewuster christen te zijn.
Zalig Pasen A. Van Dijck.
|
||
|
|
Ieder mens droomt van geluk. Als kind meen je dat je gelukkig bent als je veel hebt. Je verlanglijstje is groot. Je pronkt met je nieuwe voetbalschoenen, je nieuwe fiets, je MP3 speler. Elk geschenk is welkom maar doet je verlangen naar meer. Stilaan ontdek je dat "hebben" de honger naar geluk niet kan stillen. Ook als men niets tekort heeft, ontbreekt er nog iets in het leven van een mens. Soms hoor je mensen zeggen: Hoe is het mogelijk, ze hadden niets tekort. "Hebben" is goed, maar niet alles.
Als je groter wordt, meen je dat geluk bestaat in presteren. Iets opbouwen in het leven. En je werkt, je bouwt je eigen huis, je bouwt je eigen zaak op. Je kan ermee uitpakken, je prachtige moto of glimmende wagen, symbool van prestatie. En als het er allemaal is, is daar weer die vraag, dat rot gevoel, die onrust. Presteren in het leven is mooi, maar het is niet alles.
Als je wijzer wordt kom je tot het bewust zijn dat Ik naar Jij vraagt. Dat een mens naar een medemens vraagt. Een uitgestoken hand naar een toegestoken hand. Een blik naar een wederblik. Relatie lijkt het toverwoord. Een mens wil mensen rond zich, een man, een vrouw, kinderen, vrienden. Dan moet een mens gelukkig zijn... en toch plots valt het doek over het leven. De droom van een kind, van de jonge man, van de wijze mens. We hadden de indruk dat ze verwezenlijkt waren in het leven van... De avond voordien was hij nog smoutebollen gaan kopen voor de kinderen en plots valt het doek over zijn leven en blijven wij achter met de vraag: Waarom toch! En we begrijpen niet... Ons waarom verwijst misschien naar het diepste waarom van elk leven. Moeder, waarom leven wij? Wat is de zin van ons leven? Zijn we hier alleen maar om wat rond te toeren, alleen of met kameraden? Zijn we hier om te rijden voor het goede doel? Of moeten we de coördinaten van onze levenstocht durven stellen op oneindig. Naar de einder die zich telkens aanbiedt, maar ook telkens verder wegtrekt. Luisteren naar the Call forwards, de roep vooruit en vertrouwen dat wij zo onze bestemming bereiken. Moeder, waarom leven wij? Zonder zin van het leven, verliest de mens de zin om te leven. Valt het gordijn. Is de deur op slot.
Na de dood van Jezus zaten de leerlingen samen: de deuren gesloten. Ramen en deuren gesloten als in het huis van een gestorvene. Ze staan voor een muur, zonder uitzicht, zonder hoop. Waarom toch...? En dan zegt het evangelie: Toen kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: "Vrede zij u"! Gods verhaal begint voorgoed waar het mensenverhaal eindigt. Hij dringt door de donkere muur van wanhoop, onmacht en onwil. Hij spreekt over hen uit Sjaloom! Vrede. Diepe rust, harmonie in ons hart, tussen ons mensen, tussen mens en natuur. Maar Hij toont ook zijn handen en zijn zijde, gekwetst, doorstoken. Geen rozen zonder doornen. Is het geen uitnodiging tot ons om verder te strijden, gekwetst, ontgoocheld. Ook in je verdriet ligt de kiem van je vreugde. Er is toekomst ook al ben je gekwetst door het leven. Ook het eerste Bijbelverhaal nodigde ons uit: niet bij de pakken te gaan zitten. Niet onder de bremstruik van de ontmoediging gaan schuilen, maar luisteren naar de engel die ons eten en drinken aanbiedt en zegt: Sta op! De engel... het zijn de kinderen, de familie, de vrienden, die velen die in deze dagen tot ons zeggen: "Kom, laten we verder gaan, laat de motor ronken en starten voor een nieuwe tocht naar onbekende einder, daar waar hij verblijft, aan de andere kant."
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Groot nieuws brachten de media.
In heel Vlaanderen wordt er slechts 1 priester gewijd. Dus denkt de media en wil ons doen denken: het is bijna gedaan met het katholieke bastion in Vlaanderen. En onlangs verscheen een boek met als titel: "In de tijd van meneer pastoor", toen de kerken nog vol zaten. Een terugblik op de kerk van vijftig jaar geleden. Het minste wat deze twee feitjes leren is dat we leven in een andere tijd. "Laten we oversteken" zegt Jezus tot zijn apostelen. Ze moeten het vertrouwde Joodse gebied verlaten en z e moeten oversteken naar het onbekende gebied van de heidenen. Ze moeten dat doen niet op klaar lichte dag, maar tegen het vallen van de avond. Het wordt een nachtelijk avontuur.
Toegepast op onze tijd zegt Jezus ons: Laten we oversteken van de wereld van de christenheid, naar de wereld waar de christenen als een kleine minderheid leven midden een verheidenste samenleving. En we moeten dat doen niet in een tijd van grote klaarte en duidelijkheid, maar in de nacht van zoeken en tasten op alle gebied.
De evangelische situatie kan je best transponeren naar onze tijd. Misschien reikt het ons dan ook enkele leefsleutels aan voor vandaag.
1. Eerste realiteit. Je komt in een storm terecht. Een storm die man en boot de dieperik in sleurt. Een storm waarin we dreigen ten onder te gaan.. Inderdaad de secularisatie is als een storm door de Vlaamse kerk getrokken. Vele heilige huisjes zijn ingestort en vele waarden die vast stonden werden plots in vraag gesteld. Denken we maar aan alles wat met relatie te maken heeft, met levensbegin en levenseinde. Ook in het strikte domein van Godsdienstbeleving lijkt heel wat op losse schroeven te staan.
2. Tweede realiteit. Jezus slaapt. Hij grijpt niet in, hij laat de leerlingen alleen tobben. Op het eerste zicht betekent dit slapen van Jezus: afwezig zijn, niet deelnemen aan, in de steek laten. Eigenlijk betekent het slapen van de Heer meer: Jezus slaap toont dat Hij vooral vertrouwen heeft in zijn leerlingen.. Hij laat hen de verantwoordelijkheid over de boot. Jullie moeten eruit komen. Dit is de situatie na Pasen: uiterlijk een afwezige Jezus en toch in geloof een aanwezige Jezus. Jezus slapen nodigt uit tot vertrouwen. Hij is er. dat is genoeg. Hij verwijt hen hun gebrek aan geloof en vertrouwen. Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog gen geloof bezit?
3. Derde realiteit. Jezus openbaart zich als de Heer van wind en water. Wind en water zijn mensbedreigende krachten, doodzaaiende elementen. Jezus, de Heer van wind en water betekent dat Jezus de machten van wanhoop en dood overwint. Jezus optreden maakt van dit verhaal een paasverhaal. Jezus overwint de machten van de dood. Als Jezus in een ander verhaal over de stormachtige golven wandelt, betekent dit dat hij de dood onder de voet loopt.
Besluit: Vooreerst wil ik u proficiat wensen omdat jullie nog altijd in de boot blijven. Velen hebben het schip van de kerk verlaten. Ze staan als de beste stuurlui aan wal. Jullie bleven, ook al zit ons bootje in de storm, ook al zijn we soms bang voor wat ons te wachten staat. Bedankt dat jullie in de boot blijven. Vervolgens nodigt Jezus ook ons uit tot vertrouwen wees niet bang. Angst is een slechte raadgever. Bidt om een diep levensvertrouwen in je hart en vraag te geloven. De Heer van de storm is bij ons.
Ook Job heeft in de storm van het lijden geleerd dat je niet moet willen begrijpen: dat je God niet moet uitdagen. Alleen vertrouwvolle overgave houdt de mens staande. Met dit verhaal nodigen de eerste christenen ons uit tot vertrouwvol geloof. Ze vertellen hoe ze zelf in de storm hebben gezeten en hoe ze dachten dat Jezus onverschillig toezag, maar hoe zij er uiteindelijk doorkwamen dank zij Hem. Maar het is een lange weg van "Wie is Hij toch" naar "Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God".
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Vandaag hoorden we het mooie verhaal van de broodvermenigvuldiging. Het komt zes maal voor in het N.T. We kennen dit van buiten, maar misschien te weinig van binnen. Laten we proberen er wat dieper in door te dringen.
1. Jezus maakt geen scheiding tussen bidden en werken. Wij doen dat wel. Bidden is voor 's zondags, werken voor in de week: tussen geloof en leven. Ook de leerlingen wilden een scheiding maken tussen het luisteren naar Jezus en het zorgen voor brood. "Ze zeggen tegen Jezus: stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om onderdak en eten te vinden.
Ze zijn nuchter en
realistisch/ Jezus zorgt voor de preek, voor het eten moeten ze zelf
zorgen.
2. Geef gij hen maar te eten. De leerlingen zijn aan zet om het probleem op te lossen. Eerste reactie: Wat hebben we? Vijf broden en twee vissen, maar dat! Dus geen beginnen aan. Hoe vaak gebeuren er geen wonderen in de wereld omdat wij denken dat wij dat niet kunnen! Daar heb ik niet voor geleerd! Daar heb ik geen tijd voor! Dat kan ik niet. Ik heb maar vijf broodjes en twee vissen. Tweede reactie: We zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen. Dus geld inzamelen en dan eten gaan kopen.
Zo heeft de kerk tot op onze dagen dit begrepen; onder vele vormen heeft ze geld ingezameld om de honger en de nood in de wereld te lenigen. Denken we maar aan Broederlijk Delen of Welzijnszorg. Hulpacties zijn misschien wel goed, maar lossen het fundamenteel probleem van de honger niet op. Want goed georganiseerde hulpacties die de leerlingen voorstellen veranderen niet echt de wereld. De maatschappij zou blijven zoals ze is. Zij zou steeds opnieuw structuren van ellende voortbrengen. De leerlingen zouden zonder ophouden puffend op en af moeten lopen om de hulp tegen de honger te organiseren en ze zouden daarbij nooit de ellende uit de wereld kunnen helpen. Jezus kiest voor de derde oplossing. Het is de weg van Gods heerschappij. En omdat Hij weet dat zijn leerlingen dit uit zichzelf niet begrijpen neemt Jezus zelf het initiatief. Hij vraagt: Hoeveel broden hebben jullie? "Vijf broden en twee vissen". Kerkleraars zien in de 5 broden en 2 vissen een symbolische betekenis. De vijf broden staan voor de 5 boeken van Mozes, de Tora. en de 2 vissen voor de geschriften en de profeten. Zo zeggen zij: In Jezus is heel de rijkdom van het O.T. aanwezig. Al het voedsel uit de Tora, de geschriften en de profeten is aanwezig in Jezus die de vijf broden en twee vissen in handen neemt. Jezus is de volheid van Gods voedsel.
In Hem is het rijk Gods, aangekondigd in het O.T. zichtbaar aanwezig. Hij zal Gods heerschappij openbaren als een wonder en wel als een wonder dat vertrekt van wat al voorhanden is. Voor dat het wonder kan gebeuren moet er nog iets heel belangrijks gebeuren. Hij gelastte zijn leerlingen: Laat ze gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig. Blijkbaar krijgen de leerlingen de opdracht, de massa om te vormen tot kleine gemeenschappen. Zo moest Mozes ook doen toen hij met zijn volk door de woestijn trok. Geen massa schapen zonder herder maar kleine gemeenschappen van vijftig mensen. Zou dat niet ook nu de opdracht zijn van de volgelingen van Jezus. De grote menigte die vaak ronddoolt als schapen zonder herder samenbrengen in kleine gemeenschappen. Kerk-zijn is gemeenschap vormen. Alleen wanneer het verstrooide volk van God zich laat bijeenbrengen en zich rond Jezus, zijn eindtijdelijke herder verzamelt, kan het wonder gebeuren. Ook wij zijn hier vandaag verzamelt rond Jezus. Hij breekt het brood. Niemand zal tekort hebben. Als ze allemaal in groepen gezeten zijn, wordt het stil in de vlakte als onder de consecratie in de kerk. Alle ogen zijn naar Jezus gericht. Hij nam de vijf broden en twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak de zegen er over uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten. Allen aten tot ze verzadigd waren en wat ze overhielden haalde men op, twaalf korven met brokken. Twaalf korven met brokken staan symbool voor de twaalf stammen van Israël: er is overschot voor iedereen.
Blijft de vraag: is dit alles dan werkelijk gebeurd? Het antwoord kan alleen luiden: Ja, dit alles is gebeurd en gebeurt voortdurend opnieuw. Het is werkelijk gebeurd dat de kerk predikte en daarna de mensen met honger naar huis stuurde. Het is werkelijk gebeurd en gebeurt voortdurend dat de kerk zich in bewonderenswaardige hulpacties om de honger van de mensen bekommert en daarbij de zieke samenleving laat bestaan.
Het is echter ook gebeurd en gebeurt steeds weer dat de kerk zich in Jezus tot die nieuwe samenleving laat bijeenbrengen tot een gemeenschap waarbij iedereen alles met elkaar deelt en waar er niemand is die gebrek lijdt. Na Pasen zien we deze kleine huisgemeenten ontstaan. Ook wij worden opgeroepen zulk een gemeenschap te zijn.
A. Van Dijck.
|
||
|
|
"Zorg dat Vera altijd in uw buurt blijft" met die leefregel proberen Herman en Hilda hun kinderen op te voeden en hen ook voor te gaan. Herman zie ik regelmatig in de mis van 8.30u in Wortel. Hij behoort bij de groep niet Wortelse mensen die ervoor zorgen dat we op zondagmorgen toch met een behoorlijk groepje 30-40 kunnen eucharistie vieren. Na een van de vieringen had ik de kans om nader kennis te maken. Al vlug ging het over de vakantielezing van die zondag: goede menselijke relaties zijn voor het geloven van ontzettend groot belang. Geloof kun je alleen maar overdragen als er een goede menselijke relatie is. Ik zou dat tegen ouders willen zeggen die zich grote zorgen maken over het geloof van hun kinderen. Zorg ervoor dat u een fijne vriendschappelijke relatie met hen hebt en houdt. Dan draag je meer geloof over dan met honderd moraal preken. Het geldt niet alleen voor u ouders, maar evenzeer voor de pastor. Geloofsoverdracht gebeurt maar binnen een goede menselijke relatie.
Toen deed Herman zijn verhaal. Wij zeggen aan onze kinderen: “Zorg dat Vera altijd in je buurt blijft!” Vera wie is dat? ...... Voor ons is dat het letterwoord dat uitdrukt welke waarden we aan onze kinderen willen meegeven. V staat voor vertrouwen. E staat voor eerlijk R staat voor respect A staat voor afspraken. Vaak hadden wij het hierover met onze kinderen. Als je die levenswaarden in je leven altijd dicht bij u houdt dan zal je wel op de goede weg blijven. Opdat de kinderen het niet zouden vergeten, kwamen we tot het letterwoord VERA. Dat woord kennen ze ondertussen goed. En wij hopen dat ze VERA in hun buurt houden.
Ik was getroffen door dat mooie levensechte verhaal van een eenvoudige jonge huisvader die de kerk nog probeert in zijn leven een plaats te geven. Uit respect en waardering wil ik het graag met je delen. A. Van Dijck
|
||
|
|
Gepensioneerden zijn goud waard. Hoezo, ouderen zijn niets meer waard.....
We hebben zilver in onze haren, goud in onze tanden, gas in onze darmen, stenen in onze nieren, lood in onze schoenen, kalk aan onze nagels staal in onze heupen plastic in onze knieën vol met dure medicijnen lijken we wel op goudmijnen.
Een mens met zoveel mineralen is met geen miljoen te betalen Daarom ga ik fier door het leven neem kritiek op als een spons Want door al die rijkdom Drijft de economie nog steeds op ons!!!
|
||
|
|
In 't Spijker kwamen ook dit jaar een 40 jongere en oudere gehandicapten mensen een week op kamp met een 35 begeleiders. "Zonnekamp" heet het en ze hadden dit jaar prachtig weer zodat de meeste activiteiten buiten te doen waren. Muziek is iets dat deze gasten geweldig aanspreekt. Dan kunnen ze zich uitleven. Ze waren ook te gast in de kerk in 't half twaalfke en het deed goed zoveel jeugd eens samen te hebben en te voelen dat zij gevoelig zijn voor het hogere en de priester die er in Jezus plaats is. Toen ik hen 's maandags ging uitwuiven, kreeg ik een dankwoord omdat ikzelf de communie aan de zwaarst gehandicapten had gebracht.
Maar de mama van Liesbeth, die hielp in de keuken, deed me volgend verhaal: “Op een dag kwam een vrouw uit de buurt erg verbolgen binnen in de keuken. ‘Dat dat moest gedaan zijn met die muziek overdag. Ik kan niet meer rustig op mijn terras zitten’. We schrokken even en toen zei ik: ‘Mevrouw, kom maar even mee dan weet je wie die lawaaierige gasten zijn’. Zo brachten we haar tussen de gasten in hun rolwagens. Enkelen kwamen haar spontaan een hand geven. Je zag ze zo van haar kwaden troon vallen, ze had geen woorden meer en zei toen ze wegging: ‘Sorry, ik heb niets gezegd’.” Dit is de kracht van zwakken!
Ook in Lourdes zie je dat gezonde mensen hun grote mond en hoge toon verliezen wanneer ze al die zieken zien en hun begeleiders. Ze worden stil en mild en denken: waarom zij en niet ik! Dankjewel.
A. Van Dijck.
|
||
|
|
Begin september is de vakantie gedaan. Hoe, de vakantie gedaan? Ik heb altijd vakantie want ik ben net drie jaar. Ons mama vertelt dat ik naar school ga. Ik heb al een nieuwe boekentas gekregen en ons mama gaat voor mij ook boterhammetjes smeren net zoals voor ons papa. De papa die ik heb moet vroeg naar zijn werk vertrekken, dan mag ik nog zeker een uurtje slapen. Ons mama komt me dan wakker maken en helpt mij met alles wat nodig is. Even pinkt ze een traantje weg, dat had ik net gezien. Ze vertelt dat het een traantje van geluk is maar dat snap ik niet; hoe kan dat dan? Ons mama heeft nog traantjes (van geluk?) als zij me achterlaat op de koer in de veilige handen van de juf. Ik snap dat niet want ik speel toch braaf met de andere kindjes? En hoe kan ik nu weten of ik slim ben? En ik weet ook niet dat ik nog minstens 15 jaar naar school zal moeten! Wat ik wel weet is dat iedereen voor mij zijn of haar best gaat doen maar dat mag ook wel voor zo’n kleine lieve ukkepuk. Verwacht echter niet het onmogelijke want dat kan ik zeker niet waarmaken.
Bij de start krijgt ieder kind een rugzakje mee; het ene zit barstensvol, het andere slechts de bodem gevuld. Sommigen lopen hups met hun gewicht door alle straten van het leven. Bergop of bergaf, het is om het even. Steeds als een sneltrein voort. Anderen tillen zwaar aan hun lichtgewicht. Ze kijken naar hun zusjes en broertjes die al om de hoek verdwenen zijn. Ze zijn niet jaloers, alleen boos als hun halve woorden, niet begrepen worden. Meestal komen de lichtgewichtjes, met een duwtje in de rug, een stuk hogerop. Dan zie je hen stralen, hun moeite –met hulp- is niet tevergeefs, want ook zij zien de top van de berg.
|
||
|
|
Het volgend werkjaar stellen de bisschoppen in het teken van de Geloofsbelijdenis, Het Credo. Zij willen ons de inhoud maar vooral de schoonheid van de geloofsbelijdenis doen ontdekken. De acclamatie die we leerden wil het belijden van het geloof wat feestelijker maken. Heel ons geloof is samengevat in de woorden van het kruisteken. Ik geloof in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. Het kruisteken maken is eigenlijk de kortste geloofsbelijdenis.
Twee symbola: samenvatting van ons geloof. Ze zijn ontstaan in de eerste eeuwen van de kerk en op een bepaald moment door de kerk als officiële canon van het geloof vastgelegd. 1. De twaalf artikelen van het geloof of het symbolum van de apostelen dat terug gaat tot de apostolische tijd. 2. Het symbolum van Nicea en Constantinopel: het is de vrucht van de twee eerste concilies (325-381) toen de Oosterse en Westerse kerk nog samen waren. Elk van deze symbola heeft het drieledig karakter van Vader, Zoon en Geest. ons geloof is trinitair.
Wat betekent het voor mij? 1. Ik geloof in de Vader, zegt mij dat mijn leven niet beheerst wordt door het toeval of het noodlot. Er is boven mij een werkelijkheid, die wij God noemen en Vader noemen. Een werkelijkheid die hoogverheven is maar die toch ook nabij is. Vader drukt relatie uit, oorsprong en liefde. Hij is iemand met de almacht van de liefde. God is boven mij. 2. Ik geloof in de Zoon, Jezus Christus zegt mij; die hoogverheven God is mij nabij gekomen. Hij is binnengetreden in de mensen geschiedenis en in het mensenbestaan. Hij is in alles aan ons gelijk, behalve in de zonde. God naast mij. Hij is als mijn schaduw; soms voor mij, soms naast mij, soms achter mij. Steeds tot steun voor mij. In Jezus is God een beetje lotgenoot, tochtgenoot en bondgenoot geworden. Mijn Heer en mijn God zal Thomas uitroepen. 3. Ik geloof in de Geest, de heilige. God is boven ons, naast ons, hij is ook in ons. God in ons; daarvoor gebruikt de Bijbel meerdere beelden. Adem die levendmaakt. Een lichaam wordt een levend lichaam door de adem. Zonder adem is het een lijk. De Geest houdt ons geestelijk levend. Als de Geest eruit is, is het ermee gedaan. Zo is het met de mens, maar ook met menselijke instellingen. Zonder geest geen geestdrift. Vuur dat vurig maakt: een ander beeld om te zeggen dat de Geest iets innerlijks is, dat oplaait en naar buiten treedt. Vuur zuivert en reinigt en maakt heilig, heel en puur. Wind: die je niet ziet, maar waait waar hij wil. Zo is Gods geest: Hij stuwt vooruit, hij sleurt mee, hij behoedt je.
God boven mij, als Vader God naast mij, als Zoon en broeder God in mij, als Adem, vuur en wind, de heilige. De acclamatie, credo, credo, credo Amen" wordt gezongen als een cresendo - geloofsbelijdenis. En het Amen betekent niet: Het zij zo: Maar daar sta ik achter. Dat staat vast - daar ga ik voor. Zoals een moeder haar kindje stevig in de armen houdt, zo hecht ik mij aan die God. Wie beter dan Maria kan ons helpen te geloven, te vertrouwen in die God, Vader Zoon en Geest. met elk van hen leefde zij in een bijzondere relatie zoals we uitdrukken in het Rozenkransgebed. Ik groet U dochter van God de Vader Ik groet U moeder van God de Zoon Ik groet U bruid van God de Geest, de heilige. Amen.
A.Van Dijck.
|
||
|
|
Het hoofddoekendebat en het verbod van religieuze symbolen brengt heel wat in beweging in onze samenleving. Opvallend weinig van uit christelijke hoek, maar vooral vanuit de Islamhoek. Toch kunnen we ons de vraag stellen of dit verbod wel een goede zaak is voor de samenleving en voor het pluralisme waarvoor juist die instanties pleiten. Blijkbaar wil men scholen en morgen een samenleving waar alles moet grijs zijn, neutraal. Waar de eigenheid niet zichtbaar mag worden verdwijnt juist het actief pluralisme waar de voorvechters van het hoofddoeken verbod zo voor pleiten. De trein van het hoofddoeken verbod verbergt nog twee andere treinen, schrijft Jan de Volder in Tertio. De eerste is die van het rabiate secularisme, neutraliteit zeg maar. Men heeft het duidelijk gemund op religieuze symbolen. Andere vestimentaire tekens zijn blijkbaar geen probleem. Godsdienstige tekens, ook de Joods christelijke, zijn bedreigend voor de samenleving zegt men. Men wil blijkbaar elke religieuze uiting uit de publieke ruimte bannen. De tweede trein achter het verbod is die van de Islamfobie. Het verdacht maken van en stigmatiseren van een groep is een gevaarlijke evolutie, waar de democratie zich moet voor hoeden. We hebben dat nog gekend in de dertiger jaren. Om de Islamisering tegen te gaan is het nastreven van neutraliteit een verliezende strategie, schrijft Jan de Volder. Veel beter ware het trots onze cultuur en ons religieus patrimonium te promoten en te beleven en waar nodig te herontdekken. De open deurdag van Davidsfonds geeft ons alvast een kans.
Misschien vraag je je af:
wat heeft dit met de liturgie van de zondag te maken.
1. De gelovige Jood in het beloofde land stond door zijn levenshouding rechtlijnig tegenover de louter menselijke wijsheid van de Grieken die vele Joden volgden. Hij was een levend verwijt voor zijn landgenoten. Hij heult niet mee met de massa. Hij laat zich niet indommelen door heidense gebruiken op materieel en sexgebied. Daarom komt hij onverdraagzaam over bij de grote massa. Jezus heeft hetzelfde meegemaakt in zijn tijd. Als christenen in deze tijd geen levend verwijt meer zijn voor onze moderne heidense wereld kunnen we ons de vraag stellen of wij niet de kern van ons gelovig zijn hebben laten verwateren. Christenen zouden af en toe een aanklacht moeten zijn tegen de lauwheid van onze wereld en tegen de geestelijke en materiële verloedering van het leefklimaat.
2. Ook het evangelie geeft ons een goede richtingwijzer voor de samenleving. Wie is de grootste? Wie is de voornaamste? Jezus plaatst een kind in hun midden! Een kind is weerloos, is het beeld van de zwakke en kwetsbare mens. Die moet centraal staan in de opbouw van een wereld naar Gods hart. En als iemand de eerste wil zijn, zal hij dienaar van allen moeten zijn. verantwoordelijkheden zijn geen persoonlijke voorrechten, het zijn dienstfuncties. Dienstaken ten bate van allen.
|
||
|
|
Binnenkort stopt de fabriek waar mijn man werkt. Je weet wel, weer een fabriek slachtoffer van de crisis. Ander werk vinden kan hij wel vergeten. Met je 58 ben je afgeschreven in de industrie.
Ik zie er als een berg tegenop. Ik kan me niet voorstellen dat hij altijd thuis zal zitten en niet weet wat hij moet doen. U zegt dat dat het probleem van mijn man is. Daarin heeft u gelijk maar het is evenzeer mijn probleem. Sinds onze trouwdag, jaren geleden, ben ik gewend dat hij om 6.30 uur het huis verlaat en omstreeks 17.30 uur terug thuiskomt. Ik ben gewend in die tussentijd zelfstandig te handelen. Ik moet wel. Toen onze kinderen klein waren had ik de handen vol. Vaak heb ik toen gedacht dat het gemakkelijk zou zijn als mijn man meer thuis was. Door de tijd heen werd ik meer zelfstandig in alle zaken. Toen de kinderen schoolplichtig waren ging ik halve dagen mee werken. Sinds een tweetal jaren ben ik gestopt.
Ik hou nu mijn huishouden in orde. Heb tijd om wat te lezen, verzorg de kamerplanten, doe op mijn eigen tempo de boodschappen. Als ik zin heb sta ik in de keuken te kokkerellen. En anders niet, zo simpel is dat. Ik kan dat zelf bepalen, ook of ik ga wandelen of een middagdutje doe. Ik voel me goed met deze vrijheid.
Als mijn man thuis is vrees ik een soort van “controle”. Of misschien beter gezegd dat elke vraag, ook al is ze maar interesse gesteld, waar ga je heen?, als controle zal ervaren. Het is best mogelijk dat ik graag op dergelijke vragen kan en wil antwoorden. Het kan ook zijn dat dergelijke vragen me vreselijk op de zenuwen zullen werken. Over deze onzekerheid zou ik met mijn man willen praten. Hoe we er samen mee om kunnen gaan. Hij vindt dat nog tijd genoeg. Ik vind van niet.
Mijn man denkt en praat alleen over zijn werk. Binnen enkele maanden valt dat weg. Dan komt er een nieuw leven op mij OP ONS af. Het wordt een enorme uitdaging voor ons beiden. Ik ben er zeker van dat mijn man er ook bang van is, alleen praat hij er (nog) niet over.
Ik zie er als een berg tegenop. Mijn man ook. Samen gaan we naar de top, soms moeten we misschien wel een stapje terug maar zullen daar hopelijk samen nog enige tijd kunnen verblijven, in alle rust, voor het leven dat ons nog rest, genietend van alles rondom ons.
Frans S.
|
||
|
|
Bij het binnenkomen in de kerk ontving u een prentje van de missiezondag. Laten we het even bezinnend en biddend beschouwen.
In de diepte ziet u de wereldkaart met de Stille Zuidzee, waarin het eiland Molokai gelegen is. Op een landtong van dit eiland bevond zich de melaatsenkolonie: het eiland der verdoemden. De wereld van de gezonden dropte daar de melaatsen om zich te beschermen tegen de ziekte.
1. Foto links boven: het gelaat van de zieke heilige pater Damiaan. Kamiano genoemd door de melaatsen.
Ik bewonder 3 dingen in Damiaan: "Hij wilde blijven". De bisschop stelde een beurtrol voor. Ze zouden elkaar om het half jaar aflossen. Damiaan wees dit af. Eens hij er was wilde hij er blijven. Deze mensen hebben iemand nodig die bij hen blijft. Geen engagement voor enkele jaren maar een levensengagement. Onze tijd en onze kerk heeft mensen nodig die een levensengagement durven aangaan. "In naam van Jezus".
Hij vertrekt vanuit de concrete mens. Hij kwam op Molokai als een kind van zijn tijd dwz de katholieken waren de goei, de anderen ketters en heidenen. Deze visie was simpel rechtlijnig en onverdraagzaam. Op Molokai leerde Damiaan vertrekken vanuit de concrete mens: de zieke mens. Elke mens die ziek was, was zijn medemens. Tot op vandaag brengt Damiaan mensen van alle overtuigingen samen in de zorg om medemensen.. Zijn beeld in het Capitool in Washington toont de wereldwijde betekenis van Damiaan.
De eucharistie is de bron waaruit hij kracht put. Een van zijn eerste opdrachten is de kerk herstellen om de mensen samen te brengen rond de eucharistie. Levensengagement, vertrekken vanuit de concrete mens, kracht putten uit de eucharistie. Ook voor ons zijn ze belangrijk om het vol te houden in deze tijd.
2. In Jezus naam: "sta op" Deze woorden zei Petrus tot een lamme die zat te bedelen bij de tempelpoort van Jeruzalem: Geld of zilver heb ik niet. Maar wat ik heb zal ik u geven: "In Jezus naam! Sta op". De man kwam overeind en liep. Petrus verwijst naar de opstanding van Jezus. vanuit zijn kracht treedt hij op. Reikt de hand en richt hem op. Missionarissen zijn meer dan ontwikkelingshelpers. Ontwikkelingshelpers handelen in eigen naam, vanuit eigen inzichten en eigen competentie. Missionarissen handelen in naam van Jezus, in naam van de God van Jezus. Natuurlijk moeten ze inzicht hebben in de problemen, natuurlijk moeten ze streven naar competentie, maar door te handelen in naam van Jezus, in naam van God krijgt hun handelen een hogere en diepere dimensie
In Jezus naam: sta op is vandaag ook tot ons gericht. Christenen worden opgeroepen op te staan , zich niet neerleggen bij de wantoestanden in onze wereld maar deze wereld en zijn probleem met hoop en moed tegemoet te gaan.
3. Op de achterkant staat een mooi gebed. Bidden is het eerste engagement van de christen. Bidden getuigt immers van hoop. Vaak stellen we de vraag wat haal al dat bidden uit? Alleszins dit: Waar de mens bidt, spreekt hij de hoop uit , houdt hij de hoop levend. Waar niet meer gebeden wordt heeft men de hoop opgegeven. laten we daarom vandaag onze hoop uitspreken met de woorden van het gebed van de missiezondag.
Gebed voor de missiemaand 2009. Barmhartige God, Vriend van de mensen, wij danken U voor uw Zoon Jezus, die ons toont hoe groot uw liefde is voor ons, en in het bijzonder voor al wie lijdt.
Hij geeft ons dezelfde opdrachten die Hij van U, zijn en onze Vader, heeft gekregen: "Wees mijn getuigen" en "genees zieken, wek doden op reinig melaatsen, drijf kwade geesten uit. Gratis hebben jullie ontvangen, geef dan ook gratis".
Wij danken U ook, Vader, voor het voorbeeld van pater Damiaan, die Jezus is nagevolgd door zijn leven te geven voor de uitgestotenen zieken op Molokai. Door zijn vriendschap en nabijheid heeft hij getoond dat voor U niemand is afgeschreven. Wij bidden U, Vader, voor alle missionarissen die zoals pater Damiaan in Jezus 'Geest hun land verlaten om elders van uw liefde te getuigen en vragen U met aandrang: Geef ons Uw Geest opdat ook wij in dankbaarheid op uw liefde zouden vertrouwen zodat ook wij in staat zijn om niet voor onszelf te leven maar onze tijd, onze aandacht, onze energie te "verliezen" aan wie door ziekte of door mensen ter dood veroordeeld is.
Dit vragen wij U door Jezus Christus, uw Zoon en onze Broer.
|
||
|
|
Met Allerheiligen ga ik elk jaar wandelen in de Torendreef. dat is mijn bezinning over Allerheiligen - Allerzielen. Ook vanmorgen heb ik het gedaan. Als je in de Torendreef gaat wandelen laat je je wagen staan aan de Bras. Daar eindigt de wereld van de bedrijvigheid, loonwerk, landbouw, tuinbouw. Het eindigt aan de Torendreef. Je wordt uitgenodigd de drukte achter je te laten en open te staan voor een andere wereld.
1. Eerst kom je aan de speelzone. Kinderen nodigen uit. Ieder mens heeft zijn speelzone. Zijn ruimte om het levensspel te spelen. Reeds dichter Joost Van De Vondel dichtte: "Het leven is een schouwtoneel, elk krijgt zijn rol en speelt zijn deel". Soms is het leven een blijspel, soms is het een drama. En hier en daar maakt iemand er een klucht van. Hoe we het levensspel ook hebben gespeeld, of het lang heeft geduurd of kort. Het doek valt onherroepelijk en plots sta je aan het kerkhof. Het kerkhof van de landlopers of het kerkhof rond de kerk. Het kerkhof is Allerzielen, het roept de vergankelijkheid op van de mens en het mensenleven. Ieder mens is een beetje Allerzielen. Hij heeft iets zieligs, iets klein - 't is maar dat. Zo wandel ik even naar 't graf van André. Ze hebben hem dit jaar zo maar in de grond gestopt. Zonder boe of bah. Hij heeft een naam, de meesten hier slechts een plaatje met een nummer. God schrijft hun namen in de palm van zijn hand. Hij zorgde vorig jaar voor de bloempot voor zijn vrienden, nu staat er een potje op zijn graf. Wie goed doet goed ontmoet! We moeten het zielige van onze dierbaren niet wegmoffelen of verdoezelen we moeten het durven laten zijn zoals het was.
2. Ik wandel verder en kom aan Bootjesven: Zalige rust, zalige stilte. De blauwe reiger aan de kant staat op wacht, de eendjes glijden over het water.
De negende zaligheid bij de
acht zaligheden die we hoorden in het evangelie.
3. In de verte zie je het licht van de nieuwe dag en de donkere tunnel van de Torendreef plooit breed open tot een wijds landschap. Daar plaats ik de eerste lezing de nieuwe hemel, de nieuwe aarde. De schare die niemand tellen kan en de mensen in witte gewaden en met palmtakken in de hand. Zoals de Vlaamse primitieven in het Lam God achter de heilige beelden Vlaamse landschappen hebben geschilderd, zo mogen we de hemelse beelden uit de Bijbel plaatsen in het Wortelse l andschap. En met de Wauw van het hemelse landschap en zaligheid van Bootjesven keren we langs het Allerzielen van het kerkhof terug naar het leven en doen van de mensen. Ook wij zijn Allerzielen en Allerheiligen. Hoe dragen we zorg voor het heilige in ons leven? Hoe gaan we om met onze zieligheid. Onze dierbaren willen ons daarin de weg tonen, laten we luisteren naar hun boodschap.
A Van Dijck
|
||
|
|
In zijn boek "Op zoek naar Wijsheid" vraagt Herman Van Rompuy, de kersverse president van Europa zich af: “Hoe kan het christendom de 21ste eeuw overleven?” Hij ziet drie opdrachten voor de christenen:
1. Christen moeten meer houden van hun tijd, van hun wereld. Il faut épouser son temps. Ge moet trouwen met uwen tijd. Teveel mensen trekken zich terug in hun kleine persoonlijke wereldje. Ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken! Willen we de richting van de wereld beïnvloeden, dan moeten we er nog meer deel van uit maken. Er zijn geen andere mensen dan dezen en die moet je liefhebben. Verenigingen en organisaties zijn belangrijke vormen van in-de-wereld-staan. Houden van die concrete mensen is een belangrijke opdracht. Er zijn geen andere kinderen dan deze, mijn kinderen, mijn KLJ-leden, mijn ruiters en die moet je graag zien: daar moet je van houden. De anderen liefhebben zoals ze zijn, er verantwoordelijkheid voor opnemen; dat is de echte vorm van liefde. Trouwen met uwen tijd betekent niet dat je alles goedkeurt in die tijd, maar dat je die tijd, die mensen met hun gebreken en tekorten omhelst met je toewijding en dat je ze daardoor beter maakt.
2. Onze wereld heeft grote nood aan waarachtigheid in woord en daad. Parler vrai. Er gaat geen week voorbij of een of ander schandaal duikt op; zelfs in de topverantwoordelijken van de samenleving. Wielerkampioenen zijn fraudeurs, weldoeners profiteurs, voetballers gokkers, enz. Waarachtigheid in woord en daad dat moet onze wereld vinden bij christenen: Leven volgens Zijn beginselen en overtuiging. Zo iemand wordt ons vandaag getoond in Jezus die voor de rechtbank weigert te schipperen om zijn vel te redden. Hij bleef zijn woord en overtuiging getrouw. Zodat zelfs Pilatus er moeite mee heeft. Ook Damiaan was iemand die vasthield aan zijn overtuiging. Daarom werd hem koppigheid verweten. Christenen moeten vandaag meer op hun stuk durven staan, ook midden de tegenstroom.
3. Tenslotte moeten christenen leven van enthousiasme. En-thou-siasme. Grieks: God in ons". Christenen moeten leven vanuit de innerlijke bron die God is in hun leven. De gelovige levert zich over aan God. Hij vertrouwt erop dat Hij hem uiteindelijk niet in de steek laat. God is onze schepper: staat aan de oorsprong. Hij is ook onze Vader: Hij heeft een bestemming voor ons. Het christendom is een groot liefdesverhaal. Zo groot is zijn liefde dat zijn volgelingen hun leven geven voor die God. Zo deed Jezus, zo deed Damiaan. Enthousiaste christenen zullen de moeilijke tijden overleven in de kerk van vandaag en morgen. Het feest van Christus Koning nodigt ons uit die weg te durven gaan.
|
||
|
De meimaand, de mooiste maand van ’t jaar, is in de volkstraditie ook de Mariamaand bij uitstek. In Vlaanderen en vooral in de Kempen was de Mariaverering in vele vormen verspreid.
Wie door het oude Antwerpen wandelt ontmoet op de hoek van vele straten de kunstzinnige Mariabeelden in de muurnissen ingewerkt en wie door de Vlaamse dorpen rijdt vindt langs paden en wegen Mariakapellekens in alle vormen en materialen met elk een eigen oorsprong en verhaal. Terecht dichtte de toondichter “ Waar men gaat langs Vlaamse wegen, oude hoeve, huis of tronk, komt men u Maria tegen; staat uw beeltenis te pronk”. Als kind heb ik nog de mooie traditie meegemaakt van het bidden van het Rozenhoedje aan een Mariakapelleke in de buurt. Vlak bij de beek, waar schrijverkens en dikkoppen weelderig rond zwommen, kwamen de kinderen van de buurt samen om 6uur. Moeder Teeuwen, wachtte ons op en bad het rozenhoedje voor. Wij moesten nabidden. Fikfakken en de meisjes plagen met een grassprietje in hun hals wisselden af met het eentonig herhalen van de Weesgegroetjes. Voor en na werd er wat gespeeld rond het kapelleke en in de beek, en op ’t einde van de week werden we beloond met een karamel. Het was oorlog en dus alle redenen om de hemel en Maria om bescherming te vragen. Zulke kinderervaringen hebben wellicht een sfeer van mariaal vertrouwen meegegeven dat je later stimuleert om ook in je priesterwerk een mariaal accent te leggen.
Toen ik in 1985 in Hoogstraten pastoor werd was een van de initiatieven waar ik mij persoonlijk achter zette het bidden van het Rozenhoedje aan de verschillende kapellekens in Hoogstraten. Voor de jongeren in het PT was dit niet zo voor de hand liggend. Begrijpelijk, zij zijn kinderen van hun tijd, maar ze wilden het wel laten gebeuren. We schrijven 1986. Toen ging het van start en wellicht tegen de verwachtingen in van velen bestaat tot op vandaag nog steeds de traditie dat aan zes kapellekens in Hoogstraten een of meerdere dagen per week in mei het Rozenhoedje wordt gebeden. Een werkgroepje, eertijds onder leiding van Annie Bruurs zaliger en vandaag geleid door Maria Van de Pol, zorgt voor de bekendmaking in de buurt, het verloop en de zorg voor de kapellekens; mensen uit de buurt springen bij. Sinds enkele jaren wordt het gebeuren geopend in een gezamenlijke en feestelijke viering op de vooravond van mei aan de kapel van het Begijnhof.
25 jaar kapellekensbidden Het zilveren jubileum van deze mooie traditie kan niet ongemerkt voorbij gaan. Daarom werd er de laatste maanden vergaderd. Enkele jongeren werden aangesproken en betrokken bij het gebeuren. Luc Dockx, Piet Van Deun (Museum Hoogstraten) en Dries Horsten (Hok). Zij stelden voor het initiatief te verbreden tot de hele fusie Hoogstraten, passend in het 800 feestjaar
Ondertussen werd er op vele plaatsen gewerkt aan de uitwerking van een feestprogramma.
A. Van Dijck
|
|||
|
Is er leven na het graf, is er toekomst na de kanker? Op deze vragen kan je zomaar niet met absolute zekerheid ja of nee antwoorden. Het zijn existentiële vragen, ze raken niet enkel je verstand maar je hele bestaan. Pasen is het hart van het christelijk geloof. Het hele christendom zou ondenkbaar zijn zonder de verkondiging van de Verrijzenis van de Heer. En toch, velen die zich christen noemen, zullen moeten toegeven dat ze juist met die paasboodschap de grootste moeite hebben. Zo was het ook voor de leerlingen na de dood van Jezus. Het evangelie van vandaag laat ons zien hoe de leerlingen geleidelijk aan tot het geloof in de verrezen Heer gekomen zijn. Laten we even stilstaan bij de drie figuren: Maria Magdalena, Petrus en Johannes Maria Magdalena was een zoekende vrouw: ze gaat op weg, op zoek naar haar vriend Jezus. Ze blijft niet thuis zitten met haar verdriet. Ze gaat op weg en ziet dat de steen is weggerold. Grafschennis, denkt ze. Op weg gaan, op zoek gaan is de eerste stap om de Heer te ontmoeten. Er zijn vele zoekenden op deze Paasmorgen, in de kerk en buiten de kerk. Annemie Struyf, uit het programma “In Godsnaam” zei het aldus: “Velen van mijn generatie zijn nog opgegroeid in de christelijke traditie maar zijn eruit gestapt. Een deel houdt er zich niet meer mee bezig. Maar heel wat zijn terug op zoek. Is er iets, is er niets, ze noemen zich agnost, ze durven zich niet uitspreken, maar zijn wel geboeid. Dit is de eerste stap naar Pasen: op weg gaan, op zoek gaan. Wie zich enkel tegoed doet aan de vleespotten van Egypte, zal ook niet verder vragen: hun buik is hun god, zegt Paulus.
Er is een tweede figuur in het verhaal; Petrus Petrus is het beeld van de mens die alles gaat onderzoeken. Hij gaat niet enkel ter plaatse, hij gaat binnen in het graf. Hij gaat in op de feiten: op wat er te zien is. Hij ziet de zwachtels en de zweetdoek. Het is alsof de dode zich ontdaan heeft van zijn doodsgewaad en alles netjes heeft achter gelaten. Er is geen grafschennis, er is iets anders in het geding. Petrus ziet dus wel, hij ziet zelfs heel duidelijk, maar hij begrijpt het niet of beter, hij wordt niet gegrepen door wat hij ziet. Petrus is het beeld van de moderne mens die alles wil onderzoeken, begrijpen en verklaren. Het is een belangrijke en zinvolle stap. Gelovige mensen moeten hun verstand niet uitschakelen; ook niet als het over geloven gaat. Geloven is niet onredelijk. Toch is er nog een derde stap.
Van Johannes, de leerling die Jezus lief had, wordt gezegd: Ook hij ging het graf binnen en hij zag en geloofde. De liefde maakt ziende. Het hart heeft een zekerheid, die het verstand niet begrijpt.
Petrus was gevlucht, Johannes stond onder het kruis van Jezus. Liefde blijft. Liefde durft zich toevertrouwen. De Geliefde kan zich maar toevertrouwen aan wie hem liefhadden. Straks worden wij uitgenodigd onze doopbeloften uit te spreken. Het is verzaken aan al wat vijandig is aan God. Het is je hechten in geloof en liefde, onze God, aan Jezus, aan zijn Geest en zijn kerk. Pasen wordt ons geschonken; als wij ons hart gelovig en liefde ook openen voor de Verrezen Heer. Dan ontdekken we het Paasgeloof: er is leven na het graf. Er is toekomst na de kanker.
Zalig Pasen
A.Van Dijck
|
|||
|
Petrus staat centraal in de lezingen van vandaag. De eerste lezing toont ons Petrus die getuigenis aflegt van zijn Paasgeloof. De Jezus, aan wie gij u vergrepen hebt door hem aan het kruis te slaan die heeft God ten leven gewekt. Hiervan getuigen wij? En als men hun het zwijgen wil opleggen repliceert Hij: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen”! Petrus in de dagen voor Pinksteren, toen hij toegerust was door de Geest. Ook in het evangelie staat Petrus centraal. Petrus legt zijn pastorale examen af. Er is een praktische proef, daarna een eindexamen.
Praktische proef: Laat zien dat je kan vissen. “Ik ga vissen”, zegt hij aan zijn maten: “dan gaan we mee”. Heel zelfverzekerd dat het zal lukken. Heel de nacht gevist, niets gevangen. Glansrijk gebuisd. Roept iemand van op het strand: “Je moet het over een andere boeg werpen, ze doen het! Netten vol. 153 stuks, zoveel als er toen gekende volkeren zijn. Na Pasen kunnen we niet meer terug keren naar vroeger. Ze moeten het over een andere boeg werpen. Niet langer vertrouwend op hun eigen methoden. Maar luisterend naar het woord van de vreemdeling, de Heer. Dan krijg je mensen uit alle streken van de wereld in je netten. En de netten scheuren niet. Mensen in hun verscheidenheid worden samen gehouden. Het lijkt een visioen, tot op vandaag. De Verrezen Heer leert hen dat Petrus en de zijnen mensenvissers zullen zijn in een multiculturele wereldkerk. Hoe moeten ze dat doen? Daarover gaat de eindproef op ’t einde van ’t evangelie. Er is slechts één vraag. Jezus vraagt niet naar zijn diploma’s, niet naar zijn pastorale successen. niet naar zijn gezagvolle positie binnen de twaalf. Hij vraagt hem alleen: “Petrus heb je mij lief”? Hij vraagt het hem tot 3x toe, wellicht omdat Petrus ooit zijn meester driemaal verloochend had. Ik ken die man niet! Iemand die je liefhebt, die je echt bemint, daar ga je voor. Daar heb je alles voor over. Die laat je niet in de steek. Onvoorwaardelijk voor iemand kiezen: dat is beminnen en zoals God. Hij heeft ons lief toen we zondaars waren.
Het treft mij dat Jezus niet vraagt: hou je van de mensen. Het gaat toch in Gods kerk om de mensen, het geluk van de mensen. Neen, heb je mij lief. Onze eerste liefde moet naar God gaan. Pas als we Hem echt beminnen zullen we ook onze medemensen echt beminnen. We zullen leren houden van de mensen zoals God van hen houdt. We zullen hen leren bekijken met de ogen van God en beminnen en met zijn hart.
De echte pastoraal begint met onze verbondenheid met God en deint uit in verbondenheid met de mensen. Daarom is de liturgie en de eucharistie het hart van de pastoraal. Daarin heiligt de Geest de kerk, de priester en het godsvolk. Daarom houdt de Heer ook maaltijd op het strand met brood en vis. Paaskinderen zijn mensen Die luisteren naar Jezus woord - boeg Die maaltijd houden met Hem – liefde Die van de mensen houden, vanuit hun liefde voor de Heer.
|
|||
|
We moeten weer gaan kiezen Er is weinig enthousiasme Wat haalt het uit? Dit landje wordt meer en meer onbestuurbaar en de anderen geven toch niet toe. Dus zegt: cineast Stijn Meuris: ik ga niet meer stemmen. De schokgolf die door de Vlaamse kerk vaarde, blijft deining veroorzaken. Verontwaardiging, ontmoediging,en kwaadheid. Sommigen verlaten dit zinkend schip en haken af. Het huis van vertrouwen is ingestort. Tot overmaat van ramp komt de vulkaanuitbarsting het luchtverkeer stilleggen en een menselijk olieramp het milieu bedreigen. ’t Zijn moeilijke tijden die we doormaken.
Met dat alles in gedachte stond ik stil bij de Bijbellezingen van deze zondag. Het viel mij op hoe dikwijls in de lezingen van vandaag het woordje “nieuw” voorkomt. In her boek van de openbaring, ook het boek van de troost genoemd, spreekt Johannes over een “ nieuwe hemel en een nieuwe aarde”. Hij ziet in een visioen een nieuwe stad Jeruzalem en hij hoort God zeggen: zie, ik maak alles nieuw.
In het evangelie zegt Jezus: ik geef u een nieuw gebod. Gij moet elkaar liefhebben, zoals ik u heb lief gehad. Geen doemdenken, geen gezeur over alles wat verkeerd loopt. Geen oude koeien uit de gracht halen. God maakt alles nieuw. Hij geeft gewoon aan ons de kans opnieuw te beginnen. Als Johannes het heeft over het nieuwe Jeruzalem, de stad van God zou dat dan misschien op onze dagen bedoelen: een nieuwe kerk, waar God bij de mensen zal wonen: Hij hun God zal zijn en zij zijn volk. Johannes wil de mensen van zijn tijd, die leefden in donkere tijden oproepen het geloof in de toekomst niet op te geven, maar te blijven vasthouden aan het visioen van God. Zou Hij ook ons vandaag niet op dezelfde wijze willen uitnodigen te blijven geloven in de toekomst, ook van onze kerk. Het verdwijnen van een machtskerk, betekent niet het einde van de kerk als heilige stad waar God bij de mensen zal wonen en zij zijn volk zullen zijn. En als Jezus het heeft over een nieuw gebod, zou dat dan misschien kunnen betekenen dat we niet minder christen moeten zijn, maar meer. Dat het een radicale keuze moet zijn in ons leven. Wat bedoelt Jezus met het nieuwe.
In het OT lezen we: “Bemin uw naaste als uzelf”. Het moest het oog om oog, tand om tand vervangen dat tot dan toe gold. Bemin uw naaste als uzelf. Het lijkt te betekenen: u mag uzelf graag zien, en u moet dus uw medemens even graag zien. Vaak zien we onszelf te graag of niet graag genoeg. Geen van beide is christelijk.
Jezus gaat veel verder: Bemin uw naaste zoals ik u heb lief gehad. Het nieuwe van het gebod van de naastenliefde zit in de toevoeging: zoals ik u heb lief gehad. Wat dat betekent zien we op zijn kruis: daar is de mensenzoon verheerlijkt en is God in hem verheerlijkt. Voor ons lijkt dat allemaal nogal hoog gegrepen. Misschien vinden wij er iets van terug bij de heiligen, bij een Damiaan bv. die we op 10 mei vieren. Hij wordt weleens genoemd: de apostel van de naastenliefde. Heiligen danken hun grootheid aan God en zij verheerlijken Gods grootheid in zich. Zo zijn ze een levende heenwijzing naar Jezus.
Kardinaal Danneels zei ooit: Onze tijd heeft heiligen nodig zoals een Fransciscus of een Damiaan. Mensen die het evangelie op een radicale wijze beleven, ook al moeten ze dit doen met alle menselijke onvolkomenheden en gebreken. In deze tijd tussen Pasen en Pinksteren zien we uit naar de Geest: Liefde is een gave van de geest. Kom H. Geest, vervul de harten van uw gelovigen Ontsteek in hen het vuur van uw liefde Zend uw geest en wij zullen herschapen worden En gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen. Amen.
|
|||
|
Het inschatten van een situatie is niet altijd even gemakkelijk. Het komt omdat we vooraf niet weten wat er gaat gebeuren, en vooral omdat we als mens soms heel wat twijfels kunnen hebben. Het niet zeker zijn van iets, maakt mensen ongerust. De kunst is om dan wat afstand te nemen en op die wijze een meer objectieve kijk proberen te krijgen. Het is zelfs zo dat mensen het gevoel krijgen dat ze omgekeerde voorspeller worden. We kennen dat:” Als ik ga wandelen en ik neem geen jas mee, dan begint het gewoonlijk het regenen…” Straffe toeren. Of nog: “Als ik niet met de auto ben in de stad, zijn er altijd veel parkeergelegenheid, maar als ik met de auto ben, is er nooit een plaatsje vrij.” We denken soms dat situaties ontstaan al naargelang wat we zelf doen of niet doen, of hoe we ons voelen. Een leermeester zal uitleggen hoe je het moet doen, ik ga proberen een voorbeeld te geven van hoe het niet moet.
Het verhaal van Bert (ooit eens ergens gehoord). Op een zomerse namiddag besluit Bert om een toertje te gaan maken met zijn auto. Hij houdt van veldwegen en dus gaat hij rustig rijden over de zanderige paden die naast de maïsvelden en de weiden lopen. Bert geniet ervan en als het begint duister te worden, beseft Bert dat hij stilaan naar huis moet terugkeren. En dan, zo midden in the nowhere gebeurt het: een klapband. Bert herinnert zich dat hij gisteren zijn auto gewassen heeft, en zijn autokrik in de garage heeft laten liggen. Zie je: Bert vergeet zijn autokrik en nu heeft hij een klapband. Of nog: als hij zijn autokrik bij had, zou hij nu zeker deze miserie niet meemaken. Even nadenken, en dan stapt Bert uit de auto om de situatie van dichterbij te bekijken. Ja, een platte band onder de wagen, een reservewiel met een goeie band, maar geen krik om het wiel te vervangen. Ook dat nog: geen mensen te bespeuren in de buurt, geen telefooncel, neen, niets, Bert staat er alleen voor…
In de verte staat een kleine boerderij. En nu begint Bert zijn denkpistes te presenteren: “Er is daar niet veel leven te bespeuren aan die boerderij. Waarschijnlijk zullen de mensen niet thuis zijn. Ja, dat is altijd zo: als ik iemand nodig heb, dan is er niemand thuis. Aan wie moet ik nu een autokrik vragen?” Ondertussen neemt Bert de kortere weg, door de weide dus. “Ik hoop dat die mensen daar willen opendoen als ik aanklop, want als je zo afgelegen woont, ben je misschien bang. Maar wat voor een boer is dat eigenlijk? Waarom moet die nu bang hebben van mij? Ik kom toch maar een autokrik lenen.”
Plots blaft er een hond vanuit de richting van de boerderij. “Lap, nu hebben ze nog een hond ook. En ze zullen die wel los hebben lopen, dat is gewoonlijk bij zo’n boerderij. Waarom maken ze die hond nu niet vast? Straks loop ik hier met verwondingen en een gescheurde broek en hij zal die natuurlijk niet willen vergoeden. Hopelijk heeft die boer een autokrik, want dat zou dus echt wel het toppunt zijn, als die geen krik zou hebben. Ik begrijp niet dat mensen niet verplicht worden om een krik aan te schaffen als ze een auto hebben. En als hij er een heeft, zal hij die dan wel willen lenen? Tenslotte kent die mens mij niet. Hij zal misschien zeggen dat hij geen krik heeft uit angst dat ik die niet zal terugbrengen. Het is ongelooflijk hoe onbetrouwbaar mensen toch wel kunnen zijn in deze tijd. Is het niet logisch dat ik zijn krik terugbreng, ik ben toch geen dief.
Het kan ook zijn dat hij zegt dat hij zijn krik niet weet liggen, wat een leugenaar zou het dan zijn. Begrijpt hij dan niet dat hij mij uit de nood moet helpen? Of moet mijn auto daar heel de nacht blijven staan dan? Hij kan ook een waarborg vragen, en ik ben weer op weg zonder geld. Dat zal die boer natuurlijk ook weer niet verstaan dat ik geen geld bij heb. Die doet precies of hij vergeet nooit iets. Ik zou hem natuurlijk mijn horloge geven, die is veel geld waard, veel meer dan 10 autokrikken. Je zou toch maar durven, mijn horloge vragen in de plaats van zo’n versleten krik. Dat komt er dan ook nog bij; die krik zal zo oud en verroest zijn dat ze niet meer werkt, of misschien breekt ze wel af. Waarom zorgen de mensen toch niet dat ze goed materiaal hebben?” Bert staat voor de deur van de boerderij en vanuit zijn metalen hok staat de hond nog steeds te blaffen.
Vanuit de schuur komt een man naar Bert gestapt: “Kan ik u helpen?” Bert zegt met verheven stem: “Die autokrik van U, hou ze maar, als het zo zit, moet ik ze al niet meer hebben…”
vaem
|
|||
|
Ook dit jaar deed ik mijn ochtendwandeling naar het kerkhof van de Landlopers in de Torendreef. Er is alleen de stilte en de leegte. Zo hebben velen onder u het wellicht ook reeds ervaren bij hun bezoek aan het kerkhof. Bij de dood treedt de mens de wereld van de leegte en de stilte binnen. Inderdaad ze zijn weg en ze zwijgen. Geen enkel woord van hunnentwege komt tot mijn oor: geen voelbare goedheid raakt mijn hart. Wat zijn ze stil de doden, wat zijn ze dood. Ze zijn binnen getreden in de nacht, verweg en stil.
Ook God is stilte: Ook Hij geeft geen antwoord op mijn vragen, geen teken van nabijheid. Hij is even stil en verweg als onze dierbaren. Soms zijn we kwaad op onze dierbaren dat ze geen teken van leven geven; soms zijn we kwaad op God omdat Hij zwijgt. God is in de stilte en onze dierbaren delen in Gods stilte. “ God is in de stilte”, lezen we reeds in het oude testament. De profeet Elia ontmoet God. Hij is niet in de donder, niet in de storm, niet in het vuur maar in de stille bries. Onze dierbaren delen in die stilte van God en pas in de stilte zullen wij hen nabij weten en voelen.
De moderne mens heeft schrik van de stilte. De stilte moet opgevuld worden, met muziek of lawaai. Wie de stilte durft leeg laten maakt de stilte vol-ledig. Een leegte die vol is, een volheid die leeg blijft. Zo is ook God: vol-ledig. Toen prins Bernard van Nederland begraven werd, hij was piloot en freek van vliegtuigen volgde een eskader van 6 straaljagers de hele stoet. Toen de kist in het graf ging schoten ze als een pijl de hoogte in, door de geluidsmuur; ze verdwenen uit het zicht en het gehoor. En de spreker legde de band tussen boven en onder. A pilot never dies, just goes to another fliyht level. Een piloot sterft niet. Hij verandert van vlieghoogte.
Zo ook onze dierbaren: bij de dood zijn ze van de eindigheid, de oneindigheid binnen getreden. De oneindigheid van God. Wij kunnen enkel contact met hen houden zoals we met God in contact kunnen treden.
De mystica Hadewich schrijft hierover: God kunnen we schouwen langs twee wegen: de minne en de rede. De rede kan God niet schouwen tenzij in wat Hij niet is De minne vindt geen rust tenzij in wat Hij is. Liefde ontmoet liefde. Laten wij daarom God en onze dierbaren in ere houden. Dat doen we door hun naam te noemen, hun dromen te bewaren, hun werken voort te zetten. Dan zijn ze bij ons in de stilte van het minnen.
A.Van Dijck
|
|||
|
Dat was het thema van de retraite die ik de voorbije week meemaakte in Postel onder leiding van Mgr. Van de Hende, bisschop van Breda. We waren met 24 priesters: 11 uit Nederland, 13 uit Vlaanderen. Staan in geloof tussen komst en wederkomst paste helemaal bij de tijd van het jaar: einde van en begin van het nieuw kerkelijk jaar. De Advent die we vandaag beginnen betekent letterlijk “Komst”. Het kerkelijk jaar begint niet met een feest, zoals het burgerlijk Nieuwjaar, maar met een periode van inkeer, van bezinning. Stilstaan bij de vraag: Waar sta ik met mijn leven en hoe sta ik er. Waar sta ik? Wij leven in de tijd tussen Komst en Wederkomst. We kijken terug naar een Komst die achter ons ligt en we zien uit naar een Komst die voor ons ligt. Het gaat over de Komst van God in het verleden en zijn Komst in de toekomst. Onze geschiedenis is een gewijde geschiedenis; doorheen onze menselijke geschiedenis ontwaren wij de voortdurende aanwezigheid van God. God gaat met ons mee doorheen de tijden. Het komen van God heeft zijn eerste hoogtepunt bereikt bij de menswording van Jezus: God is mens geworden zoals wij. Hij werd voor ons de weg die leidt naar eeuwigheid. Eens komt Hij weer in Heerlijkheid. Dan worden al zijn gaven openbaar, waarop wij nu reeds durven hopen, zo wordt verkondigd in de prefatie.
Staan in geloof? Wat betekent dat? Het betekent dat we kijkend naar het verleden dromen van de toekomst, de wederkomst. Wij zijn als mensen die zitten in een roeiboot. Wellicht is het u ook al opgevallen dat bij een zeilwedstrijd de roeiers met hun rug naar de aankomstlijn zitten. Ze roeien rugwaarts terwijl ze luisteren naar de roeper achteraan in de boot, die hen aanmoedigt en richtlijnen geeft; luisterend naar wie achter hen zit, varen ze vooruit naar de toekomst. Dat is ook zo voor gelovige mensen. Zij varen naar de toekomst door te luisteren naar het verleden. In het verleden ontdekken zij de belofte die hun toekomst is. Daarom luisteren we in de liturgie ook steeds naar verhalen uit het verleden. Vandaag hoorden we de profeet Jesaia aan het woord. Hij leefde in moeilijke tijden. De mensen dreigden alle hoop te verliezen. Hij roept zijn volk op: De kop niet te laten hangen! De tempel van de Heer zal terug oprijzen boven de heuvels en bergen. Alle volkeren zullen er samenstromen. Ze zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Met deze beelden roept de profeet ook ons op te blijven geloven in de toekomst: voor ons persoonlijk, voor onze wereld, voor onze kerk.
Daarom nodigt de Advent ons ook uit achteruit te kijken naar Kerstmis: de eerste Komst van onze God. Het kerstgebeuren wil ons leren wat onze toekomst is. Het is luisteren naar het verleden en weten dit is onze toekomst; God die midden de mensen wil wonen: in een kind, bezocht door Herders, aanbeden door Wijzen en bezongen door de engelen. Bethlehem, letterlijk: Huis van Brood. Plaats waar God het levensbrood schenkt aan zijn volk. Het levensbrood dat Jezus zelf is. Tussen Komst en Wederkomst ligt het voortdurend komen van de Heer onze God in de heilige tekenen van de kerk: de sacramenten. Vraag is of wij nog iets verwachten? Als je niets meer verwacht sta je stil, ga je Bijbels dood. Er is meer vreugde in de hemel om één mens die op weg gaat dan om 99 die thuis gebleven zijn. In de Advent is de kerk in verwachting en wie echt verwacht is waakzaam, waakzaam voor zichzelf, voor anderen, voor de zorgen en noden van de mensen rondom hem. - Het evangelie waarschuwt ons: leef niet oppervlakkig en zorgeloos. Advent is dromen dat Jezus zal komen! Dromen dat het licht de duisternis verdrijft. Daarom ontsteken we een kaars. - De actie Welzijnszorg wil onze verbondenheid met God verbinden met een grotere solidariteit met onze wereld in nood. De kerstkaart en de omslag van Welzijnszorg die je weldra in de brievenbus ontvangt wil je helpen deze Adventstijd te beleven staande in geloof tussen Komst en Wederkomst.
A.Van Dijck
|
|||
|
In 1996 raakte een Franse Trappistenorde betrokken bij het gewelddadige treffen tussen de Algerijnse overheid en Islamitische extremistische splintergroepen. Zeven paters werden uit het klooster in Thiberine in het Atlasgebergte gehaald en omgebracht. In Antwerpen loopt hierover de film: Des Hommes et des Dieux”. Ik ging er vorige week naar kijken. Een aanrader, zeker in de beroerde tijd die wij doormaken als kerk en als priester. God roept de profeet op: Het visioen van God op te schrijven en het aan het ontredderde volk voor te houden. “Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet te laat”.
Ook in onze dagen loopt het volk gevaar het visioen op te geven: De droom van God over de mens en de wereld te vergeten. “Ik zet geen voet meer in de kerk” hoor je sommigen zeggen. Ze geven het visioen op. Inderdaad de media tonen de donkerste bladzijde uit onze recente kerk geschiedenis. In de film zie je de edelste bladzijde uit dezelfde kerkgeschiedenis Tweemaal media: misbruik tegenover toewijding; schending van het leven van anderen tegenover de opoffering van het eigen leven; daders tegenover martelaars. Het eerste is ontluistering van het visioen, het andere ontwapende echtheid van het visioen; Vandaag worden ook wij opgeroepen het Visioen van God voor ogen te blijven houden Het hangt hier vooraan: Kerk onder stroom en mensen nabij zijn.
Het eerste nodigt ons uit naar God te kijken en te luisteren. Het tweede nodigt ons uit de medemens nabij te zijn. Naar God kijken: Zijn visioen, zijn droom. Jij die bent “ik zal er zijn voor U”. Naam die zin is van ons leven. Wees nabij, word zichtbaar hier en nu. Groei in ons, kom in ons tot leven. In de film zie je de angst en de vragen in de ogen van de paters. “ Ik ben niet naar hier gekomen om martelaar te spelen. Ik wil elders naartoe. Maar dan komen de bewoners om hulp. Islam, die ook vogelvrij zijn door het geweld. Als jullie ons verlaten zijn ook wij verloren. Ze twijfelen. Wat moeten wij doen: weggaan of blijven. De overste deelt die verscheurdheid mee. Wij zijn als vogels op een tak, we twijfelen tussen blijven zitten of wegvliegen. Op dat moment komt de vrouw van de dorpsoverste binnen en zegt: “Neen, wij zijn de vogels, jullie zijn de tak”. Als een moslimvrouw dat zegt over mannen van een vreemde godsdienst, des te meer is dat waar voor onze samenleving waarvan het christendom niet alleen tak is, maar wortel. Zij besluiten allemaal te blijven. En wij wat doen wij: Houden we vast aan het visioen. Ook als dat gedragen en verkondigd word door een kerk van zondaars, aan de top en bij het volk. Durven wij het visioen nog aan bod laten komen in onze vereniging en organisaties, in werkgroepen en raden. We moeten Gods visioen blijven verkondigen en erin blijven geloven. We moeten mensen blijven uitnodigen en blij zijn met de weinigen die gevolg geven.
Want dit is het geheim van Gods visioen. Het lijkt op een mosterdzaadje, klein en onooglijk maar wordt een breedgetakte boom als het gezaaid wordt in goede aarde. Jezus zegt het nog straffer: “ Als je een geloof had als een mosterdzaadje, dan zou je een machtige moerbeiboom met wortel en al in de zee kunnen planten.
Laten we daarvoor met het lied bidden: Jij die bent “ ik zal er zijn voor U”, Naam die zin is van ons leven. Wees nabij, word zichtbaar hier en nu. Groei in ons, kom in ons tot leven.
|
|||
|
Rorate coeli desuper nubes pluant justum. Dauw hemelen dauwt, Dat de Gerechte als regen uit de wolken neerdale. Advent is niet alleen een tijd van wachten en verwachten. Het is ook een tijd van troost. God komt zijn volk troosten
Consolamini, consolamini, klonk het. Troost u mijn volk. Troost u. Als we in deze donkere dagen achteruit kijken dan zijn er vele redenen om deze troost van den Hoge te vragen. Het voorbije jaar was voor velen in onze wereld bijzonder zwaar. Ieder van ons heeft wel zijn problemen gekend in zijn persoonlijk leven, in zijn relaties, in familie of werk. Een beetje troost kan als helende zalf zijn op vele wonden.
Ook in de grote wereld was er heel wat dat om troost schreeuwt. Haiti werd getroffen door een verschrikkelijke aardbeving en in Pakistan vechten mensen nog steeds met de watervloed die hen trof. Wie komt hen troosten?
Ook in eigen land was het geen gemakkelijk jaar. Onze kerk kreeg een nieuwe aartsbisschop, maar verloor ook een bisschop. Een vloed van schandalen en verdachtmakingen spoelden langs de media over ons. Een troosteloze bedoening voor vele kerkmensen.
Ook onze politiekers komen maar niet tot een verstandshuwelijk in een nieuwe regering. Het wereldkampioenschap voetbal ging aan ons landje voorbij en Boonen moest het hoofd buigen voor Canchelara. Hoogstraten wacht al vijf jaar op een ter plaatse wonende pastoor.
Consolamini, consolamini popule meus. Tot allen zegt de Advent tijd: Troost u, mijn volk. Troost betekent in de bijbel: Laat uw hoofd niet hangen, geef de moed niet op, blijf naar de toekomst kijken. Wellicht hebt u het ook al meegemaakt dat een Bijbelwoord in de kerk direct op je toekomt, alsof het persoonlijk tot u gericht is; tot u als persoon of tot u als gemeenschap. Zo was het voor mij en is het wellicht ook voor jullie toen dezer dagen het goede nieuws tot ons kwam dat er een nieuwe pastoor naar Hoogstraten komt.
“Cito veniet salus tua!” klinkt het in het lied. Weldra zal uw heil komen. Dat heil kreeg plots een naam: Bart Rombouts. Weldra krijgt het een gezicht in een jonge priester van 35 jaar. Ontsproten en ontloken in Wechelderzande, als priester al 10 jaar werkzaam in meerdere parochies in Geel. In januari neemt hij afscheid in Geel en begin februari zal hij de overstap doen naar Hoogstraten. De komst van een nieuwe pastoor kan voor een parochie zijn als de geboorte van een kindje in een jong gezin. Iedereen is erbij betrokken en heel het leven wordt anders. Er komt nieuw leven, nieuwe dromen en perspectieven
Ik stuurde Bart volgende mail: Bart, welkom als pastoor in Hoogstraten. Dat er iemand komt is voor mij een opluchting. Dat Jij komt een geschenk uit de hemel. Groetjes
Ik ben blij dat het feestjaar 800 jaar Hoogstraten met deze benoeming een waardige afsluiter krijgt, die meteen een nieuwe start zal zijn. Laten we dat samen biddend en zingend vragen met het lied: “Rorate coeli desuper, et nubes pluant justum.” Dauwt hemelen dauwt, laat als regen de Gerechte over ons neerdalen.
A. Van Dijck
|
|||
|
Op de oudervergadering van de Wortelse vormelingen vertelde Jos Vorsselmans junior, met Veerle papa en mama van vormeling Ya’nan volgend verhaal: Toen enkele jaren geleden het huis van moemoe, Emma Vrints, in Loenhout afgebroken werd ontdekten de slopers in een spouwmuur wat papieren; Tussen deze papieren stak een prentje van iemand die 65 jaar geleden zijn plechtige communie deed in het Klein Seminarie. Tot onze verrassing was die iemand onze pastoor Fons Van Dijck! Bij deze wil ik u dit prentje overhandigen. Mijn verrassing was compleet en mijn vreugde nog groter. Een flash-back ging door mijn hoofd en licht scheen in de duisternis. In Loenhout werd op de 1ste donderdag van elke maand in mijn kindertijd een mis gevierd in het teken van de Eucharistische Kruistocht: opgericht door de Zalige Priester Poppe om de veelvuldige communie onder de kinderen te bevorderen. Die donderdagmorgen was de kerk van Loenhout gevuld met kinderen die onder leiding van Meester Van de Mierop en andere leerkrachten leerden bidden, zingen en te communie gaan. En met het strijdlied: In dichte drommen, staat O Heer, uw kruisleger gespreid……. zongen we ons kinderlijk enthousiasme uit We moesten in die tijd nog nuchter zijn vanaf middernacht. Dus na de mis: iedereen gaan ontbijten. De kinderen van ’t dorp thuis, de kinderen van verderaf in ’t school of bij burgers van ’t dorp. Ik mocht mijn boterhammen gaan verorberen bij Charel en Emma Vorsselmans. Zij hadden een veevoederbedrijf en leverden bij ons thuis. In ruil mochten wij komen koffiedrinken bij hen thuis. Daarna naar school. Zo was het bij Emma een beetje een tweede thuis. Ik zie Emma nog bij de stoof staan. Een grote pan vol eierkoek. Ze had zelf zeven kinderen. Maar toch viel er ook voor de bij-eters een “spiegeleitje” af. Emma had het wel voor mij. Dat mocht ik later vaak ondervinden. Ze was begaan met de parochie en de priesters. Op mijn 11de trok ik naar ’t Seminarie om op 30 mei ’46 er mijn plechtige communie te doen. Het was een bijzondere dag. Van ’s morgens zaten we met de hele groep – een 50 tal – apart. Morgenmis met communie, Hoogmis met hernieuwing van de doopbeloften en toewijding aan Maria. ’s Middags feestdis in de Jordaan, wijn erbij. Er was die dag geen bezoek van familie toegelaten. Er werd een groepsfoto gemaakt. Een dikke missaal voor de dagelijkse mis en een rozenkrans waren de geschenken. Ook had ik van thuis 20 prentjes gekregen. Mooi gedrukt met een gebedje van Deken Jozef Lauwereys. Blijkbaar hoorde Oma Vorsselmans bij mijn fans en kreeg zij een prentje als dank voor al die lekkere koffie en huiselijke warmte die ze mij als kind gaf. Van de andere prentjes geen spoor: er waren blijkbaar andere dingen belangrijker in mijn verdere levensloop. Maar na 65 jaar plaatst de Voorzienigheid mij opnieuw voor dat prentje. Toeval of bestemming? Op het prentje staat de Goede Herder. Het verloren schaapje in de arm. Een hele kudde in zijn spoor zoals op de schouwbalk van de pastorie Gelukkig was Emma er die het bewaard had en is het langs de kinderen en kleinkinderen in het jaar dat het achterkleinkind Ya’nan haar communie doet ter bestemming gekomen. Met de jaren worden de dingen uit het verleden van zilver, goud of diamant. Voor mij zal het in die lijn een plaatsje krijgen zolang de herder nog op weg is in het spoor van de Herder; Als afsluiting van de ouderavond las ik het gebedje voor onze vormelingen. Dat zij op hun grote dag even gelukkig mogen zijn als ik in 1946. Misschien nog mooi voor kinderen van nu.
|
|||
|
7 februari is de verjaardag van mijn moeder. Ze zou dit jaar 103 geworden zijn. Ik zat in Nieuwpoort enkele dagen op verlof. Ik leerde er het kusttrammetje kennen dat je veilig vervoert: noordwaarts tot in Knokke, zuidwaarts tot in De Panne. Ik besloot op de verjaardag van mijn moeder naar De Panne te rijden, want dat was in haar leven een belangrijke plaats. Zes keer per jaar, telkens op de 13de ,van mei tot oktober, ging mijn moeder op bedevaart naar De Panne. Naar O.L. Vrouw van Fatima die daar uitbundig vereerd wordt. Met het kusttrammetje ben je op een groot half uur in De Panne, heel comfortabel en gratis ter bestemming gebracht.
Heel anders was dat voor mijn moeder: vanuit Loenhout naar De Panne. Om 6.30u fietste ze naar Loenhout Dorp. Daar kwam de bus van Verhoeven de eerste reisduiven ophalen; ze reden de hele Kempen door naar verschillende halteplaatsen. Zo ging het richting Antwerpen waar een grote groep uit de hele regio was samengestroomd. Onderweg werd er druk kennis gemaakt en gebabbeld, maar vanaf Antwerpen ging het met een bus vol bedevaarders richting De Panne. Onderweg werd er gebeden en gezongen en tussendoor de knapzak aangesproken.
De Panne: voor ons moeder was dat O.L. Vrouw, voor ons haar kinderen betekende dat de zee. We plaagden haar dan ook weleens: Ons moeder zit meer aan de zee, dan gelijk wie van haar kinderen. Dat vond ze niet erg maar als we al eens een allusie maakten over wat er allemaal gebeurde ginds aan de zee, dan was ze verontwaardigd. Wat denken ze wel! Moet ze bij zich zelf gedacht hebben. Al die plagerijen en allusies smolten als sneeuw voor de zon toen ik op moeders verjaardag bij de Lieve Vrouwekerk van De Panne aankwam. Het was er druk van de werkzaamheden rond de kerk. De kerk op slot. Op een bank bij de kerk ging ik zitten… ik zal maar een rozenhoedje bidden zoals mijn moeder hier deed. Juist toen ik gedaan had, kwam er een oud vrouwtje met haar hondje, ze ging richting de deur van de Crypte. Ik ging haar achterna. Ze was verdwenen. Dus moet die Crypte deur toch open zijn. Inderdaad, met heel wat gewring knarste ze open en kon ik binnen in de grote Crypte van O.L. Vrouw van Fatima. Een grote onderkerkse ruimte met allemaal banken. Een deel in halve cirkel gericht naar het beeld van O.L. Vrouw. Andere banken face a face naar elkaar gericht met het altaar aan het einde. Het oud vrouwtje met het hondje was er blijkbaar thuis. Ze rommelde de uitgebrande kaarsjes op en schikte alles netjes. Dank je moeder, zei ik bij mezelf, dat je dit vrouwtje als een gids gezonden hebt om mij de weg te wijzen naar uw heiligdom. Een heilige plaats waar je tot over je 80ste levensjaar zo vaak hebt gerozenhoed. Je sprak altijd over de harde banken en de zachte banken. Als je vroeg was kon je plaats nemen op de zachte banken: met een moussekussen om te knielen of te zitten. Anders waren het de harde banken.
Rustig zat ik op een zachte bank. In gedachte voelde ik je naast mij zitten. Terwijl ik bad, voelde ik je meebidden Weesgegroetjes na elkaar. Hier heb je zoveel uren gebeden en voor zovele intenties die je meedroeg van Loenhout naar De Panne. Het gaf mij een zalig gevoel zo dicht bij mijn moeder te zijn, zoals zij ons altijd dicht bij haar had als ze hier kwam bidden; haar kinderen, haar kleinkinderen en achterkleinkinderen en haar kinderen in de hemel. Want zo had O.L. Vrouw het aan haar kinderen van Fatima Francesco en Yacinta Marto gezegd: “God wil in de wereld de devotie tot mijn onbevlekt hart verspreid zien. Als men doet wat ik u zal zeggen, zullen vele zielen gered worden en er zal vrede zijn”.
Ik las de boodschap op een van de muren in de crypte. Mijn moeder wist het van buiten en deed het van binnen “De zielen van de Vagevuur en de Wereldvrede: Hemelvrede en Aardse vrede.” Dat waren de grote intenties naast de vele persoonlijke intenties van alle bedevaarders.
En terwijl ik op het kusttrammetje stapte op de terugweg naar Nieuwpoort, zag ik in gedachte mijn moeder opstappen op de bus van Verhoeven voor de lange terugreis naar Loenhout. Van 7u ’s morgens tot 7u ‘ avonds onderweg. Als dat geen beeweg is, dan weet ik er niets van. Bedankt moeder dat ik je mocht ontmoeten in De Panne.
A.Van Dijck
|
|||
|
Waar is “uwe God” vroeg iemand mij deze week? Hij doelde op Japan. De toon was vol verontwaardiging: uwe God…. “Ik hoor hem om hulp roepen onder het puin, zei ik en ik zie hem ter hulp snellen in de aanstormende hulpwagens. Ik zie hem zijn leven op het spel zetten in de kerncentrale van Jukushima. Hij is te midden van die 100.000 vluchtelingen in opvangcentra, in de vrieskou” . Hij is zeker niet aanwezig in degene die alleen maar naar de sensatiebeelden kijken op TV en niets doen.
Waar is God? Mijn God zit niet hoog in de hemel hoog op zijn troon. Zo waren de Griekse Joden. Mijn God is binnengetreden in de geschiedenis van de mensen en maakt geschiedenis met de mensen. Hij gaat op weg en roept ons op op weg te gaan. ” Nu opstaan en durven” zegt Broederlijk Delen. En naast Haguruka staat een pelgrimsstaf. Symbool voor mensen die het wagen op weg te gaan. Ook in de lezingen is er sprake van mensen die op weg gaan. Abraham hoort de roep van zijn God. Trek weg uit uw land! Stam en familie en ga naar het land dat ik u zal tonen. Hij verlaat alle zekerheden en verwacht de toekomst van het onbekende.
Ook Jezus gaat op weg naar de top van de berg. Op de berg verandert alles van gedaante. Ook voor hen die mee gaan. De heenreis maakt de terugreis heel anders voor de leerlingen. Zonder heenreis geen terugreis. De heenreis werpt een nieuw licht op de terugreis.
Waar is God? De god van de bijbel trekt door de tijden… ook door onze tijden… altijd als een roepstem van gerechtigheid, altijd als een kracht van opstanding. Zo is Hij aanwezig in Burundi waar mensen na jaren burgeroorlog uit een situatie van afhankelijkheid moeten loskomen. Sta op zegt Haguruka. Zo is Hij deze dagen aanwezig in de Arabische wereld waar mensen na jaren van verdrukking op straat komen voor vrijheid en gerechtigheid. God is the call forwards, de roep vooruit die klinkt uit hun protesten. Die vaak geweldloos de wapens trotseren van hun verdrukkers.
Ook wij zijn op weg gegaan naar de kerk. Het is de heenreis om onze God te ontmoeten. We mogen Hem zien zoals de leerlingen in het “stralend gelaat” van de Heer, in de schamele tekens van brood en beker en in de verbondenheid van het samenzijn. “ Het is goed dat wij hier samen zijn”. Dan zullen we na deze viering de terugreis aanvatten naar het dal van het dagelijks leven, voor sommigen misschien een tranendal, maar met de straling van Gods heerlijkheid. “ Je ziet er stralend uit” zeggen we tot iemand als compliment. Het zou ook een wens kunnen zijn: dat het ons mag lukken op zo’n manier ons geloof tot leven te brengen dat ons gezicht ervan straalt. En die straling is niet levensbedreigend maar levenwekkend.
|
|||
|
Dat is de titel van de Paasbrief van onze bisschop. Pasen is een tegendraadsfeest, altijd maar vooral staat het haaks tegen de achtergrond van onze wereld. Spreken over hoop en vreugde: het klinkt haaks tegenover de ellende en miserie die de mensen in Japan tot vandaag in de greep houdt en die een bedreiging is voor de veiligheid van de hele wereld. In die wereld vol angst en bedreiging spreken we een boodschap van hoop en vreugde. Of denken we aan de voortdurende strijd in Libië en Ivoorkust; Mensen van eenzelfde land gaan elkaar te lijf. Een burgeroorlog is erger dan een oorlog; want in een burgeroorlog weet je niet waar de vijand zit. Hij woont misschien naast je deur. En toch vieren wij Pasen en zingen wij van hoop en vreugde. Het leven is sterker dan de dood en waar alle toekomst verdwenen leek komt een nieuw begin.
De lezingen van deze zondag zijn eigenlijk ook tegendraads. Lazarus is al vier dagen dood. Hij stonk al zegt het evangelie. En Jezus wordt verweten dat hij zich afzijdig heeft gehouden. Hij wist dat Lazarus ziek was maar bleef nog twee dagen weg. Dan pas ging Hij naar de familie van zijn vriend Lazarus. Martha’s woorden klinken bijna verwijtend! Als Gij hier geweest waart, zou het niet gebeurd zijn. Het minste dat we kunnen zeggen is dat het gebeuren met Lazarus helemaal haaks staat op de verwachtingen van de mensen. Jezus optreden wil juist duidelijk maken dat Gods kracht sterker is dan de dood en dat in Jezus deze kracht zichtbaar wordt. Het gebeuren met lazarus is voor de evangelist een teken dat ons wil leren anders te kijken naar leven en dood. Wij maken een scheiding tussen leven en dood, tussen nu en later. Het één volgt op het ander. Het eeuwig leven volgt op het aardse leven. Voor Jezus en Johannes niet: Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven en ieder die leeft in geloof aan mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Het eeuwige, echte leven begint niet later; het is nu reeds begonnen. In Jezus geloven is eeuwig leven. Wie in Hem gelooft heeft geen dood meer te vrezen. Voor die mens heeft de fysische dood slechts een relatieve betekenis want hij is reeds van de dood naar het leven overgegaan.
De kiem van het onvergankelijk leven, dat iets van God in ons is reeds nu groeiende in ons in de mate dat wij leven in de liefde. Ons geestelijk leven geeft kwaliteit aan ons aardse leven, een kwaliteit die tot zijn volheid komt over de dood heen; Pasen betekent zich niet zomaar gewonnen geven. Maar vasthouden aan een tegendraadse boodschap en daarom hoopvol blijven ondanks alles. Laten we daarom de Goede week intens meevieren om te groeien in dat nieuwe bestaan van hoop en vreugde.
|
|||
|
Eind januari moest ik een Petscan laten nemen in het Middelheimziekenhuis. Een laatste check-up om te zien of alle kwaadaardige sporen verdwenen waren. Half februari kreeg ik van de professor te horen dat alles in orde was. Het is voorbij. Je kan het “Poortje” laten wegdoen. Oef! Een gevoel van opluchting, want ook al voel je je wel goed in je diepste blijft er toch wat onzekerheid hangen. “Bedankt professor”! Ik ga meteen bij de Trappisten een tripel drinken. “Doe maar; ook op mijn gezondheid” zei hij. “Half juli laat je nog eens bloed trekken en kom je nog eens langs.” Het klonk een beetje als klantenbinding en met de glimlach nam ik afscheid. Het was prachtig weer en kort na mijn verjaardag dus heerlijk om een terrasje te doen bij het nieuwe café van de Trappisten. Een trippel met een trappistenboterham, met trappistenkaas, wie zou daarvoor niet bezwijken, zeker met deze goede tijding en een begeleider die je veilig thuis brengt.
Eind februari reden we opnieuw richting Malle –Zoersel. Ditmaal naar het daghospitaal van Sint Jozef; het poortje laten wegnemen! “Dat is een goed teken,” zegde de verpleger die mij noteerde, “we brengen je naar een kamer en daarna naar de operatiezaal voor het gebeuren.” Als je het al eens meegemaakt hebt ben je al een beetje vertrouwd met dit alles. “Plaatselijke verdoving of hele verdoving?” vraagt de verpleger. Plaatselijk, dan weet ik wat ze allemaal uitspoken… en wegnemen is wellicht minder ingrijpend dan plaatsen. Een uurtje wachten. Dan begint het. Engelen in ’t wit rijden je met bed naar ’t operatiekwartier. Tegenwoordig ook al gemechaniseerd. Een soort heftruk tilt je bed op en brengt je motorisch naar de plaats van bestemming. Daar wordt je afgeleverd aan de groen mannekens van de operatiezaal. Wat later lig je op de tafel en de operateur staat reeds naast je. De verpleegsters hebben je al goed ontsmet zodat hij alleen het hoofdwerk moet doen. Na een kwartiertje werk was het allemaal voorbij. “Wil je het poortje mee naar huis nemen of niet”? “Meenemen,” zei ik “dan heb ik een aandenken.”
“Heb je kleinkinderen?” vroeg de dokter. “Nee,” zei ik “Ik ben pastoor, en pastoor en kinderen gaat niet zo goed samen. Zeker niet in deze tijd”. Hoewel hij van taal Nederlander leek te zijn was hij blijkbaar wel op de hoogte van de Belgische kerktoestanden. “Alstublieft!” zei hij, terwijl hij mij het kokertje met het poortje overhandigde. “Het ga je goed.” “Dankjewel voor het goed werk.” Eerst moest ik nog naar de “ontwakingskamer”; dat moet blijkbaar, ook al ben je heel de tijd klaar wakker. Op de klok kon ik zien dat het een half uur duurde voor een engel in ’t wit mij terug naar de kamer bracht. Ook de operatie-Poortje heb ik die dag besloten in hetzelfde café, met hetzelfde programma. Thuis staat het Poortje naast het Mariabeeldje en het jubileumkaarsje “Ik zal er zijn voor jou”.
Ondertussen was de veertigdagentijd aangebroken. Voor mij was het een tijd dat ik leefde met een ingehouden Paasgevoel. Zoals de knolletjes van de Paasbloemen tot ze boven de grond mogen komen om hun paaskleuren aan de wereld te tonen. Zo heb ik ook gewacht tot Pasen om de vele mensen die mijn verhaal van ’t voorbije jaar gevolgd hebben en me met gebed en medeleven hebben gesteund het goede nieuws als een verrijzenis geluid mee te delen.
Hopelijk mogen vele lotgenoten en tochtgenoten dit ook meemaken. Een Paaswens.
A.Van Dijck
|
|||
|
Pasen is niet alleen een herdenking van wat ooit, lang geleden gebeurd is, maar het wil aan ons laten gebeuren wat gebeurd is aan Jezus en aan het Godsvolk.. -Licht van Christus in ons hart. Wij hebben Jezus begroet als het licht dat alle duisternis verdrijft en ons wil maken tot kinderen van het licht. De kaars ontsteken aan de paaskaars en doorgeven aan elkaar is zeggen: Jezus mag het licht zijn in mijn leven en ik wil behoren tot de gemeenschap die in zijn licht leeft.
-Luisteren naar de bijbel. We hoorden drie verhalen uit de bijbel. Het scheppingsverhaal Een bevrijdingsverhaal Een verrijzenisverhaal. Dit zijn niet zomaar verhalen. Ze leren ons twee dingen: 1 Hoe God is 2 Hoe Hij wil dat wij zijn.
-Het scheppingsverhaal zegt dat God het hart is van de schepping: de stuwende kracht. Wij worden uitgenodigd die stuwende kracht van God ook in ons te laten gebeuren zodat wij medescheppers worden met God
-Het bevrijdingsverhaal leert dat Gods stuwende kracht aanwezig is in elk mensenverhaal waarbij mensen opstaan uit verdrukking en dictatuur. Ook wij worden uitgenodigd met die bevrijdende kracht van God mee te werken tot bevrijding van mensen en volkeren.
-Het verrijzenisverhaal leert ons dat Gods levenwekkende kracht ook na de dood van Jezus mensen bleef inspireren en bezielen, zodat ze beleden dat Hij leefde. Ook dit verhaal nodigt ons uit de inspirerende , levenwekkende kracht van Jezus in ons leven te laten gebeuren, zodat wij opstaan uit al wat begraven ligt onder een zware steen of in het lege graf om weer op weg te gaan naar het leven en de mensen. Pasen wil ons dus maken tot mensen van het licht, mensen van de nieuwe schepping, mensen van de nieuwe uittocht. Mensen die licht brengen, zorg dragen voor de schepping, meewerken aan bevrijding en gerechtigheid.
Om uit te drukken dat we dat alles willen zijn doen we twee dingen 1. wij hernieuwen onze doopbeloften. We dopen ons onder in dit gebeuren. We maken een keuze. 2. wij breken het brood : Brood brekend en delend gedenken wij zijn leven, zijn dood, zijn verrijzenis – Hij mag leven in ons. Zo worden we paas-mensen: nieuwe mensen ,voor een nieuwe wereld ,in een nieuwe kerk.
A. Van Dijck.
|
|||
|
Als iemand gestorven is zeggen we: Hij heeft zijn
geest gegeven. Hij heeft zijn laatste adem uitgeblazen. Dat zegt de schrift ook over de stervende Jezus: Hij
boog zijn hoofd en gaf de geest. Volgens de Schriftkenners past hier een
hoofdletter; de H. Geest. De H. Geest die op Jezus was neergedaald bij
zijn doopsel en die Hem heel zijn leven bezielde blies hij uit:
letterlijk staat er “gaf hij door”. Bij zijn dood gaf Jezus zijn geest
door aan zijn volgelingen.- - In het evangelie van vandaag lezen we: na deze
woorden blies Hij over hen en zei: ontvang de H. Geest. Hij
blaast zijn geest in zijn leerlingen zodat ze vanuit zijn geest
gaan leven. - En in de eerste lezing horen we wat dat betekende. Jezus gaf de zijn geest, blies hem over hen uit en wat
gebeurt er: Er verscheen vuur over de leerlingen, vurige tongen:
d.w.z: het vuur van Jezus sloeg over op de apostelen: ze werden vurig.
Er stak een hevige wind op: ze werden als het ware
meegesleurd door windkracht: de geest werkt als geestdrift, als
drijfkracht en vurigheid. De deuren gaan open: ze zijn niet binnen te houden. Ze
willen naar buiten, letterlijk en figuurlijk. Ze trekken de straat op.
En figuurlijk: ze moeten het kwijt aan de mensen, ze kunnen niet
zwijgen. -.En meteen gebeurt het grootste wonder: het
Pinksterwonder. Iedereen wordt aangesproken door hun boodschap en
iedereen verstaat het alsof het in hun eigen taal werd gezegd. En Lucas somt de volkeren op die verzameld waren in
Jeruzalem “ uit alle rassen en talen”, de verenigde naties van de
wereld.. Allen horen de boodschap. Geen spraakverwarring zoals bij het
bouwen van de toren van Babel, geen gebrabbel en verwarring maar begrip
en verstandhouding.
Van het eerste Pinksterfeest zeggen we dat het de
geboortedag was van de kerk. Van elk Pinksterfeest kunnen we zeggen: dat
het de hergeboorte wil zijn van de kerk. We lezen niet alleen de verhalen over het eerste
Pinksterfeest; durven wij geloven dat ze ook gebeuren; hier in Wortel,
voor ons en voor onze wereld? Hij wil ons maken tot Pinksterchristenen, mensen met
vurigheid, mensen met geestdrift. Hij wil ons zenden weg uit de
beslotenheid van het kerkgebouw en het kleine bange wereldje waarin we
vaak leven om naar buiten te treden en te spreken; moedig, deemoedig,
vrijmoedig en blijmoedig. Neen, wij zijn niet geroepen om een catacombenkerk te
zijn of de laatste der
Mohamikanen. Neen, zegt Paulus: de Geest die ons geschonken is
maakt ons tot een levend lichaam, een lichaam waarin ieder lid zijn
plaats en taak heeft en waar elkeen onmisbaar is en gelijke waardering
verdiend. Maandag gaan we op Pinkstertocht naar Meersel-Dreef.
We komen als kerk naar buiten… stappend, fietsend, met de auto, we gaan
opweg naar Meersel-Dreef… naar Maria, de sterke vrouw, de gelovige
vrouw. Ze was niet gaan lopen. Ze staat onder het kruis. Ze was in het
Cenakel bij de bange leerlingen; zoals een moeder van een groot gezin de
kinderen probeert samen te houden. Wie beter dan Maria kan ons leren
uitzien naar de Geest, leren luisteren naar de geest en leren leven
vanuit de geest. In de litanie noemen we haar koningin van de apostelen
en hulp der christenen. Vragen we haar om echte christenen te durven
zijn en apostelen te worden in de kerk van vandaag. De zuster Claris
zei: we zullen bidden dat alles goed mag
verlopen en ze de H. Geest mogen mee naar huis brengen ( eitjes)
A. Van Dijck.
|
|||
|
Samen waren ze op zoek naar een plaatsje om hun nestje te bouwen. Eindelijk gevonden. In het kerkje in mijn tuin. Uit de zes toegangspoortjes kozen ze er eentje uit. De dagen daarop waren ze ijverig bezig hun nestje te bouwen. Een mezennestje warm en knus. Ik zag hen bezig; wonderbaar hoe ze door het holleken naar binnen vlogen met wat mos of ander groen. Heel omzichtig en schichtig uit vrees betrapt te worden. We waren blij dat ons vogelhuisje ook dit jaar bezoek kreeg. Zoals de zwaluw destijds op de boerderij was het voor ons als een zegen van moeder natuur.
Na de eerste drukte werd het stil. Toch niet “ verschouwd” zeker vroeg ik me af. Mijn nieuwsgierigheid was groter dan de waarschuwingen. Even het dakje gelicht; vier witblinkende eitjes in het donkere nestje. Vlug alles weer dicht en wachten…… Dagen en weken verliepen zonder dat er opvallend veel te zien was rond ons tuinkerkje, maar op een dag kwam er beweging. Aanvliegen en wegvliegen, holletje in, holletje uit van de morgen tot de avond. Wat een drukte! Wat een ijver! Maar we stelden ons toch vragen. Het bleek altijd hetzelfde moedermeesje te zijn dat op en af vloog. Ze waren toch met twee toen het sprookje begon en nu slechts alleen. Wat was er gebeurd in het mezenhuishouden. Het mannetje omgekomen? Er zijn toch geen katten in de buurt! Of zou het dan toch waar zijn dat de echtelijke ontrouw ook in de mezenwereld heeft toegeslagen. En het mannetje zonder boe of ba vrouwtjelief met haar kroost in de steek heeft gelaten? ’t Zal toch niet waar zijn zeker. We kregen medelijden met ons mezenmoedertje dat onverdroten en zonder verpozen zich de vleugeltjes van ’t lijf vloog om haar talrijke kroost door het leven te sluizen.
Als ik ’s morgens voor mijn ochtendwandeling vertrok vloog het vogeltje ook zijn nestje uit: we begonnen samen een nieuwe dag en als ik ’s avonds de bloemen goot in hun buurt hoorde ik het piepen in de mezencrèche. In de avondzon zaten we bij een glaasje wijn te kijken naar het onvermoeibaar aan en af vliegen van het mezenmoedertje. Ook al staat ze er alleen voor, niets is haar teveel en alles heeft ze er voor over. Spontaan denk ik aan de woorden uit de Bijbel: Zal een moeder ooit haar kinderen in de steek laten? Nee toch! En zelfs al zou een moeder dat doen, ik laat je nooit in de steek zegt God.
Wat in ons mezengezinnetje gebeurd is, is de droeve realiteit in zovele jonge gezinnetjes die in onze wereld als éénoudergezinnetje verder moeten. Kijk eens naar de vogeltjes, zei Jezus. Ja, kijk eens naar ons mezenmoedertje. Het vloog weer net zijn huisje binnen en dankbaar piepen de jongen en dat is voldoende om weer opnieuw te vertrekken vooreen nieuwe vlucht…. Een nieuwe dag tot op de dag dat ze op eigen kracht de wijde wereld kunnen in vliegen. Met spanning wachten wij op het moment. Het is boeiender dan de 3000ste aflevering van “Thuis”.
Hopelijk vinden alle eenoudergezinnetjes vleugeltjes bij ons meesje in hun zorg voor hun kinderkroost en helpen zij hen hun weg in het leven te vinden.
A.Van Dijck.
|
|||
|
Sinds de dag dat Rik Verschueren mij vroeg om het Vagebondplein in te
zegenen ben ik wat meer gaan letten op pleinen in onze dorpen en steden. Wat opviel is dat er een strekking is in onze
samenleving om pleinen niet langer te zien als parkeerterreinen maar
meer als ontmoetingsplaatsen van mensen en allerhande activiteiten.
Koning auto moet op vele plaatsen het plein ontruimen of onder de grond
verdwijnen. Dit brengt natuurlijk nogal wat spanning mee en
botsingen van verschillende belangen. Zo’n vaart zal het in Wortel wel niet lopen, maar toch
leefde bij het comité het verlangen Wortel wat meer op de kaart te
zetten en langs de nieuwe naam ook een nieuwe belangstelling te brengen
voor het plein. Misschien zal in de toekomst het Vagebondplein meer
worden dan de uitvalbasis voor voetballerkens op verplaatsing, zondagse
fietstoeristen en slaapplaats van enkele grote camions. Dat zal de
toekomst uitwijzen. Het tweede dat mij opviel is dat dorpspleinen meestal
in de buurt liggen van de hoofdkerk van de stad of het dorp. Het
kerkgebouw als ontmoetingsplaats van de christelijke gemeenschap is op
vele plaatsen vlak in de buurt van het dorp of marktplein. Misschien
mogen we ze wel vergelijken met de twee
longen van het menselijk lichaam. De ene om in te ademen en de
energie te zuiveren, de andere om zich uit te leven in actie en bezig
zijn. Het voorstel om het pleingebeuren te beginnen op deze
plaats kwam niet van mij, maar kan een zinvolle betekenis krijgen als
bron van positieve energie die zo broodnodig is in onze samenleving. Het derde wat mij opviel bij het kijken naar pleinen
is dat pleinen vaak een naam krijgen die verwijst naar een gebeuren of
een historisch verleden. Zo spreekt men in Aalst van het Vredesplein, in
Moskou: Het Rode plein, Rome: St. Pietersplein, in Wortel:
Vagebondplein. Het comité wilde aansluiten bij een stuk geschiedenis
van Wortel De Kolonie en zijn landlopersverleden. Vagare betekent
zwerven, rond trekken. Voor vele landlopers was Wortel vertrek en
thuiskomst in een zwerversleven. Vagebondplein past dus bij het
verleden. Maar misschien ook wel een beetje bij de moderne mens. Hij is
een zoeker, naar geluk, een thuis. Het opweg zijn en onderweg zijn is
niet enkel een vrijetijdsbezigheid, het is voor vele mensen een
constante in het leven. En vanuit Bijbelsstandpunt mogen we zeggen: heel
ons leven is onderweg zijn. Wij hebben hier niet onze vaste woonplaats.
We kamperen hier maar enkel tientallen jaren. Paulus had het daarover in
de eerste lezing. We verblijven hier onder een tent, voorlopig en
voorbijgaand…… onderweg naar die vaste huis die ligt aan de overzijde
van dit leven. Pelgrimstocht der mensen zingen we op ’t einde van de
viering. Het is goed dat we ons niet vastzuigen aan het hier en nu, aan
het natje en het droogje van onze wereld. Het is goed dat we de heilige
onrust bewaren die ons doet uitzien naar een betere toekomst en ons
opweg zet om daar samen aan te werken. Was Jezus ook niet zo’n dromer van de toekomst. Zei
hij niet dat Hij geen steen had om zijn hoofd op te leggen en dat zijn
echte familie waren degenen die hem dierven volgen en bereid waren
daarvoor “het kruis” de last in zijn vele gezichten en vormen te dragen.
Hij was hierover duidelijk in het evangelie. Wie mij wil volgen moet bereid zijn zijn kruis op te
nemen. Wie zijn leven durft prijsgeven, vindt het echte geluk. Wat voor
nut heeft het voor de mens om alles te bezitten, als je de levenszin
verliest. Van de Vagebonden kunnen we misschien leren dat ze
niet veel hadden en toch wisten te leven. Staf, een landloper die bij mij woonde in Hoogstraten
zei het aldus: “Ik leef af en toe in het gevang daarna ben ik weer vrij.
Jullie leven van morgen tot de avond in de gevangenis van de
consumptiemaatschappij”. Een doordenkertje om mee te nemen.
A.Van Dijck.
|
|||
|
Met mondjesmaat had ik tijdens mijn ochtendwandelingen de inwoners leren
kennen Erna en Dirk, vaak op ochtendwandeling met de hond. Een uitnodiging
achter mijn ruitenwisser was een teken dat ik verwacht werd op de opening op
zaterdag 24 september. Daar leerde ik het jonge koppel Andres en Sara kennen en
ook de 7 gasten, Nico, Marcel, Fons, Dunja, Glenn, Tom en Wim.
Onder een stralende herfstzon stroomde de hele Widarfamilie met familie
en vrienden samen onder de Tipitent terwijl onder een ander tentje ijverig
gekokkereld werd voor de receptiegenodigden.
Van de directeur Jan kregen we duiding bij de naam. Volgens heel oude
oorkondes uit de 11de eeuw zou er in een klooster in Sankt Gallen
(Zwitserland) een zekere Ekhart, andersvalide zijn opgenomen in de gemeenschap
en kreeg hij er zijn plaats en thuis. Reden genoeg om ons huis waarin we ook
andersvalide mensen een plaats en thuis willen geven met dit historisch verhaal
in verbinding te brengen.
Ook het woord zelf draagt een boodschap: Ekke- (Hoek in ‘t Duits) en
Hart past wonderwel bij de ligging en bedoeling van het huis. Een hoekhuis met
een hart. Inderdaad: een huis bouwt men met stenen, een thuis met liefde. Dat
Ekkehart zijn historische wortel en zijn naam alle eer moge aandoen. Dat is onze
vurige wens.
Wie in Wortel kolonie komt kan er niet naast kijken: hier is een
eigentijdse reconversie gebeurd van het Landlopers verleden naar een Zorgslovers
heden. Inderdaad er wordt in die buurt met heel wat man en vrouwkracht van
vrijwilligers en beroepsmensen tijd noch moeite ontzien om zorg te dragen voor
mens en natuur.
Vanaf de Gevangenis tot de Slinger met Natuurpunt, De Bonte Beestenboel,
Den Bayard en Ekkehart in het midden.
Een stukje eigen geschiedenis aansluitend bij het historisch verhaal dat
Frans Horsten ons opdiste. Soms beseffen buitenstaanders en toevallige bezoekers
nog beter de schoonheid van het stukje Wortel aan de Kolonie. Laat wat we alle
dagen hebben, niet alledaags worden in onze waardering maar ons bewust maken:
Wortel het Landelijkste dorp van Vlaanderen!
A.Van Dijck.
|
|||
|
In Wortel kan je het bewonderen in de mooie herfstnatuur. Allerzielen hangt in de bomen, die bij de opkomende zon hun
mooiste kleuren toveren. Als een laatste opflakkering van leven om dan gelaten
neer te dwarrelen en te rusten op moeder aarde. Het is Allerzielen. Het loslaten
van hier en nu en toevertrouwen. De opkomende herfstzon is Allerheiligen: het onoverwinnelijk
licht dat de ochtendschemering verdrijft en de nieuwe dag aankondigt. Rondom zie
ik het altijd groene gras der weilanden. Tussendoor de stoppelvelden van de
geoogste maïs. Het graan, het goede graan is binnengehaald en rust in Gods
eeuwige schuren. De stoppels van vergankelijkheid is wat achterblijft op deze
aarde. Ze lijken op de witte kruisjes op het landloperskerkhof. Allerheiligen en
Allerzielen in één oogopslag. Leven en dood – dood en leven. Wat we in de natuur kunnen bewonderen vieren wij hier in deze
kerk. Ook de mens is Allerheiligen en Allerzielen. Het allerheiligste en het
aller-zieligste. Allerheiligen: het gaat over alle mensen: alle mensen zijn
heiligen, dragen iets heiligs in hun leven. Dat heilige willen we eren, naar dat heilige willen we
opkijken. Dat heilige willen we koesteren en vasthouden. Dat heilige van elke
mens is ons van huis uit meegegeven door de God naar wiens beeld wij werden
geschapen. Dat goddelijk beeld zit in ieder mens verborgen, zoals een kunstwerk
in een blok arduin. En elke mens heeft door zijn handel en wandel de goddelijke
kentrekken uitgekapt of geboetseerd. Met Allerheiligen kijken we naar het mooie, het heilige in
elke mens. Dat heilige gaat niet verloren het wordt bezongen in de liturgie: de
zon, de engelen, een menigte die niemand tellen kan. Witte gewaden en
overwinningspalmtakken Allemaal beelden die het onuitsprekelijke proberen op te
roepen. En tot achtmaal toe wijst Jezus op de heilige kentrekken die onze
dierbaren droegen. Achtmaal zalig ben je, ook al heb je er misschien maar één in
je levensproject opgenomen. Zo vieren we Allerheiligen. De kerk is Allerheiligen en met de
vreugde en hoop van Allerheiligen gaan we naar het kerkhof. Het kerkhof is
Allerzielen. Het stoppelveld van de natuur. Elke mens is ook een beetje
Allerzielen… een beetje zielig, onvolkomen, aards en vergankelijk, ja zelfs
zondig. Het heilige is verbonden met het zielige, zoals Allerheiligen
bij Allerzielen. Het zielige en heilige van onze dierbaren samenhouden. Zo
gedenken christenen hun overledenen. Met Allerheiligen worden de graven opgepoetst en versierd met
mooie bloemen. We willen ze in de bloemetjes zetten Iemand zei mij enkele dagen geleden: “Mijn graf moeten ze niet
elk jaar liggen afschuren. Laat het maar de sporen van de tijd dragen. Zo zijn
we toch ook zelf”. De mens onder de steen draagt de sporen van vergankelijkheid. Zo vergankelijk en zielig is de mens en zo vergankelijk en
zielig zijn wij mensen die vandaag over het kerkhof lopen, bedrukt of met de
flair dat ons niets kan overkomen. Ook wij zijn Allerheiligen en Allerzielen. Hoe dragen we zorg voor het heilige in ons leven. Hoe gaan we
om met onze zieligheid. En luisteren we vooral naar de boodschap van de
overledenen. A. Van Dijck
|
|||
|
Met St. Hubertus, 3 november stond ik wat ongeduldig te wachten om de
mis te beginnen in ’t Begijnhof. “Zolang de voorraad strekt” had ik gelezen. Ik vertelde aan de kleine schare aanwezigen over St. Hubertus,
patroonheilige van de jagers; vaak gezien als vijanden van de dieren maar ook
over de mooie traditie van de “huibekes”.
Als kind kwam moeder uit de kerk van Loenhout met gewijd brood naar
huis. Daar moesten we allemaal een stuk van eten, niet gesmeerd en daarna mocht
ik een stukje geven aan de koeien in de stal, de varkens in hun hok, de kippen
op stok en den hond niet vergeten beklemtoonde moeder. Allemaal kregen ze van hetzelfde brood: “om gespaard te blijven van
razernij”. Hubertus was dus de heilige die wilde dat mensen en dieren
vredelievend zouden samen wonen en leven op de boerderij.
Mijn woorden waren blijkbaar ingeslagen, want na de mis kwam Paula (80)
naar de sacristie. Ze moet gedacht hebben: razernij is van alle tijden en
misschien ook van alle leeftijden. Ze wilde daarom weten waar in Hoogstraten “huibekes”
te koop waren. “Bij van Thillo op de Vrijheid” zei ik. Misschien was ik wat te gehaast om in haar plaats eens langs de bakker
te gaan. “Zolang de voorraad strekt” had er alles mee te maken.
Met haast stapte ik in de auto
richting Colruyt. In mijn binnenzak stak de kaart die ik die week in de Knack gevonden
had. Daarmee kon je voor 25 euro een bouwsteenbox bekomen van het
wereldvermaarde trappistenbier van Westvleteren en zo bijdragen aan het
bouwproject van de nieuwe Abdij.
Ik heb helemaal niet de gewoonte om te gaan winkelen, laat staan gaan winkelen in een grootwarenhuis. Moeilijk was het niet. Ik moest de stroom maar volgen van de mensen die
gehaast binnen gingen, een wagentje namen en zich posteerden bij de grote hoop;
zes rijen naast elkaar. Zo’n wagentje heb ik niet van doen, dacht ik, ik zal dat kleinood wel
naar de auto dragen. Ik zag toevallig Ann, die ik nog kende van De Guld. Ik stak mijn kaart
op! “Waar moet ik zijn! Aan de kassa! Maar of je nog bij de prijzen bent,
betwijfel ik. Want het is hier al de hele morgen bestorming van jewelste”! Daar stond ik met mijn kaart! Het ene palet was al leeg, het andere zag
ik zienderogen slinken. “Even geduld, er zijn nog zoveel wachtenden voor u”
hoorde ik in gedachte. Spontaan gingen mijn gedachten naar pater Paul Rom, Hoogstratenaar, en
brouwerijverantwoordelijke in Westvleteren. Ik zegde een schietgebedje tot hem in de hoop dat er nog een derde palet
met bouwstenen uit de hemel zou neerdalen; Maar nee! Ik zag de laatste boxen
verdwijnen naar de gelukkigen. Je zou voor minder razend worden! Gelukkig had Lieva die morgen gezorgd voor “huibekes” van St. Hubertus
en die hielpen om mijn razernij in bedwang te houden. Ik keek de andere
wachtenden, lotgenoten evenals ik aan en zei al lachend: “Volgende keer meer
geluk”!
A. Van Dijck
|
|||
|
In 1996 raakte een Franse
Trappistenorde betrokken bij het gewelddadige treffen tussen de Algerijnse
overheid en Islamitische extremistische splintergroepen. Zeven paters werden uit
het klooster in Thiberine in het Atlasgebergte gehaald en omgebracht. In Antwerpen loopt hierover
de film: Des Hommes et des Dieux”. Ik ging er vorige week naar kijken. Een
aanrader, zeker in de beroerde tijd die wij doormaken als kerk en als priester. God roept de profeet op:
Het visioen van God op te schrijven en het aan het ontredderde volk voor te
houden. “Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op, want komen doet het
beslist en het komt niet te laat”.
Ook in onze dagen loopt het
volk gevaar het visioen op te geven: De droom van God over de mens en de wereld
te vergeten. “Ik zet geen voet meer in de kerk” hoor je sommigen zeggen. Ze
geven het visioen op.
Inderdaad de media tonen de donkerste bladzijde uit onze recente kerk
geschiedenis. In de film zie je de edelste bladzijde uit dezelfde
kerkgeschiedenis Tweemaal media: misbruik
tegenover toewijding; schending van het leven van
anderen tegenover de opoffering van het eigen leven; daders tegenover
martelaars. Het eerste is ontluistering van het visioen, het andere ontwapende
echtheid van het visioen;
Vandaag worden ook wij
opgeroepen het Visioen van God voor ogen te blijven
houden Het hangt hier vooraan: Kerk onder stroom en mensen nabij zijn. Het eerste nodigt ons uit
naar God te kijken en te luisteren. Het tweede nodigt ons uit
de medemens nabij te zijn. Naar God kijken: Zijn
visioen, zijn droom. Jij die bent “ik zal er
zijn voor U”. Naam die zin is van ons
leven. Wees nabij, word zichtbaar
hier en nu. Groei in ons, kom in ons
tot leven. In de film zie je de angst
en de vragen in de ogen van de paters. “ Ik ben niet naar hier gekomen om
martelaar te spelen. Ik wil elders naartoe. Maar dan komen de bewoners om hulp.
Islam, die ook vogelvrij zijn door het geweld. Als jullie ons verlaten zijn ook
wij verloren. Ze twijfelen. Wat moeten wij doen: weggaan of blijven. De overste
deelt die verscheurdheid mee.
Wij zijn als vogels op een tak, we twijfelen tussen blijven
zitten of wegvliegen. Op dat moment komt de vrouw
van de dorpsoverste binnen en zegt: “Neen, wij zijn de vogels, jullie zijn de
tak”.
Als een moslimvrouw dat
zegt over mannen van een vreemde godsdienst, des te meer is dat waar voor onze
samenleving waarvan het christendom niet alleen tak is, maar wortel. Zij
besluiten allemaal te blijven. En wij wat doen wij: Houden
we vast aan het visioen. Ook als dat gedragen en verkondigd word door een kerk
van zondaars, aan de top en bij het volk. Durven wij het visioen nog
aan bod laten komen in onze vereniging en organisaties, in werkgroepen en raden. We moeten Gods visioen
blijven verkondigen en erin blijven geloven. We moeten mensen blijven uitnodigen
en blij zijn met de weinigen die gevolg geven. Want dit is het geheim van
Gods visioen. Het lijkt op een
mosterdzaadje, klein en onooglijk maar wordt een breedgetakte boom als het
gezaaid wordt in goede aarde. Jezus zegt het nog
straffer: “ Als je een geloof had als een mosterdzaadje, dan zou je een machtige
moerbeiboom met wortel en al in de zee kunnen planten. Laten we daarvoor met het
lied bidden: Jij die bent “ ik zal er
zijn voor U”, Naam die zin is van ons
leven. Wees nabij, word zichtbaar
hier en nu. Groei in ons, kom in ons
tot leven.
|
|||
|
Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen Op de Place Saint Lambert te Luik heerst dit jaar een akelige
kerstsfeer. Aan de ene kant van het
plein het bushokje met stervormige glasbreuk van de kogelinslagen. Dit was het
doelwit van de schutter die er genadeloos neerschoot wat bewoog. Naast het hokje opgestapelde bloemen bij de foto’s van de
slachtoffers. Kleurrijke getuigen van stil verdriet, onmacht en medevoelen. Aan de andere kant van de Place een torenhoog draaiend wiel
met stoere knapen en gillende meisjes draaiend als de Ster attractie van de
kerstmarkt, boven de kraampjes en stalletjes waar de samenscholende bezoekers
zich verwarmen aan drankjes en
lekkernijen en het geroezemoes der mensen overstemd wordt door de djingelbells
van de kerstmuziek. Tussen beide polen staat verscholen een bescheiden kerststal
met de herders en koningen, de dieren en schapen, Maria en Jozef en het kind.
Het is er stil en verlaten. Je moet zot zijn of God zijn, denk ik om in deze wereld te
willen wonen. Maar zo dwaas is Hij onze God. “ Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn enige zoon
heeft gezonden” zingt het kerklied. Op de TV zie ik beelden: gestrande reizigers in de stations.
Hopeloos wachtenden aan de bushaltes: gegijzelden van wilde stakingen,
kerstgeschenk van de Vakbonden. Aan de horecazaken staan stoeprokende gasten voor wie geen
plaats is in de herberg. En overal zie je “ heen en weer” kinderen op de baan. Kerstmis
bij de mama, Nieuwjaar bij de papa. De bompa speelt taxi voor de kleine Tim, 6 jaar. “ Bompa,
vraagt de kleuter, waar woon ik eigenlijk?” Stilte, pijnlijk. Waar is mijn thuis
bedoelt het kind. Ik wist niet wat zeggen, vertelde hij. “ in mijn hart, ventje”
zei ik. Het ventje zweeg. Je moet zot zijn of God zijn om in zo’n wereld te willen wonen
dacht ik. Maar zo dwaas is Hij, onze God. Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen. In Kongo stijgt de spanning, en gaat het geweld uitbarsten
tussen twee presidenten. Het deint uit tot in Brussel. En de Arabische lente
dreigt met geweld om te keren tot een ijzige winter. En op vele plaatsen in de wereld is Keizer Augustus bezig zijn
volkstelling te houden meestal met de nodige vervalsingen om de macht naar zich
toe te halen Je moet zot zijn of God zijn om in deze wereld te willen
wonen. Maar zo dwaas is Hij onze God. We hoorden daarnet verkondigen: In die
dagen kwam er een besluit van Keizer Augustus dat er een volkstelling moest
gehouden worden. Ook Jozef trok op, samen met Maria die zwanger was. Terwijl ze
daar verbleven brak het uur aan waarop zij moeder zou worden. Ze wikkelde Hem in
doeken en legde Hem in een kribbe. Dit gebeurt op onze dagen. Zo dwaas is onze God dat Hij midden
in wat mensen zijn, wil wonen. Kerstmis is meer dan een verhaal. Het is een
gebeuren hier en nu. “Sinds Jezus deze wereld heeft aangeraakt, ligt er een heilig
geheim, een goddelijke aanwezigheid, verborgen in al wat leeft, in alle dingen,
in ieder mens, in alles wat we met elkaar beleven” schrijft broeder Ivo van
Westmalle. Het heilige is niet ver af, het is in ons midden. In het kind
van de kribbe, maar ook in elk mensenkind. Ook in de miljoenen kinderen die
bedreigd worden door diarree. Het glazen huis van Music for life zou je een
moderne kerststal kunnen noemen waaruit de oproep van het kind tot
samenhorigheid, creativiteit en solidariteit weerklinkt en gul beantwoord wordt. Armoede lijkt seizoensgebonden schrijft onze bisschop. Rond
kerstmis zie je allerhande initiatieven om hen samen te brengen. Goed zo.
Helaas, voor velen, ook in ons land duurt de armoede het hele jaar rond. Laat
kerstmis duren. Fijn dat jullie vanavond kerstmis komen vieren. Zo tonen we
ons mensen die van goede wille zijn. Kerstmis leert ons: God wordt niet moe van de mensen te
houden. Voor Hem is er geen andere wereld dan deze, geen andere mensen dan de
mensen van deze wereld. Hen wil Hij liefhebben en Hij nodigt ons uit en leert
ons deze wereld en deze mensen lief te hebben. Zalig Kerstmis
A.
Van Dijck
|
|||
|
1. Wie naar het jaar in beeld keek heeft wellicht ook de indruk gehad dat er het
voorbije jaar heel wat duisternis hing over onze wereld en dat de kerk, het
Jeruzalem van nu, weinig licht uitstraalde.
Toch wordt tot die wereld en die kerk, dat Jeruzalem van nu de blijde boodschap
gericht die de profeet Jesaia uitsprak voor zijn tijd en zijn Jeruzalem. “Kijk
de duisternis bedekt de aarde, het donker de volkeren, maar over u gaat de Heer
op en zijn glorie is boven u verschenen. Het Godsvolk heeft een reddende taak
voor de andere volkeren en Jeruzalem moet de stad zijn waar ze van alle kanten
naartoe stromen en hun schatten aanbieden.
Een zee van kamelen, met wierook en goud en luid verkondigen ze de roem van de
Heer God.
Het klinkt als een orakel, het ontplooit zich als een visioen.
Tegen alle doemdenken in en ondanks alle inleveringensberichten worden wij
uitgenodigd te durven geloven dat onze God toekomst geeft en ons oproept te
durven geloven dat wij christenen ook in deze tijd en voor deze wereld een
boodschap van heil en hoop kunnen en mogen brengen.
Dat is mijn eerste nieuwjaarswens: Wees geen doemdenkers maar moed-denkers:
mensen van hoop
2.Wat de profeet Jesaia voorspelde, ging in vervulling toen Jezus te Bethlehem
geboren was, ten tijde van koning Herodes. Het verhaal van de Wijzen uit het
oosten wil ons leren dat in Jezus Gods licht en visioen van liefde is aanwezig
gekomen in onze wereld. God begint zijn optreden in de wereld altijd klein en
heel concreet. Ook nu weer. In het kleine stadje Bethlehem – letterlijk Huis van
Brood – daar biedt God het hemelsbrood aan in de gestalte van het kind. Een kind
dat leidsman zal zijn en hoeder over zijn volk Israel. Het kind van de kribbe is
de drager van de hoop voor de kerk, Jeruzalem, en langs haar voor de hele
wereld.
Niet toevallig gaan de Wijzen uit het Oosten naar Jeruzalem. De plaats van de
Tempel, de plaats waar de heilige boeken bewaard worden en de leiders van het
volk wonen.
Ze gaan er hun licht opsteken, maar ze vinden er het licht niet. Het licht
vinden ze maar als ze de ster volgen, de tekenen aan de hemel, de tekenen des
tijds zouden wij zeggen. Ze vinden het kind met zijn moeder Maria en op hun
knieën neervallend betuigden zij het hun hulde
Driekoningen trekt het kerstfeest open naar de hele wereld. Wat met Kerstmis in
de beslotenheid van het stalleke, in de beslotenheid van het gezin gevierd werd,
wordt vandaag open getrokken naar de grote wereld: Kerstmis is wereldnieuws, een
goede tijding voor alle volkeren.
Niet toevallig hebben de koningen in de Volksvroomheid verschillende huidskleur.
Zo moet duidelijk worden dat Kerstmis een boodschap is voor de hele mensheid.
Dit is mijn tweede wens: dat wij naar de kerk zouden blijven komen om de
boodschap te blijven horen en zoals de Wijzen op zoek zouden blijven gaan naar
het kind in onze wereld. Het was niet te vinden in Jeruzalem, maar in het kleine
Bethlehem. Misschien is Bethlehem, huis van brood, al die plaatsen in onze
wereld waar mensen op zoek zijn naar brood, brood voor het lichaam, brood voor
de ziel. Daar is het kind te vinden.
3.De Wijzen gingen langs een andere weg naar hun land. De ontmoeting met het
kind had blijkbaar van hen andere mensen gemaakt. Al hun rijkdommen hadden ze
achter gelaten maar een innerlijke rijkdom kregen ze in de plaats. Zo is het
voor iedereen die het kind echt gevonden heeft. Het kind nodigt ons uit het
beste van onszelf te geven, ons goud, onze wierook, onze mirre, maar het schenkt
veel meer terug: het schenkt zichzelf als onze herder en leidsman in het leven.
Gisteren zongen onze vormelingen sterzingen aan de huizen. Het geld geven ze aan
een project in ’t midden Oosten. Aan de bewoners schonken ze een ster, met
spreuk: CMB – “Christus Mansionem Benedicat”.
Ook wij willen vandaag met onze gaven de jonge kerk in Afrika steunen…. Zo
denken we even wereldwijd.
A. Van Dijck
|
|||
|
Dat
lijken de lezingen van vandaag te zeggen
Dat
is ook de boodschap van Jezus zijn tot toehoorders; de tijd is vervuld; het Gods
Rijk is nabij. Jona verkondigt de ondergang: de straf van God.
Jezus verkondigt de bevrijding; de redding door God Op
de receptie van onze bisschop deze week zei hij:
“Laten we niet teveel naar achter kijken. We leven nu. We moeten kerk zijn in
deze tijd. En er zijn geen andere mensen dan deze mensen. Aan hen moeten wij het
evangelie brengen. Het moet nu gebeuren”. En
ook Di Rupo roept ons op tot bereidheid om ervoor te zorgen dat de Eurozone niet
uit elkaar valt en de euro niet verdwijnt. Het is dringend. Nu moet er wat
gebeuren. We
moeten dus in actie schieten De
mensen van Ninive kondigden een vasten aan, een soberheidsbeleid voor jong en
oud. Zelfs de koning deed mee. Ook de dieren bleven niet achterwege. Algemene
inlevering zouden we kunnen zeggen Het
resultaat: Ninive wordt gespaard van de ondergang Ook
Jezus roepstem tot bekering vindt gehoor. Zijn woorden slaan in bij het gewone
volk. Bij vissers, arme en rijke. Sommigen hebben alleen maar een net, anderen
hebben een boot en dagloners. Ze
laten alles achter om aan de slag te gaan bij de man uit Nazareth en vissers van
mensen te worden. Mensen op te vissen en te redden, die bedreigd worden met de
ondergang in onze wereld.
Christenen van vandaag worden uitgenodigd de tekenen van de tijd te zien. De
verantwoordelijkheid niet op anderen af te schuiven maar creatief en met overleg
te werken aan de crisis van onze tijd, van onze wereld en onze kerk en dat te
doen met hoop en vertrouwen in God , in onszelf en in elkaar.
Amen.
|
|||