Grabbelton Grabbelton

Ziek geweest (december 2009-april 2010)

 

Over Wortel

De kerk van Wortel

Ben ik mijn auto

De rugzak

Herst

De kern van de zaak

Het kruis aan de schouw

Oecumene

Verrijzenis anders bekeken

De wolf van Gubbio

Heb je tijd

Het kruisje

De zee en de golven

Afbrokkelende meerderheidskerk

In memoriam Metje Smallenburg

Kruip eens in een Bijbelverhaal

Onverwachte uitnodiging

Het geheim van de koe

Het lied van de klokken

De warme wintertrui

Mutter Mutter!

H. Bloed van Hoogstraten

Ode aan Pater Van Dongen

Pastorale wandeling

Pater Damiaan

Kerstpreek 2005

Winter in de bomen

Valentijn_

God gebeurt...onderweg

Nationale Ziekendag 2005

Onze landloper

Een priester in de klas

Mijn favoriete gebed

De pastoor van Volendam

Cruz de Ferro

De poort van Bootjesven

Nationale Ziekendag 2006

Onze landloper (2)

Terug thuis

Kerstmis 2006

Trouwen is houwen

Wit

Oma en kleinkind

Light Katholiek

Vier op een rij

3x Ja zeggen

Den boer op

Compostella 2007

 

 

 

Loenhout bij Hoogstraten

Ziekenzalving

Nationale Ziekendag 2007

Allerheiligen 2007

Missiezondag 2007

Allerheiligen-Allerzielen 2007

Bezinning Vito 2007

De kerk in de ruif

In de donkerte

Kerstmis 2007

In de zandbak

Damiaanzondag

Ruach

Loslaten

Verbondenheid

De vlucht naar...

Pasen 2008

Paaspreek 2008

Pastoor op huisbezoek

Lentewandeling

Jaarthema: Weg van God

Vers of blikjes

Moedig - Vrijmoedig

Crisis

Terzake

Kerstmis 2008

Lam Gods

Paulusjaar

Paulus als missionaris

Homilie bij zelfdoding

De storm op het meer

VERA

Gepensioneerden

De kracht van de zwakken

Het schoolrugzakje

Credo, Credo, Credo, Amen

De hoofddoeken

Ik ben bang

Missiezondag 2009

Allerheiligen Allerzielen 2009

Christus Koning 2009

Pasen 2010

Paaschristenen 2010

Op weg naar Pinsteren 2010

De autokrik

 

 

 

Als je zin hebt om zelf iets te schrijven, stuur dan je tekst naar

parochiewortel@telenet.be

Vertel er bij of het mag gepubliceerd worden in het parochieblad of op deze site. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

           

 

Terug

Over Wortel

 

 

Wortel

 

...een groene uitnodiging voor iedere wandelaar en fietser.

 

Wortel wordt als het ware omarmd door velden, weiden en bossen. In de prachtige dreven van de Kolonie is het heerlijk om te wandelen en te fietsen.

 

Wortel is als parochie ouder dan Hoogstraten. Door de fusies der gemeenten in 1977 werd het tot spijt van de echte Wortelnaren als vanouds weer samengevoegd met Hoogstraten. Op 2 juni van dat jaar vond er in Wortel een academische zitting plaats waarbij de inwoners op een waardige wijze en volgens de voorschriften van het begrafenisritueel afscheid namen van hun autonome gemeente. Aan de parochiezaal achter de kerk herinnert een gedenksteen met inscriptie "Wortel 1200-1977" aan dit dorpsgebeuren.

 

St.-Jan-De-Doperkerk

Dit sobere gotische dorpskerkje dateert uit de 15de eeuw, al kan het benedengedeelte in de kerk wel ouder zijn. Links boven de deur bevindt zich een geijkt referentiepunt van het Belgische triangulatienet (hoogtemetingnet) ; het eenduidig gelokaliseerde punt is precies gelegen op 42,245 meter boven het gemiddelde waterpeil van de Noordzee in Oostende.

 

In de massieve toren hangt het oudste klokje uit de streek ( 1421). De laatbarokke doopkapel met zijportaal tegen de zuidwand van de toren, dateert uit de 18de eeuw.

 

In de zijkant van de kerk steekt een kanonskogel. Een oud verhaal wil dat deze kogel zou zijn afgeschoten door het Spaanse leger tijdens de belegering van het kasteel van Hoogstraten in 1603. De glas-in-lood-ramen uit 1935 zijn van Jan Huet ( 1903-1976), een Wortelse kunstenaar die op het kerkhof vlakbij de kerk begraven is.

 

De kapelanie

Het kleine huisje, als het ware ruimtelijk geïntegreerd binnen de omheining van het kerkhof, was eertijds het zogenaamde ‘Beneficiael huys’, de woning van de kapelaan. Het huidige gebouw is het resultaat van een verbouwing uit 1787. Architecturaal is en blijft dit pand hoe dan ook een verwijzing naar de schamele behuizing en de sobere levensstijl die in die tijd aan de functie van kapelaan verbonden was.

 

De Rijksweldadigheidskolonie

Landloperij was in de vorige eeuwen een maatschappelijk fenomeen. Aan het einde van de 18de eeuw kreeg de armenzorg met de Franse overheersing een nieuwe structuur en nam de overheid diverse initiatieven. Zo richtte ze in 1822 te Wortel een vrije landbouwkolonie op .

 

Twintig jaar later werd de kolonie gesloten omdat de kolonisten er niet in slaagden de grond te ontginnen. Na de nodige aanpassingen startte de Rijksweldadigheidskolonie in 1881 opnieuw, ditmaal als een bijhuis van de kolonie van Merksplas. Landlopers en bedelaars vonden hier onderdak. De beide kolonies hadden tot aan de Eerste Wereldoorlog een bezetting van meer dan vijfduizend landlopers-gedetineerden. Met een domein van 516 hectare was de kolonie van Wortel sinds 1955 een zelfstandige instelling. Na de afschaffing van de wet op de landloperij in 1993 werd de Rijksweldadigheidskolonie van Wortel omgevormd tot strafinrichting.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De kerk van Wortel

 

 

De kerk van Wortel is eertijds gebouwd ter vervanging van een kleine kapel, ook wel eens bedehuis genoemd, welke op dezelfde plaats als de kerk stond.

In 1425 is men begonnen met de bouw van de toren. Deze diende tevens als verdedigingstoren van het kasteel van Hoogstraten. Het kerkschip dateert van 1429. Oorspronkelijk was de kerk bedekt met stro. Het is pas in 1650 dat het stro door schalies vervangen werd.

 

In1935 werd o.l.v. architect Stan Leurs uit Antwerpen de kerk gerestaureerd. Tijdens de tweede wereldoorlog werd de kerk zwaar beschadigd en al vrij vlug hersteld. In de periode 1967-1972 volgde een volledige restauratie.

 

Sedert 3 juni 1950 is de kerk beschermd als monument en het omringend kerkhof als landschap.

 

De parochie Wortel staat onder de bescherming van Sint-Jan de Doper. Vandaar dat men in Wortel en omgeving wel eens spreekt van de Sint- Janskerk.

 

Parochiebestaan

De parochie Wortel werd gesticht in 1155 door Bisschop Nicolaas van Kamerijk. Naast het kerkhof werd toen een kapelaniehuisje gebouwd als eerste woonst voor de parochiepriesters.

 

Rond 1450 behoorde de parochie tot het bisdom Breda, onder het kapittel van Antwerpen. Later tot het bisdom Mechelen en thans tot het bisdom Antwerpen.

 

Meubilair

Voor de inrichting van de kerk heeft men in Wortel veel te danken aan graaf Antoon de Lalaing en gravin Elisabeth van Culemborg (van het kasteel van Hoogstraten). Vandaar dat men naast het hoogaltaar de beelden van Antonius en Elisabeth aantreft.

 

Hoogkoor

Op het hoogkoor staat een portiek Renaissance hoogaltaar in gemarmerd hout uit de 17e eeuw met een doek: "De prediking van Sint-Jan de Doper." Een schilderij van Pieter Ykens (1648-95) van de Rubensschool.  uniVermoed wordt dat de priester op het doek het portret van de schilder is. Boven het doek staat een nis met Sint-Jan met een lam.

 

Men treft er ook grafstenen aan van pastoors en kerkmeesters, een doopvont uit de 17e eeuw, een eiken koorgestoelte uit 1654 en ook een klok met koord. Deze klok is de klok van de vroegere pastorij in de Pastorijstraat. Ze werd gemaakt door de befaamde klokkengieter Le Fever in 1677.

 

Aan de linkerzijde rechts boven het tabernakel hangt een eikenhouten engel.

 

Links en rechts vindt men ook de toegangsdeuren van de sacristies. Het zijn zware eiken deuren in massief hout die zonder scharnieren werden opgehangen en ieder een gewicht van 800 kg. hebben.

 

Naast het huidige altaar staat tegen de wand een beeld van een engel. Het is het beeld dat tot 1960 de preekstoel droeg.

 

Achter het huidige misaltaar staan vier zitstoelen. Het zijn merkwaardige sedeszetels van 1654. Ze vormen een geheel met het gestoelte.

 

Zuidelijke dwarsbeuk

In de zuidelijke dwarsbeuk hangt een doek van Sint-Joris die de draak bevecht. Dit werd eertijds met het altaar geschonken door de confrerie van de plaatselijke Sint-Jorisgilde. Rechts hiervan hangt een wandkast met een unieke vergulde buste van Sint-Jan de Doper en ernaast een Italiaans O.L.Vrouwbeeld.

 

De drie mooie glasramen zijn van de hand van kunstschilder-glazenier Jan Huet, waarover U verder meer kunt lezen.

 

Links ziet men een engel die aan Zacharias komt meedelen dat zijn vrouw Elisabeth op hoge leeftijd nog zal bevallen. De doopselaankondiging zogeheten van Johannes de Doper.

Het middelste glasraam stelt het doopsel voor van Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan.

Het glasraam aan de rechterzijde stelt de onthoofding voor van Johannes de Doper.

 

Onder deze glasramen wordt Kristus op de koude steen voorgesteld. Het is een kunstwerk uit de 16de eeuw van een houtsnijder uit het Duitse Oberammergau. Een merkwaardig beeld uit één blok hout gekapt.

 

Noordelijke dwarsbeuk

In deze dwarsbeuk hangt een doek dat de tenhemelopneming van Maria voorstelt. Het is een doek van een onbekende meester.

 

Verder staat er een typisch beeld van een Kempische Onze Lieve Vrouw.

 

In de kast naast het schilderij van Maria ziet men in de wandkast de beelden van de HH. Cornelius en Willibrordus. Het zijn beelden in hout uit de 18de eeuw waar goud op gebrand werd.

 

Doksaal

Achteraan in de kerk bevindt zich het doksaal. Het vormt met het portaal en de orgelkast ongetwijfeld een mooi geheel.

 

Verder staan er aan de zijwanden in de kerk kruiswegnissen en hangen er nog een tweetal schilderijen waarvan bijzondere gegevens ontbreken.

 

Vier klokken in de toren

Op het uur is er een klokkenspel.

Kleinste klok: Pieter (Moerklokje) uit 1421, werd in 1820 teruggevonden in de turfgroeven naast de kerk.

Klok van de graaf en de gravin: 170 kg van 1575, rijkelijk versierd.

Tiende klok: 1.000 kg van 1725, gegoten door Alexis Julien.

O.L.Vrouwklok: 260 kg van 1972, als herinnering aan de laatste restauratie.

 

DE OMGEVING VAN DE KERK

 

Jan HUET (1903-1976),

 

Ere-professor aan de Academie te Antwerpen, kunstschilder en glazenier.

 

Jan Huet werd geboren in de volle buiten, zelfs buiten het dorp, in het Staatsdomein van Wortel-kolonie waar zijn vader ambtenaar was.

 

Godsdienstigheid stond bij hem op de eerste plaats. Daarna kwam natuur.

 

Jan kende het domein en omgeving van binnen en van buiten. Hij kende de rivier als zijn binnenzak en als kleine jongen ging hij vaak 's avonds palinglijnen uitzetten en die moesten voor zonsopgang opgehaald worden. Zo leerde hij genieten van alles wat groeide, leefde en door de zon beschenen werd.

 

De invloed van zijn ouders en omgeving is nooit uit zijn kleren geweest. Ook niet in zijn verder leven als kunstenaar.

 

Tientallen kerken en kloosters, stadhuizen en publieke gebouwen heeft hij met zijn kunstwerken gloed en warmte bijgezet, intimiteit en vroomheid, vreugde en schoonheid. Zijn hele persoonlijkheid en zijn vele gaven van geest en hart liggen gekristalliseerd in honderden ramen waarvan de diepreligieuze zin en de flonkerende glorie de huidige en komende generatie hopelijk eraan herinnerd zullen worden, dat onze wereld bezig is contact te verliezen met dingen die verschrikkelijk belangrijk zijn. Zo schreef zijn vroegere klasgenoot Ast Fonteyne in KONTAKT 76 na de dood van Jan Huet die in Wortel, waar hij ooit wortel geschoten had en waar hij op zijn wens begraven werd.

Hij ligt er tegenover zijn glasramen met op zijn grafzerk volgend gedicht van Remi Lens.

 

Voor Jan Huet

glasschilder

+ 2 april 1976

Te rusten in de schaduwkant

van’t schoon kerkske van uw land,

ter Mark€ aan haar vallei ontsproten,

hebt gij uw wortel daar geschoten

met vogel vis en wolk,

te midden van uw volk.

 

Met kleur en vuur en glas,

mijn dia’s

voor uw licht geschoven,

met God! om U te loven

en al uw santen samen

in mijn ramen

Amen

Lens

Wortel 07.04.’76

 

 

Historische kanonskogel

Aan de noordelijke buitenkant van de toren zit op een hoogte van een vijftal meter een ijzeren kanonsbal ingemetseld. Die werd in 1603 door belegeraars van het kasteel van Hoogstraten tegen de toren geschoten.

 

De kanonsbal viel meteen op de grond en om deze gebeurtenis voor het nageslacht te vereeuwigen heeft een schrandere Wortelse metselaar hem met cement er rond wat bepleisterd. Als souvenir wellicht.

 

Een typisch detail bij deze historische kanonskogel is dat de Wortelaren de enige in het hele land zijn die kunnen zeggen: "Bij ons is de kogel nog niet door de Kerk!"

 

Zo'n kanonskogel heeft een gewicht van ongeveer 12 kilo.

 

Gevechtstoren

Langs de westzijde bevindt zich de hoofdingang van de kerk. Boven de deur vindt men in een nis een beeld van de patroonheilige Sint-Jan de Doper.

 

Aan de buitenzijde van de toren ziet men ook een ronde gevechtstoren die eertijds gebouwd werd als schutstoren van het kasteel van Hoogstraten.

 

J. Noeyens

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Ben ik mijn auto?

 

 

Onlangs kwam ik van de kust, en nam mijn tijd. Ik was niet gehaast. Dat gebeurt niet vaak, maar het had geen zin, want er was nog volk op de autostrade. Veel volk. In St. Niklaas zag ik 5 luchtballons. Die namen blijkbaar ook hun tijd. En de zon, die nam blijkbaar ook haar tijd om onder te gaan. Ik keek op mijn kilometerteller, en besefte dat ik een van de dagen mijn olie diende te verversen.

 

Ik moest er een beetje om lachen: IK moest MIJN olie laten verversen. Dat klinkt een beetje stom natuurlijk. Wie laat er nu zijn olie verversen? Het was alsof ik voor het eerst in mijn leven de bedenking maakte dat ik mij vaak verpersoonlijk met mijn auto. Maar dat doen we allemaal een beetje. Bedenkt maar eens de volgende uitspraken, en sta erbij stil dat je eigenlijk over je wagen aan het praten bent. Mijn linkerrem maakt een beetje lawaai. Mijn ruitenwissers hebben 2 snelheden. Mijn trekhaak is verroest. Mijn banden staan te plat. Ik moet mijn handrem laten nakijken. Ik verlies een beetje olie. Ik verbruik 8 liter benzine per 100 km. Mijn achterlicht werkt niet. Ik sta in de ondergrondse garage; hoe kan dat nu als ik dat zeg in de living bij mijn moeder. Ze hebben in mijn gat gereden, en ik heb een grote bluts in mijn achterbumper. Ik moet volgende week naar de controle. Ik moet mijn voorste nummerplaat vervangen. En ten slotte ik heb een boete gekregen omdat ik te vlug reed.

 

Inderdaad, Ik reed te vlug, plots gaat het niet meer over mijn wagen, maar over mezelf. Het is zo’n beetje het omgekeerde van bij een student. Die zegt: “IK ben geslaagd”, ofwel “ ZE hebben mij gebuisd dit jaar”.

Het is gevaarlijk als je je auto wordt. En toch heb je dat in de hand. Als ik stop voor de moeder die wil oversteken, en het kindje in de “poeset” zwaait lachend naar mij, dan doet mij dat iets. En als ik het bejaard koppel de straat laat oversteken, doet die, met moeite opgestoken hand van de man mij deugd. Als de fietser wil afdraaien en ik vertraag om de weg vrij te maken voor hem, dan maakt zijn glimlach mij gelukkig!

 

Het is een kleine moeite om hoffelijk te zijn in het verkeer, en het kost geen moeite. Echt niet! Probeer het maar eens een tijdje. En het zal zelfs een gewoonte worden. En geloof het of niet, maar zo kan je mee een beetje de wereld veranderen: beginnen met jezelf.

Zo ben je misschien minder een “gevaar” op de weg.

 

vaem

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De rugzak

 

 

Tien dagen met een rugzak van 7 a 8 kg op de rug elke dag een 20km doen – van 7.00u ’s morgens tot 14.00u in de namiddag – dat hoort bij een voettocht.

“Is dat niet lastig”? vragen mensen. Neen. Wel is het wat wennen in het begin. Het is natuurlijk belangrijk dat het gewicht goed verdeeld is. De zwaarste stukken niet onderaan zitten, maar bovenaan. Zo draag je ze meer op je schouder en wegen ze minder in de rug.

De lasten van de rugzak moeten goed verdeeld zijn.

 

Met de rugzak trekken betekent dat je alles bij hebt wat je nodig hebt. Elk jaar dat we trekken  wordt de rugzak lichter omdat we elk jaar leren dat je overbodige dingen meeneemt of dingen die je niet dubbel met je maat moet hebben, bv. 1 zakmes, 1 fotoapparaat, 1 notitieboekje volstaan.

Je leert dus met elkaar praten over je rugzak.

 

De rugzak is niet alleen een last, het is ook een hulp. Na enkele dagen ontdek je dat je rugzak je rechthoudt letterlijk en figuurlijk. Je loopt rechter, je ademt vrijer. Last en lust gaan in het trekken hand in hand en wie wat verder kijkt ook in het leven. Zo ontdekken we al stappend dat de zwaarste tochten vaak de mooiste zijn. Ze kosten meer, maar je hebt er wat aan.

Op een bepaald moment kwamen we een groep wandelaars tegen. Ze waren ook trekkers, maar zonder bagage. Die werd voor hen elke dag vervoerd. Wij moesten de helling op, zij daalden de helling af. Voor hen ging het in looppas, voor ons in muilezelpas.

“Petje af” zei de leider van de groep. Waarvoor dit teken van bewondering? vroegen we ons af. Zou het dan toch misschien “menselijker” zijn je rugzak te dragen dan zonder last door het leven  te lopen.

Zo hadden we een hele babbel over “ De Rugzak”.

Ooit las ik eens volgend verhaal:

In de zomermaanden kan je het meemaken: langs de weg staat een jonge vrouw autostop te doen. Haar vriend staat heel bescheiden opgesteld. Stopt een automobilist dan komen beiden aandraven met een hoop bagage.

Te laat! Auto weg! Het is een courante verleidingsstrategie langs de weg. Ondanks alles , werkt ze nog steeds.

 

Zo gaat het ook in menselijke relaties. In een eerste fase verleiden mensen elkaar. Ze stellen zich prettig op en laten zich van hun beste kant zien: ”neem mij, ik ben je geluk, je schat, voor jou geboren, voor jou van alle eeuwigheid bestemd”.

Wat de persoon in kwestie verborgen houdt, zijn zijn negatieve kanten, zijn schaduw, kortom zijn rugzak.

 

Zoals de autostopper, zo verbergt de minnaar aanvankelijk zijn rugzak. Hij of zij zijn zich niet bewust dat die hij/zij een rugzak heeft, en nog minder wat erin zit.

Aanvankelijk lopen dus man en vrouw naast elkaar en geven ze er zich geen rekenschap van dat ze elk een grotere of kleinere rugzak dragen. Tot een eerste conflict uitbreekt of een misverstand zich aandient. Een vreselijke ontdekking, een pijnlijke verrassing.

            Ik wist niet dat je zo was!

            Dat had ik nooit van hem verwacht!

            Had ik dat geweten!

            Dat ik dat niet gezien heb!

De illusie van de harmonie is voorbij. Een andere werkelijkheid dient zich aan. Elkaars rugzak leren aanvaarden.

Terwijl we daarover praatten stapten we samen verder elk met zijn eigen rugzak. Bewust dat je rekening moet houden met die gegevenheid. Af en toe help je elkaar de rugzak aanriemen opdat hij goed zou zitten.

En zo stap je verder…. Van Firenze naar Sienna – van Sienna naar Firenze, maar ook van vandaag naar morgen, van zilver naar goud….  Goede tocht!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Herfst

 

 

dag schilder

je bent er weer

het was al een tijdje geleden

je maakt me kil, maar daar kan je niets aan doen

wat ben je kwistig geweest met je verf

het groen heb je weggemoffeld

vervangen door rood, oranje, bruin

mooi gedaan

 

dag schilder

je schilderij is voor mijn ogen te groot

toch zo prachtig

je verft er maar op los

en je verft de bladeren er gewoon af

en als ze daar liggen

geef je me een andere mooie schilderij

ik zie je niet bezig

ik zie enkel je mooie werk

 

dag schilder

bedankt voor het mooie

en je bent er juist op tijd, zoals altijd

weldra ben je weer weg

en wordt alles weer wit

of alles wordt weer grauw

je brengt me nog meer kilte

maar je kan niets anders

 

dag schilder

met je rood, oranje en bruin

weer eens bedankt voor het mooie

 

vaem

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De kern van de zaak

 

 

Het Jaar van de Verkondiging is een tijdje aan het lopen, en er zijn al vele woorden met pit gesproken en aanhoord. Wij hebben hier in Wortel gelukkig een pastoor die de woorden met pit pittig kan brengen. Het is goed om af en toe eens te bezinnen over de kern van de zaak. Want de pit is de kern, en de kern daar groeit alles uit. De pit is de oorzaak, de bron, de origine. Over welke zaak hebben we het? Dat kan eender wat zijn. Echt waar. Laat ons eens enkele voorbeelden nemen. Gewoon om te spelen met onze woorden of met onze gedachten.

 

De laatste tijd is de huiskamer van vele mensen een beetje gewijzigd. Vooral het interieur dan. Te voet, met de fiets, op het dak of in het koffer van de auto, halen de mensen een dennenboom in huis. Sommigen zullen mij terecht terechtwijzen, en zeggen dat het een spar is, en geen dennenboom. Daarom gebruiken we vanaf nu de onbiologische kerstboom. Dat is gemakkelijk, en dat verstaat ook iedereen. En binnen enkele uren, God mag weten hoe ze het flikken, maar dan is die kerstboom een pracht van versierde boom. Bovenaan een piek of een ster, dan langzaam naar beneden en steeds breder wordend, zien we kerstballen, engelenhaar, slingers, kunstsneeuw, parels, en niet te vergeten: de lampjes. Neen, ze zijn niet stuk, het is normaal dat ze aan en uit gaan. Dat is in de prijs inbegrepen.

 

En onderaan de kerstboom liggen er pakjes. Mooie pakjes, en zeer veel. En van sommigen lijkt zelfs de verpakking duurder dan de inhoud. Dat weten we natuurlijk niet, want de pakjes mogen nu nog niet opengedaan worden. Iedereen wordt er een beetje nerveus bij. Welk zou mijn pakje zijn? Ik wacht het af. Als de kalkoen opgegeten is, doen we nog een fles wijn open, en dan de pakjes. De Kerstperiode wordt daardoor een aangename periode, in samenzijn met de familie en met vrienden. Maar dat geldt niet voor iedereen, want er zijn mensen die echt eenzaam zijn tijdens “die dagen”. Maar we houden het gezellig nu; zo hoor ik het toch zeggen hier en daar. Het verdriet van een ander gaan we even opzij leggen. Want anders worden we zelf te verdrietig.

 

Iets verder onder de kerstboom, achter de pakjes, is er nog iets te zien. Wacht, even enkele dingen uit de weg leggen: ja nu zie je het. Daar staat een kerststal... Nu zie je hem. Hij was nogal verstopt achter de rest, van onder de kerstboom. Het kan geen kwaad om eens naar de kern van de zaak te zoeken.

 

Even later…..

 

De pakjes zijn weg, de kalkoen ook. Nieuwejaerkes soethe, het varken heeft 4 voeten. Wow, zelfs het varken heeft nu “voeten”. Nu is het gebak aan de beurt, dag in, dag uit. Soms uur in, uur uit. Andere flessen gaan open, andere pakjes ook. Nieuwjaarsbrieven volgen, het geld rolt van hand tot hand. De peter geeft, het kleinkind ontvangt. Op één dag wordt er meer gezoend dan in een heel jaar. Op dezelfde dag wordt er meer gewenst, dan in een heel jaar. Handen schuiven in andere handen met de woorden: “De beste wensen…”. “Het beste voor 2004…”. “Gelukkig Nieuwjaar…”. En vooral “Hetzelfde voor u…” of “Insgelijks…”.

 

We wensen en wensen en wensen. En we ontvangen ze ook. Mondeling met een handdruk, met drie zoenen. Schriftelijk met een kaartje, waarvan we resten van gouden glittertjes nog terugvinden, zelfs maanden nadien.

 

De kern van de zaak? Daarover wilden we het even hebben nu. Wens ik uit beleefdheid? Wens ik omdat ik het echt wens? Een wens is iets wat we graag zouden hebben. Het komt van binnen uit onszelf.

 

Wens eens in stilte dat je de moed hebt om je vrouw dagelijks één keer een kus te geven, bij het vertrek naar het werk of bij de terugkomst. Wens eens dat je één keer die vervelende puber in huis mocht begrijpen wat die te zeggen heeft. Wens eens als jongere dat je één keer begrijpt dat oudere mensen ook iets waardevols vertellen hebben, tussen dat ouwehoerengezaag door. Wens eens dat je collega die al jaren niet meer tegen je praat, je morgen aanhoort. Wens eens dat voor één keer inziet hoe zwak je bent, hoewel je alle dagen zo stoer doet. Wens ook eens dat je één keer durft toegeven hoe gevoelig je bent, hoewel je nooit je tranen laat vloeien als anderen er bij zijn. Wens eens het beste voor diegene wiens hand je vasthoudt deze dagen. Maar wens het eens echt. Het is allemaal zo simpel, zo eenvoudig. En vooral: het kost toch zo weinig moeite.

 

Durf nog een stapje verder te gaan. Naar de kern van de zaak.

Vieren we oudjaar? Of vieren we nieuwjaar? Blikken we terug op hetgeen voorbij is? Of kijken we uit op hetgeen gaat komen?

Hetgeen voorbij is van in 2003, kan vreugde gebracht hebben. Het kan ook enorm veel verdriet gedaan hebben. Beide zijn belangrijk; het zal ons verder leven bepalen. Onze fouten, onze verliezen, onze pijn; het zal een plaats innemen in de weegschaal van 2003. In de andere schaal ligt dan hetgeen we goed gedaan hebben, hetgeen we verkregen, niet ge-kregen hebben. Als we terugblikken en het op een rijtje zetten, krijgt alles zijn plaats. En de balans doet de rest.

Hetgeen komt in 2004, kunnen we niet vooraf bepalen. Geen geluk, ook geen verdriet. Want morgen kan er veel gedaan zijn. Evenveel kan er nog te verwachten vallen. We kunnen enkel hopen, geloven, en wensen. Vooral voor een ander. Dat is de kern, de pit van de zaak.

 

Veel, heel veel wens ik je…

vaem

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Het kruis aan de schouw

 

 

Het wijst ophoog

Het wijst omlaag

Verticaal

hemelgericht

aarde geworteld

wijdse blik

concrete realiteit

levend van dromen en idealen

staande in de dagelijkse plicht

zo moeten mensen zijn

voor wie het kruis een teken is

 

Het wijst naar links

Het wijst naar rechts

Horizontaal

immer verder en wijdser

als de wijkende horizon

naar mensen links

links gelaten, verwaarloosd

niet meetellend in de wereld

Naar mensen rechts

die niet tot hun recht komen

ontrecht, verknecht

zo moeten mensen zijn

voor wie het kruis een teken is.

 

En op het kruis hangt Iemand

Jezus, de mens der mensen

Hij leefde geworteld in de aarde

aards en menselijk door en door

Hij leefde verbonden met de hemel

biddend en dromend van eeuwigheid

op aarde als in de hemel

Hij reikte de hand

maar wie links gelaten werden

richtte hen op en deed hen zien

zo werd Hij vriend der kleinen

Hij kwam op

voor wie niet tot zijn recht kwam

ontrechten en verdrukten

in woord en daad protest

 

Tot in de dood heeft Hij dit gedaan

Tot over de dood roept Hij op “Dit te doen”

Hij is een voorbeeld en een kracht

een vreugde en een uitdaging

voor allen en voor iedereen

voor wie het kruis een teken is.

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Oecumene

 

 

Sinds we verwachtingsvol, en hopende dat we als ‘Hollanders’ hier een plekje mogen krijgen, in september in Wortel zijn komen wonen is pastoor Fons van Dijck regelmatig langs gekomen. Dat waardeer ik zeer, want we hebben goede babbels.

En toen vroeg hij me iets te schrijven voor deze krant, want het thema oecumene was aan de beurt.

Tja, wie schrijft die blijft. En ik heb in de loop der jaren een behoorlijk uitgesproken mening over geloof gekregen.

En toen zei de pastoor dat ik gerust wel eens aan die boom mocht schudden…graag zelfs…

 

Maar meneer pastoor, weet je dat mijn moeder zelfs nu nog ervan zou opkijken dat ik met een pastóór praat? Dat het ons vroeger verboden was om met katholieke kinderen te spelen? Katholieken waren ver in de minderheid en werden zelfs gezien als ‘ongelovig’. In de zestiger jaren groeide ik op in veel ruzies en gedoe omdat mijn oudste broer verliefd was geworden op een katholiek meisje. Hij ging er zelfs mee trouwen. Dat kón gewoonweg niet. Dat was ‘not done’ en een schande voor onze gegoede familie. Het heeft ons gezin jarenlang ontwricht.

 

Amai, wat wijst dit toch op een ongelooflijke kortzichtigheid.

En waarom schrijf ik dit op? Simpelweg om aan te geven dat dit mijn eerste gedachten zijn bij het woord oecumene. Alsof, afhankelijk waar je geboren bent op deze wereld, je dus net het ware geloof getroffen zou hebben…

Wat een onzin. Ik hoop dat iedere lezer het met me eens is!

Naar mijn beste overtuiging gaat geloof over het onderhouden van de relatie tussen elk mens persoonlijk en het ‘goddelijke’.

 

Geloof heeft nu eenmaal vele uitingsvormen. Of het nu Protestants, Katholiek, Joods, Indiaans of Islamitisch is. En bovenal, er zijn heel veel mensen die oprecht gelovig zijn en die zich niet thuis voelen in één van de religies.

Zoals ieder weet worden religies aangevat om te strijden. Met name heeft de christelijke kerk een mensonwaardige reputatie. En op dit moment wordt gevreesd dat er vanuit de moskeeën ook strijd beraamd wordt. Dit heeft in wezen niets te maken met ‘geloof’, alleen maar met ‘menselijke interpretaties van geloof’.          

 

De vorm van de Hervormde Kerk in Nederland uit mijn jeugd was trouwens een ongekend saaie. Die mannen in die lange zwarte jurken kwamen me stuk voor stuk nogal depressief over. Ook al zullen ze het enorm goed bedoeld hebben, ze leken altijd beschuldigend te kijken. Alsof je bij voorbaat fout zat. Alsof alles wat natuurlijk was per definitie zondig was. Ik raakte er wanhopig van. Zoveel leugens, zoveel onwetendheid. Ik wil niet eigenwijs klinken, maar al op jonge leeftijd wist ik dat dit ‘toneelspel’ niets met ‘geloof’ te maken had. De rijken van ons dorp, dat wil zeggen diegenen die het meest betaalden aan de kerk, zaten op de voorste banken. Op die banken lagen kussentjes! De rest van de kerkgangers hadden kennelijk genoeg eelt op hun achtersten.

Ik had nogal eens de neiging te testen. Als ik naar bed gebracht werd door mijn moeder vroeg ik haar: ‘jullie praten alsmaar over engelen. Maar heeft u er al een ontmoet?’ 

 

Ik heb rond mijn 25ste jaar afstand van de kerk genomen. En ben erg gelovig gebleven. Ik ervaar veel hulp vanuit de geestelijke wereld omdat ik dat vraag.

Nou, en toen kwamen we dus 4 maanden geleden in Wortel wonen. En hoorde ik 3 dagen later dat ik kanker had. Een hele vervelende. En ging ik alle dagen uren en uren wandelen. En ging ik alsmaar in conclaaf. ‘Verklaren jullie je eens nader. Je zult heel wat uit te leggen hebben als ik doodga’. En ‘wat moet ik leren?’ En liep ik soms te stampvoeten. En soms te huilen. En altijd raakte ik diep geroerd door de schoonheid. De rijp op de grassprietjes. De dauwdruppels. Dat veulen. De vroege zonnestralen in de Kolonie. De buizerd. De reekes die me op een maandagochtend in de mist aankeken en niet wegvluchtten. Ik ontdekte een mooi, simpel kerkhofje in het bos en vroeg de pastoor of ik daar mocht liggen. ‘Dat is voor landlopers’ ‘Maar ik loop toch alsmaar op het land…?’

 

Op één van de wandelingen moest ik denken aan de woorden ‘schud eens aan de boom’. De boom van kennis van goed en kwaad. Van bewustzijn.

Ik ging met mijn kale chemokoppie zingen in het kerkkoor. Op de rij bij de mannen. Hoger kom ik niet. Ik keek mijn ogen uit in de mooie kerk van Wortel. Wat een prachtige plek. Wat een aandachtsvolle zorg werd hier besteed. Mijn fantasie sloeg een keer op hol: wat zou het toch geweldig zijn als dit een plek kon zijn waar mensen onderling hun geloof zouden uitwisselen, waar lezingen zijn, waar je kon komen mediteren of stil zijn als je het nodig had. Toen ik deze vrije gedachte uitsprak kreeg de pastoor tranen in zijn ogen. Hij zou dat ook graag zien. Hoe krijg je toch mensen terug in de kerk? Niet alleen op de ‘oude manier’, die van ‘je gaat omdat je zo bent opgevoed’. Maar meer vanbinnen uit. Wetende dat we het goddelijke allemaal in ons hebben en dat we er iets aan kunnen doen als het soms ondergesneeuwd raakt.

Maar er ligt nog veel smet op de kerk. Veel oud zeer. Die moet misschien eerst schoongemaakt worden. Dat duurt lang. 

 

Na een maand of twee bleek de grote tumor niet meer zichtbaar te zijn op de foto’s. Een medisch wonder. Ik weet dat dit ook komt door het feit dat ik zo enorm ‘gedragen’ ben door veel mensen, vooral ook door mensen in Wortel. 

Het gemeenschapsgevoel wat ik in deze korte en bijzondere tijd heb ervaren is me goud waard. Ik voel me heel erg dankbaar!

Is dat oecumene?

 

Metje Smallenburg

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De verrijzenis anders bekeken

 

 

Aswoensdag, de eerste dag van de vasten ligt weer een eindje achter ons. De 40-dagenperiode is voorbij. Weinigen vasten nog, hier en daar lijkt het wel een folkloristisch gebeuren. De spaarpotjes worden ingeleverd voor Broederlijk Delen, de zakjes snoep worden nu gretig en op korte tijd leeggemaakt. Ook niet zo gezond, maar ja. De paaseieren worden door de klokken van Rome zorgvuldig verstopt in de tuin en de kinderen zullen ze wellicht allemaal vinden, zij het dan met wat hulp van de even nerveuze grootouders.

 

De man met de blauwe vest, ik ken zijn naam niet, mag echter geen alcohol drinken. Zijn vasten is niet voorbij en zal wellicht nooit voorbij geraken. Hij heeft namelijk suikerziekte en hij mag niet meer drinken. Hij blijft zijn pintje missen. De vrouw met de rode vest, ik ken haar naam niet, mag vandaag geen sigaret opsteken. Haar vasten is reeds 2 jaar bezig en zal wellicht nooit voorbij geraken. Zij heeft namelijk een longaandoening en ze mag nooit meer roken. Ze blijft haar sigaretje missen. Zo zie je maar dat vasten voor sommige mensen zeer ver gaat.

 

Met Pasen gedenken de christenen de verrijzenis van Jezus: een gebeuren van meer dan 2000 jaar geleden. En toch kan verrijzenis zo dichtbij zijn. Het kan in onze buurt gebeuren, in onze eigen omgeving, ja zelfs in onszelf. We kunnen de dood zeer dichtbij ervaren. Dat gebeurt als er iemand sterft die ons lief is. Dat gebeurt als we de levenslust verliezen en in de put geraken. Dat gebeurt als we onszelf uitgestoten voelen of onbemind. Dat gebeurt op zoveel momenten in ons leven. En we kunnen er zo’n slecht gevoel bij hebben, dat het leven nog weinig zin heeft. Op die momenten hopen we zeer diep in ons binnenste dat er iemand wil over praten, dat er iemand een zinvol antwoord geeft, dat er iemand een hand uitsteekt, dat er iemand begrip heeft.

 

We kennen allemaal van die dagen of zelfs langere periodes in ons leven. We voelen ons een beetje dood, een beetje veel zelfs.

 

En als we dan even rondkijken, gaan we beseffen dat er anderen zijn die dat ook meemaken. Als we durven onze ogen open te trekken, dan zien we dat er mensen rondom ons zijn die lijden. En zij hebben de zelfde vragen en dezelfde gevoelens dan die we hebben als het met ons zelf mis gaat. Wat een kleine moeite, wat een kleine inspanning, om dan, juist dan, te reageren. Iemand die treurt of in de rouw is, iemand die verlaten is of depressief. Iemand die nog weinig zin heeft in het leven dat geen leven meer is. Steek dan eens een hand uit, geef die nodige schouderklop, en durf begrip te tonen. Veel woorden zijn er meestal niet voor nodig, enkel een groot luisterend oor. Geen gekende theorieën moeten er verkondigd worden, enkel openstaan en luisteren. Misschien zie je dan een beetje verrijzenis rondom jezelf.

 

Verder is het ook niet fout om zelf iets positiefs te doen met je verdere leven. Als je in de put zit, hoef je daar niet per se te blijven zitten. Je mag er gerust proberen uit te komen. En als je reeds jaren treurt, is het niet verkeerd om terug te lachen. De omgeving neemt je dat niet kwalijk, integendeel. Als je iemand gekwetst hebt, hoef je die persoon niet te mijden. Het is niet verkeerd om je te verontschuldigen, integendeel, beide partijen zullen zich beter voelen. Er zijn zoveel voorbeelden waarin mensen terug kunnen leven, echt kunnen leven. Dat is ook verrijzenis.

 

vaem

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De wolf van Gubbio

 

 

Gubbio is een prachtig middeleeuws stadje, 14000 inwoners, gelegen tegen de flank van de berg: Monte Alto (893 hoog). Boven op de top staat de basiliek van de H.Ubaldo, de patroon van de stad. Met een kabellift kan je er naar toe – te voet 2,5 km. klimmen.

Gubbio is sterk verbonden met het leven van Franciscus door het verhaal over de Wolf.

Een wolf maakte ten tijde van Franciscus de streek onveilig. Bijna dagelijks maakte hij slachtoffers onder de dieren van de arme bevolking.

Franciscus had in de bossen een kluis waar hij soms dagenlang verbleef in gebed en eenzaamheid. Radeloos trokken de mensen naar Franciscus om te vragen wat ze moesten doen om het onheil van de Wolf de baas te kunnen.

Franciscus zei: “Breng elke morgen wat vlees en ander voedsel naar mijn kluis, ik zal de Wolf tot andere gedachten brengen”. De mensen deden het.

Franciscus legde in de buurt van zijn kluis een voederplaats aan voor de Wolf, en na enkele dagen kwam het beest op de buit af. Vanuit de kluis sloeg Franciscus het gebeuren gade. Na enkele dagen liet Franciscus zich eventjes zien. De wolf schrok, toonde zijn tanden maar verdween.

Door het dagelijks vertoon werd het dier “geruster” en ook Franciscus dierf wat dichterbij komen. Na een tijd werd het dier zo vertrouwd met Franciscus dat hij zich gedroeg als een huisdier. Zo redde Franciscus het stadje Gubbio van het onheil van de razende wolf.

Naast het kerkje van de Paters Franciscanen staat een mooi beeld van Franciscus en de Wolf die zijn hoofd legt op de schoot van Franciscus. De uitgestoken hand naar de hemel wil als het ware zeggen: “Met de kracht van hierboven en de menselijke inspanning heb ik de Wolf overwonnen en bedreigt hij niet langer het leven van mens en dier”.

De tocht van Perugia naar Gubbio is zo’n 40 km. Een bus bracht ons een 10 km. tot Piccione. Zo moesten we niet wandelen door de stad. Vandaar begonnen we onze tocht.

Het werd een stille tocht. We hadden hem een beetje in het teken gesteld van het thuisfront.

De Wolf van Gubbio die het leven va, n de mensen bedreigde deed mij denken aan al de mensen die ik ken die plots geconfronteerd worden met levensbedreigende dingen. Ik hoorde een jongeman die door kanker getroffen werd zeggen: “Ik moet dat “beest” in mij de baas worden”.

Inderdaad, kanker overvalt mensen als de razende Wolf van Gubbio. Plots wordt de mens ermee geconfronteerd.

Zo gingen onderweg mijn gedachten naar de mensen van Wortel en elders die met kanker te maken hebben. En terwijl we stil achter elkaar stapten, vaak klimmend met de stok in de ene hand, bad ik op de andere hand één onze Vader en vijf weesgegroeten voor elk van hen. Dat ze de Wolf de baas zouden kunnen. Ondertussen kwamen de namen en het gezicht van concrete mensen mij voor de geest. Ook aan de jongeren die onder de drugs zitten dacht ik. Verslaving wordt als een wild beest  dat je de baas moet worden of het vernietigt je jonge leven. Ook depressies kunnen een mens overvallen en zijn geluk bedreigen.

De Wolf van Gubbio is nooit verweg, ook niet in onze wereld, ook niet in mijn en uw leven.

Wandelend, genietend van de mooie natuur en verbonden met vele mensen trokken we verder. We wilden die dag de Wolf van Gubbio overmeesteren of toch tonen dat we hem de baas waren. Na 25 km gingen we een café binnen. Met de gsm. belden we het klooster van de Clarissen in Gubbio op. “Of we er konden overnachten? Neen, maar het kan wel bij de zusters Dominicanessen” kregen we te horen. Een telefoontje en het was ok. Via Del Monte, daar werden we verwacht. Dus geen halte hier, maar verder naar Gubbio. Nog 5 km klimmen…

Toen we in de stad aankwamen gingen we op zoek naar de Franciscuskerk en het bekende beeld.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Heb je tijd?

 

 

Een tijdje geleden las ik in de krant de resultaten van een enquête i.v.m. de tijdsbesteding van de Belgen. Het blijkt dat de helft van de Belgen voortdurend tijdsgebrek heeft. Inderdaad, hoe vaak horen we niet zeggen: “Sorry, maar daar heb ik een tijd voor.” En bekijk het voor jezelf eens hoe vaak je dat zegt en denkt.

 

Aan de andere kant zien we dat er een hoop mensen hun tijd verdoen aan eindeloze en klokgerichte soaps en ander tv-genot, zoals het “zappen”. Ik heb nooit begrepen hoe iemand in staat is om al die programma’s op die verschillende posten te kunnen volgen. Weer andere mensen hebben dan weer tijd te veel. Ze vervelen zich. Ze hebben niets te doen. Blijkbaar is tijd-hebben niet erg eerlijk verdeeld onder ons. Misschien is het dat men niet geleerd heeft om met tijd om te gaan op een efficiënte wijze. Er zijn mensen die totaal onder de stress zitten omdat ze te veel te doen hebben. Omdat hun tijd volledig opgebruikt is. Anderen echter hebben zoveel tijd, dat ze niet weten wat er mee aan te vangen. En die mensen zijn meestal eenzaam.

 

Laten we eens nadenken over dat woord “tijd”. Filosofen zeggen dat de tijd oneindig is, zowel in het verleden als in de toekomst. Een gewone mens zal dit oneindige moeilijk begrijpen. Maar we kunnen het ook eens anders bekijken. We kunnen het ontstaan van de tijd situeren nadat de mens op aarde kwam. De eerste mensen liepen hier rond zo’n 4.5 miljoen jaar geleden. Deze oermens had geen horloge, en hij had waarschijnlijk geen enkel besef van tijd.

 

Wat later is het besef gekomen van dag en nacht, van seizoenen, van wederkerende gebeurtenissen. Nog later, ja veel later had de mens behoefte om tijd uit te vinden. We kennen allemaal de zandloper, die bij het omkeren een bepaalde tijdsspanne nodig had om leeg te lopen. En die tijd was altijd dezelfde. Nu gebruiken sommige huismoeders zo’n zandloper om de tijd te kennen om een hard gekookt ei te bekomen. En dat klokt bijna correct voor elk kippenei. Het is alsof dat ei hard gekookt wil zijn als de zandloper leeg is.

 

Nog later in de tijd, en zelfs nog niet lang geleden, heeft de mens het horloge, de klok uitgevonden. Via de aantrekkingskracht van de aarde, of door middel van een veer, kon met via een raderwerk de tijd laten zien. En nu is de indeling van de tijd volledig. We hebben jaren, zelfs schrikkeljaren, ook dagen, minuten, en seconden. Wat kan je op 1 seconde doen, zou je denken. Wel op de Olympische spelen lopen mensen en hun looptijd wordt uitgedrukt tot zelfs in 100-sten van seconden. Er is zeer speciale apparatuur nodig om de tijd te kunnen meten in 100-sten van seconden.

 

Door al die klokken, en horloges, door het uitvinden van de tijd, is de mens in staat om zijn leven perfect te regelen. Wij eten op een bepaald uur, echter niet als we honger hebben. Het is de tijd die vertelt wanneer we gaan eten. We slapen niet meer als we vaak hebben. We houden de klok in het oog, en die zal ongeveer bepalen wanneer het bedtijd is. En zo gaat dat door. We worden gewekt door onze wekker, een klok dus, en we zijn op het werk op een bepaald uur. En we stoppen met werken op een ander uur. En zo gaat dat door en door. Alles is getimed. De tijd gaat ons leven volledig bepalen. De tijd regelt alles. Wat een uitvinding van de mens…de tijd.

 

“Kan je me morgen even komen ophalen?”, vraagt de moeder vorige zondag aan de zoon die 3 straten verder woont. “Neen, Ma,” zegt de zoon, “ik heb helaas geen tijd….”

Toch raar de mensen. Hoe knoop je dat aaneen? De mens vindt de tijd uit, en heeft die niet…

 

vaem

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Het kruisje

 

 

Het verdween toen ik groot werd – 12 jaar dus.

Vanaf toen werd het een zoen voor het slapen gaan. Dat kruisje hoefde niet meer. Daar was ik te groot voor geworden. Mijn ouders pasten zich aan. Van een kruisje naar een zoen. De zoen is gelukkig gebleven.

 

Maar ik wéét nog wel. Een duim tekende in één snelle beweging een kruisje op mijn voorhoofd. “ God zegene en beware u”. Ik wist niets van God en Zijn zegen. Kan me ook niet herinneren of ik ooit naar de betekenis ervan vroeg.

 

Alleen dat “bewaren”, daar drong iets van door. Misschien omdat mijn broertje was gestorven op mijn derde. “ Bewaard” blijven, leven, elke morgen weer opstaan en er zijn voor mijn ouders. Dat was belangrijk.

Ik was belangrijk, ik moest “ bewaard” blijven.

Dat vroeg het kruisje aan God-die-Liefde –is……

 

Het kwam terug op een avond dat ik me heel klein voelde.

Mijn liefje machteloos naast mij, toch sterk en veilig. Toen vroeg ik bevend, uit het Niets dat mij zo overspoelde: “Wil je me eens een kruisje geven?”. Hans, nochtans zo atheïstisch als hij groot is, stelde geen vragen en deed precies wat hij doen moest. Met zijn duim tekende hij heel langzaam, als was het een massage die diep moest doordringen, een groot kruis op mijn voorhoofd.

Zonder woorden, zonder God. Maar evengoed een zegen. Een zegen die mij deed zuchten, huilen en schuilen.

Het kruis(je) is gebleven, zij het voor zeldzame momenten. Ik spring er zuinig mee om.

 

hilde

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De zee en de golven

 

 

Ik was twee dagen in Blankenberge. Elke morgen maakte ik een wandeling over het Oosterstaketsel, een stuk de zee in. Voor mij de onmetelijkheid van de zee; donkere wolken aan de einder, visserssloepen die uitvoeren op garnaalvangst. Meeuwen die zich lieten drijven op de wind.

De witte golfkoppen deinden in ongelijke ritmen strandinwaarts. Ze werden kleiner en kleiner tot ze helemaal uitvloeiden, het strand even kusten en terug opgenomen werden in de zee.

Kijkend naar dit schouwspel van de zee en de golven gingen mijn gedachten naar een boek over “God en mens, leven en dood” dat ik aan ’t lezen ben.

God de zee…. Wij de golven!!!

 

De kleine golf die bang was van sterven.

 

Een klein golfje spoedde heen, want de zon lachte. De wind speelde teer. De zee wiegde zijn leven.

Maar ach, alle golven moeten sterven. Hun hoofd neerleggen op het strand. En ’t kleine golfje wou niet sterven. Het vroeg aan zij  zustergolven: “ Wat moet ik doen om te blijven leven?”

“Och kom, zei de grote golf, wij moeten allen sterven, het is ons lot, wij moeten er in berusten”.

De grote golf ebde weg naar de dood. Klein golfje werd droef. Als je dan toch moet sterven, dan liever in de zomer, in het warme zand, als de kinderen zich in je streling vermaken kunnen.

“ Maar neen, zei het plots; ik wil niet sterven! De zon zoent zo teer. De wind speelt met mij. En de zee is zo wijd. Zoveel wou ik nog vernemen over het leven onder mij”.

Vriend vis kwam meespelen en vertelde over pareloesters, venusschelpen, diepzeeplanten, en hoe visjes zelf lichtjes kunnen zijn in donkere spelonken. Klein golfje was betoverd en wou nog meer weten. En maar meer snakte het naar het leven. Het vroeg raad aan de vis en smeekte dat hij helpen zou.

het visje antwoordde: “ Wij moeten allen sterven, het is ons lot” en het verdween in de diepte. Immer treuriger werd klein golfje. De stuwende zee schudde het naar het strand. Niemand die helpen kon. En zo bang was het van sterven. Plots voelde het een streling over zijn rug. Een moede meeuw streek neer. “Och, meeuw, kan ook jij me niet helpen? Ben ik nog ver van het strand waar ik sterven zal?”

“Enkele golvingen nog, maar waarom ben je zo treurig? Je bent lief in je blauw kleedje met witte noppen. Wat deert je toch?”

Ik ben bang van sterven, meeuw, kun jij me niet helpen, zodat ik steeds over vlakke zee kan drijven? De meeuw keek naar de hemel, schouwde over zee, sloot haar wieken, en zei ontmoedigd: Klein golfje, wij moeten allen sterven, sterven in ons lot. En de meeuw verdween over de slapende zee.

Het golfje liet zich drijven. Niemand kon helpen, de vis niet, de meeuw, noch de golven. Sterven moest het, want het strand was reeds in ’t zicht. Rillend sloot het de ogen. Doodsbenauwd liet het zich verder drijven. Een angstig stemmetje deed het opkijken: een klein schelpje wou naar de oever toe…… Maar was zo moe, kon niet meer verder.

Klein golfje nam het op zijn rug en zette het neer op het strand. Vol zorg om het schelpje vergat het dat die liefdedienst hemzelf de dood invoerde. Het schelpje kwam behouden op het strand. Zo stierf het kleine golfje dat bang was om te sterven, onbekommerd voor zomer of winter.

Het stierf gelukkig in dienst van een ander. Terwijl het stierf voelde het de warme golfstroom die het opnam in de oneindige oceaan.

 

 

God de zee………. Wij de golven???

 

Spreken over God gebeurt altijd in beelden.

Oosterse religies spreken over God en mens met het beeld van de zee en de golven.

Als God de zee is, zijn wij – mens en schepping – de golven.

Golven en zee zijn één. De zee is aanwezig in de golven; zo is God aanwezig in al het geschapene. God hoort niet tot een andere wereld. God is het hart van deze wereld.

We moeten dus God meer zoeken  in ons, dan buiten ons. De hele schepping is drager van het “ mysterie”. De golven zijn de oppervlakte realiteit, de zee is de diepte realiteit.

Als wij sterven keren we niet naar een andere wereld, maar worden we opgenomen in het hart van de werkelijkheid. De golf sterft niet op het strand, maar wordt weer opgenomen in de oneindigheid van de zee. In God blijf ik bestaan.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Afbrokkelende meerderheidskerk

 

 

Kardinaal Danneels vertelde onlangs in Postel:

Als ik in Wallonie voorga in een eucharistie, dan zitten daar hoop en al een kleine honderd mensen. Ze zitten dicht bij elkaar, tot vooraan. Ik moet hun mond niet open breken om een antwoord te krijgen op: De Heer zij met u. Ze doen het spontaan en duidelijk hoorbaar. Na de mis verbroederen ze met elkaar in de kerk en buiten de kerk. Ik heb de indruk dat in Wallonie de kerk gegroeid is tot een “bewuste minderheidskerk”.

Als ik in Vlaanderen voorga in de kerk dan zijn er 250 of meer aanwezigen. Ze zitten verspreid over de hele ruimte, soms ver van elkaar. Hun antwoorden zijn nauwelijks hoorbaar en als de mis uit is haasten ze zich snel naar buiten en verdwijnen, zonder contact met de anderen.

In Vlaanderen is er nog geen nieuwe “Minderheidskerk”, we zijn er meer een “Afbrokkelende meerderheidskerk”.Een afbrokkelende meerderheid….

In een muur die afbrokkelt beginnen de stenen los te komen omdat het samenhoudend cement verdwenen is. Ze vallen eruit en liggen verspreid over het terrein. Zo zien we elk jaar in vele kerken mensen verdwijnen…….. Ze zijn stilaan los gekomen en doordat er geen innerlijke verbondenheid meer was, valt de uiterlijke band weg en verdwijnen ze geruisloos.

 

Wat is dat “cement” dat een levende kerk samenhoudt?

 

Het is het oude cement van geloof – hoop en liefde.

Deze drie, vaak in elkaar vermengd, geven een innerlijke verbondenheid tussen mensen.

Deze drie vormen het hart van de christen, aldus de Kardinaal. Als het geloof verkwijnt, krijgt het hart hartritme stoornissen. Ze zijn vervelend maar je kan er mee leven.

Als de liefde verkwijnt, doet het hart een infarct….. het is levensbedreigend, soms dodelijk.

Als de hoop verdwijnt, doet het hart van de christen een hartstilstand, dan is het gedaan. In onze tijd is bij velen de hoop verdwenen en daardoor is alles stil gevallen. Als de hoop opgegeven wordt is het gedaan.

 

Het Geloof is het geheugen van de christen: daardoor weet hij wat hem is toegezegd, wat met Christus is gebeurd en wat de kracht is van Zijn dood en verrijzenis.

De Hoop geeft moed om aan het werk te gaan, geeft uitzicht op de toekomst.

De Liefde doet de mens creatief gestalte geven aan wat men gelooft en hoopt.

 

Voor een christen is het geloof zijn ogen, de hoop zijn hart, de liefde zijn handen en voeten. Zonder geloof is de christen blind, zonder de hoop is hij verlamd, zonder de liefde is hij stervend.

Al is het geloof onontbeerlijk en de liefde de voornaamste, het noodzakelijkst is de hoop.

De hoop is “ het geloof op stap”.

Vele mensen leven van kleine verwachtingen: de lotto winnen, een goede uitslag, een plezant weekend, eten en drinken, maar de grote verwachting hebben ze opgegeven.

Ze leven van “les petits espoirs”, maar “La grande esperance” hebben ze opgegeven zeggen de Fransen.

Sommige ouderen zeggen – soms na de mis – na ons is het hier gedaan. Dat is doemdenken! Met zulk een houding maak je geen toekomst… de hoop is verdwenen.

Saint Exupery schreef ooit: De hoop is als een klein meisje dat wandelt hand in hand tussen twee bejaarden; het meisje wil vooruit en trekt de oudjes voort. Zo is de hoop de motor van het geloof en de liefde.

Laat ons geloven dat uit de afbrokkelende meerderheidskerk van vandaag ook in Vlaanderen een nieuwe Minderheidskerk kan geboren worden. Het zal gebeuren door mensen die de hoop niet opgeven. Hopelijk ben jij daarbij!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

In memoriam Metje Smallenburg 1950-2004

 

 

Toon Hermans zegt:

“Als ik bij een dode sta voel ik me altijd de mindere. Hij of zij heeft de grote stap al gezet. Ik nog niet; dat maakt mij stil”.

 

Zo sta ik vandaag ook hier bij Metje

Als een meteoor kwam ze het wortels luchtruim binnen gevlogen anderhalf jaar geleden. Vanwaar kwam zij , wie was ze, wat deed zij? Vragen te over in het kleine Wortel waar men de mensen graag in een kadertje plaatst. Maar Metje is niet zomaar in te kaderen.

Ze was Nederlander, maar gedroeg zich helemaal niet Hollands. Ze was vrouw, maar iedereen die haar zag werken wist dat ze haar man kon staan.

Ze was moeder, warm nest en geborgenheid, maar ook vader , richtingwijzers uitzettend voor Sofie en Suzanne.

Ze studeerde geneeskunde, maar hield zich bezig met het helen van mensenharten en relaties.

Ze was van huize protestant, maar voelde zich zo thuis in het koor en de liturgie van onze kerk.

Ze was water en vuur tegelijk. Lavend en verfrissend; vuur en warmte, maar soms ook overspoelend en verschroeiend.

Haar mooie lichaam was in de greep van de kanker, maar haar geest bleef als een kompas gericht naar het noorden. Ze verloor het noorden nooit.

Ze heeft gevochten tegen de ziekte als geen een, maar op een dag keek ze vertrouwvol de andere kant op en bad om vergeving en vroeg zegen over haar dierbaren.

En de toekomst? Of het nu de Hemel is, of de schoot van Moeder Aarde of de Grote Geest van de Indianen, het deed er niet toe. “Dat er toekomst was” dat was haar houvast. Ze plantte bloembollen in de tuin want ze geloofde in de nieuwe lente. Haar leven was een symfonie, een onvoltooide symfonie. Laten wij met haar kracht en inspiratie ze voltooien.

Metje, als ik een plaatje voor jou zou mogen kiezen dan koos ik het lied van Bram Vermeulen: De Steen; Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.

Je bent geen meedrijver geweest op de stromen van deze wereld. Je hebt hem een wending gegeven naar menselijkheid en geesteskracht. Je hebt geleefd.

Met Bram Vermeulen kan jij nu zingen

            Ik heb een steen verlegd

            in een rivier op aarde.

            Het water gaat er anders als voorheen

            Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten

            Ik leverde het bewijs van mijn bestaan

            Omdat door het verleggen van die ene steen

            de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

 

Uitgesproken in de afscheidsviering door pastoor Van Dijck - Wortel.

 

Homilie voor Metje Smallenburg  1950 – 2004.

 

1. Voor haar 54ste verjaardagsfeest, dat de vrienden voor haar organiseerden mocht je haar als geschenk bloembollen of bloemzaad schenken. Het was een hele bloemenverzameling op het koertje. Op de pakjes kon je zien welke prachtige bloemen het zouden worden.

Op een dag dat ik haar bezocht vertelde ze me dat ze eigenhandig heel wat bloembollen had geplant. Ze had er zo’n deugd aan beleefd, want weet je pastoor terwijl ik dat deed dacht ik aan mijn begrafenis. Waarom hebben mensen het zo moeilijk te geloven in de toekomst. Hadden ze maar het geloof van een bloembol. Die laat zich rustig planten, want hij weet moeder aarde zorgt voor nieuwe bloei.

Misschien is het wel, zei ik, omdat wij geen voorstelling hebben hoe het andere leven zal zijn. Op het pakje bloembollen staat een mooie afbeelding van hoe het nieuwe leven zal zijn.

Van het toekomstige leven hebben wij, mensen, geen voorstelling. Reeds in Paulus tijd kwamen de mensen met die vraag naar hem toe.

Hoe is het leven van diegene die gestorven zijn? Met welk lichaam leven zij? Ook Paulus verwijst naar de natuur

            Elke zaadkorrel moet eerst sterven

            vooraleer deze nieuw leven kan voortbrengen

            Alle levensvormen zijn verschillend van aard

            Het bestaan van een mens is totaal anders

            dan het bestaan van vogels en vissen

Zo is er ook een hemels bestaan dat niet kan vergeleken worden met het aardse.

Voor Metje was het “hoe” niet belangrijk. Of het nu de hemel, de schoot van Moeder aarde of de grote geest van de Indianen was het deed er niet toe. “Dat er toekomst was”, dat was haar houvast. Ze heeft wel zelf het plaatsje gekozen waar ze zou begraven worden.

Sterven is het ene mysterie verlaten…. om het andere binnen te gaan dat geloof biedt de kerk en ook Metje ons aan.

 

2. Toen Metje pas gestorven was en ik haar ging groeten luisterde ik naar de mensen die haar zagen sterven. Iemand zei: het was alsof ze weg vloog…er ging iets weg en ik dacht aan het lied van Crawford Randy: One day i fly away; op een dag vlieg ik weg.

En Suzanne zei: het was alsof zij al haar adem bijeen pakte en haar geest naar mij toeblies. Hier heb je hem. Ik voel dat hij nog bij mij is.

Daarom koos ik als evangelie het verhaal van Jezus sterven.

Van Jezus zegt het evangelist niet: Hij stierf maar Hij gaf de geest. Hij blies zijn geest over de wereld uit. Zoals Metje: hier heb je hem, doe er wat mee.!.

De bijbel is geen leesboek maar een leefboek.

We lezen niet het evangelie, we verkondigen het: we roepen het over je uit. Opdat we het zouden oppakken en ervan leven.

Het is goed dat we Metje gaan begraven, maar het is nog mooier dat we de geest van Metje laten verder leven.

Dat is ook de boodschap die Jezus aan zijn leerlingen naliet op het kruis: Goede Vrijdag vieren is mooi, maar mooier is het dat wij “Pasen en Pinksteren” zijn geest laten verder leven in deze wereld.

 

3. Na afloop is er koffie met broodjes op het thuisadres. Dat lees ik op de rouwbrief. Het levenseinde van een mens vieren met een maaltijd is een diep menselijk gebeuren

Doorheen de pijn en het verdriet willen we de verbondenheid bewaren. In leegte en gemis willen wij ons lichaam en ons hart vullen met nieuwe levenskracht om verder te gaan.

Jezus wilde ook zijn levenseinde met zijn vrienden vieren in een maaltijd gebeuren. Een maaltijd die reeds getekend was door het aanstaande einde: “Op de avond voor zijn dood”. Maar ook een maaltijd die toekomst gaf aan de leerlingen die achterbleven. Dit is het nieuwe en blijvende verbond met jullie.Een toezegging van zijn blijvende aanwezigheid. Daarom vraagt Hij ons: Blijf dit doen om mij te gedenken.

Wij mogen geloven dat de Heer zo bij ons aanwezig wil zijn en onder ons die diepe levensband wil brengen opdat wij samen weer verder gaan op onze levensweg.

Laten wij ons gelovig openstellen voor Jezus geest en het heilige maaltijdgebeuren.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Kruip eens in een bijbelverhaal

 

 

In onze school hebben 91 leerlingen op verschillende tijdstippen meegedaan aan bibliodrama. De bedoeling van bibliodrama is jezelf in te leven in een bijbelverhaal; in dit geval het gevecht van Jacob, een verhaal uit het oude testament. Dit gebeurde aan de hand van een rollenspel met enkele vragenrondes. De bedoeling was dat de leerlingen van het 3de technisch (15-jarigen) een rol kozen en nadien een antwoord gaven op een aantal vragen. Elke vraag werd vooraf gegaan door de vraag: “Wie ben jij?”. De leerling antwoordde: “Ik ben….”; en daarna kwam de vraag. Op die manier vereenzelvigde hij zich in zijn antwoord met zijn rol.

 

Opvallend was hoeveel leerlingen hun rol goed speelden, hoe ze zich echt konden inleven in de rol die ze gekozen hadden. Naargelang de vragen dieper gingen, begonnen leerlingen in hun antwoorden meer en meer te vertellen over hun eigen leven. Hun eigen zwakheden, hun sterke kanten, hun visie en hun diepe gevoelens kwamen naar boven in hun antwoorden.

 

Tijdens het groepsgesprek per klas of per klasgroep viel het op hoe leerlingen inzagen en aanvoelden dat een verhaal van zoveel jaren geleden eigenlijk over hun eigen leven gaat. De situaties, de gevoelens, de tekortkomingen en de oplossingen uit een eeuwenoud verhaal sluiten zeer nauw aan bij ons hedendaags leven. De leerlingen begrepen de actualiteit ervan.

 

Aan de leerlingen werd achteraf gevraagd of bijbelverhalen de dag van vandaag nog betekenis hebben voor hen. Er waren 20 leerlingen die “neen” zegden, eentje had geen mening en 70 vonden van wel. Uit hun antwoorden blijkt dat de Bijbel geen dood boek is. Het toont aan dat jongeren nog zin en betekenis vinden in de oude verhalen.

 

Van de 20 leerlingen die geen betekenis zagen in de bijbelverhalen, waren er 10 die geen verdere motivatie geven. Eén leerling zei dat hij geen interesse heeft. De 9 andere leerlingen zien er geen betekenis in voor hun leven of voor deze tijd.

 

Van de 70 leerlingen die zeggen dat de bijbelverhalen nog wel een betekenis hebben, volgt een samenvatting van hun motivatie.

 

Bijbelverhalen worden de dag van vandaag nog gelezen, dus hebben ze nog een betekenis voor diegenen die ze lezen. De verhalen zijn niet alleen soms spannend, maar er zit een diepere betekenis in. Ze laten zien hoe de mensen uit die tijd reageerden op situaties, hoe ze leefden, en in het NT zien we vooral hoe Jezus leefde en hoe hij omging met mensen. Zelfs als je niet gelovig bent, krijg je voorbeelden van hoe je kan leven, van hoe je met problemen kan omgaan en hoe je mensen kan benaderen. Je kan dan trachten die voorbeelden op je leven toe te passen om een beter mens te worden. De situaties die we voorgesteld krijgen, hebben vaak een gelijkenis met onze hedendaagse wereld, en zelfs met ons eigen leven. Een aantal situaties hebben we reeds meegemaakt en zijn daarom niet alleen actueel; het naleven ervan is de dag van vandaag mogelijk en zinvol.

 

In een bijbelverhaal kunnen we onszelf herkennen in de personages die meespelen. Het is alsof we reeds een aantal van die momenten zelf hebben meegemaakt. Vooral de diepere betekenis is heel herkenbaar. We hebben allemaal al wel eens een dalmoment in ons leven en het verhaal nodigt ons uit om de levenswijze van toen op onszelf toe te passen. Het geeft ons de kans om een beter leven te hebben en om zelfs een beter mens te worden. We kunnen dan moed putten uit de achtergrond van het verhaal en we kunnen op die manier meer zin geven aan ons eigen leven. Juist omdat de lessen in de verhalen ook nu nog van toepassing zijn, blijkt dat het gezegde “De geschiedenis herhaalt zich” gestaafd wordt door de bijbelverhalen.

 

Als je je inleeft in de mensen van toen, kan je je eigen gevoel terugvinden. De oplossingen die we dan lezen, kunnen we proberen te gebruiken in ons eigen leven. Dit kan echter alleen als we er voor openstaan. Het zet aan tot nadenken

 

Zelfs als je twijfelachtig staat tegenover de bijbelverhalen kan je er toch veel uit leren. Je kan jezelf leren kennen en je kan hierdoor leren vechten tegen je slechte kanten. Je zal voelen dat je dezelfde situaties al eens meemaakte. Je kan dan zelf beslissen wat je met het verhaal kan of wil doen. Je moet je gewoon maar inleven, de rest kan vanzelf komen.

 

Verder is er in de Bijbel zeer veel symboliek aanwezig. Openstaan voor deze symbolen, zet je aan tot nadenken en zo kan je heel wat toepassingen terug vinden voor je eigen leven.

 

Dit alles leert ons dat, als we de Bijbel durven openslaan en de verhalen aanreiken aan jongeren, zien we dat er voor hen een wereld opengaat: een wereld van inzichten en ervaring, een wereld van kansen. Het actualiseren van die bijbelverhalen doen ze zelf. Zo zie je maar dat interesse in de Bijbel bij jongeren niet altijd een drama is: bibliodrama leert ons anders.

 

vaem

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Onverwachte uitnodiging

 

 

Elke zondag namiddag rond 4uur is het verzamelen geblazen voor de veteranen van ’t Slot in Wortel. Tijd voor hun wekelijkse babbel en vertier. Op een zondag trok ik er naartoe.

Het was rustig: Cois, Luc, Leon en Frank alias Stanneke, 30-40gers, aan de toog. Zet u erbij en drink er eentje mee! Drink van mij: ik heb ze vandaag weer verdiend! Na een tijdje:”Pastoor” zei Cois,” je zou Stanneke zijn appartement eens moeten inzegenen want het zit er niet pluis. Vorige week zat hij opgesloten in de lift. En geen levende ziel in’t gebouw. Je zou voor minder”. Ja, je kon het nog op zijn gezicht zien als hij het verhaal vertelde.

“Goed, geef maar je telefoon”. Op een bierkaartje zijn gsm nummer. “Liefst op een vrijdagavond. Dan schaken we bij Stan”!

Enkele weken later op een vrijdagavond. “ Of dat aankwam om het appartement te komen inzegenen?”…. Even stilte…. “Ja, kom maar af”. Een kwartier later zat ik bij Stanneke aan de huistoog met een Palm. Alles was nog kraaknieuw en netjes. Zijn broer Leon was er ook en wat later kwam Cois ook binnen. Het schaakbord stond op de tafel.

Eerst wat babbelen en rond kijken en dan:.

“Pastoor hedde gij wijwater en palm bij”? “Nee, palm heb ik al, wijzend op mijn pint en wijwater is niet nodig. Mijn handen zijn ook gewijd”.

“Beginnen w’ er aan”, vroeg ik! “Ja, wij zijn er klaar voor”!

Kom we beginnen bij de deur: Eerst een kruisteken maken dan de deur open. Met een zegenend handgebaar bad ik: “Dat de deur altijd gastvrij zou openstaan voor de vrienden en mensen in nood; maar dat ze gesloten zou blijven voor mensen met slechte bedoelingen. Amen”… Amen

Zo gingen we de woning rond: de badkamer, de slaapkamer. Telkens een zegenend gebed. Met een Amen, geleidelijk door de aanwezigen meegezegd.

“Dat de tafel een plaats mag zijn waar we het leven delen met elkaar: samen genieten van het eten en het schaakspel. Dat aan deze tafel de verbondenheid mag groeien. Amen… Amen”.

Toen ik terug aan de huistoog wilde gaan zitten, zei Leon , “Pastoor, de lift nog!”  Och ja, daar was het om te doen. Ik wist niet dat het bestond: een huislift die uitkomt in de living en die elke bewoner met een speciale chip kan bedienen.

De liftdeur open en de wens: “ dat de samenwerking tussen de mens en de techniek goed zou verlopen en de mens er met een gerust gemoed gebruik van zou kunnen maken”. Zo was het volledig.

Een blijvend aandenken aan dit gebeuren leek mij zinvol. “ Frank, ik heb iets voor je meegebracht”, zei ik. Een mooi tegeltje met de woorden” Pax et Bonum”. Vrede en alle goed! Dat is de spreuk van Fransciscus van Assisi. In Assisi hangt die aan de huisgevel. Een teken van gastvrijheid. Ook aan de pastorie van Wortel hangt er een. Mag ik u dat tegeltje geven met de vraag het hier ergens een plaatsje te geven? Zo weten de mensen dat dit een plek is van vrede en alle goeds”. “ Ja, daar zorg ik zeker voor, zei Frank. Een kruisbeeld is zo nimmer van onze tijd, maar dit is mooi. Bedankt”.

Ondertussen haalde Cois een plastiek doosje met zelfgemaakte frikadellen boven. Normaal zijn ze voor onder ’t schaakspel, maar nu zijn ze een hapje bij de nadrank van deze viering.

Als ik achteraf Frank, alias Stanneke, nog eens zie in ’t Slot geven we elkaar een teken van erkenning, met een knipoog of een opgestoken hand. “Pax et Bonum”!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Het geheim van de koe

 

 

Op de Langenberg heerste vorige week heel wat drukte ter hoogte van boer Peeters. Er kwam zelfs een groot laken aan te pas waarop van alles geschreven stond. Niet simpel voor voorbij rijdende auto’s. Zelf dacht ik dat het om een 50ste verjaardag ging en dat iemand Abraham of Sara had gezien.

Toen er echter s’anderendaags een koe aan de voorgevel stond kon ik het raden. Er was wat aan de hand met de koe.

Marie had het de laatste dagen ook voelen aankomen. Er was werkelijk meer aandacht voor haar. Carine kriebelde haar ’s morgens op haar kop en Stefaan klopte haar in haar nek, zoals ruiters doen bij hun paard na een goede prestatie. En ze werd “geroskamd” dat het een lust was en het deed nog deugd ook. Ze blonk van gezondheid. Dat was natuurlijk werk voor Fons, die had meer ervaring. Ondertussen bleef Marie er kalm bij.

Ze dacht: Ik ben, een koe

                melk geven is wat ik doe

                Vele liters elke dag

                dat doe ik met een lach

Dat het juist om die melk en die dagelijkse plicht was dat ze zondagmorgen uit de rij gehaald werd en naar de stal van de Blanc Bleu Belge werd verplaatst dat vond ze onbegrijpelijk. Waar en door wie word je nog gewaardeerd als je elke dag je dagelijks werk en plicht vervult! Maak het maar mee: simpele roodbonte koe tussen die prijsbeesten van BBB!

Marie bleef bescheiden en deed ook nu wat van haar verwacht werd. Ze ging mee naar de “pronkbox” van boer Peeters, midden tussen de Blanc Bleu Belge. En ze bekeek het schouwspel, het was een gaan en komen. Het ging er van Charel, Jef, Peer tot Mr.inspecteur, Mr.veearts, Mr.Burgemeester. Toch een rare mensenwereld: al dat volk. Ze hoort heftige discussies over hoeveel een koe eet! Hoeveel bloed ze heeft enz., dat waren duidelijk kenners, dacht Marie. Er waren er heel wat bij die van koeien niet veel afwisten, maar deden alsof.

Anderen waren beleefd: liepen eens rond Marie, bekeken haar eens links en rechts; sommigen pinkten een oogje. Goed gedaan! Maar met het andere oog keken ze toch de andere kant uit waar Magda een lange tafel  vol gedekt had met allerlei menselijke en dierlijke lekkernijen en alle soorten dranken. Blijkbaar was de belangstelling daarvoor zeker zo groot. Sommigen kwamen zelfs niet tot bij Marie, maar schoten recht naar de drankenfuif.

Marie dacht er ’t hare van, maar ze zag dat de boer en de boerin er gelukkig uitzagen…. en dat was ’t belangrijkste. Daar moet ik het tenslotte toch mee stellen, dacht ze.

Toen op een bepaald moment een BBV (een Bijzondere Boeren Vlaming) een grote groene laurierkrans over haar mooie koeienkop schoof werd het haar te machtig. Ze voelde de tranen in haar weeë ogen schieten en wist niet hoe zich te houden. Het liefst had ze de BBV drie kussen willen geven. Ze stak haar tong al uit maar ze bedacht zich. Moest zij niet de kussen krijgen! Ze schudde dan maar eens met haar kop op en neer om te zeggen: Merci BBV.

Die had ondertussen ook al een glas  aan de lippen.

’t Is welletjes geweest, dacht Marie, en ze ging erbij liggen en ze begon te herkauwen…… tien jaar lang was ze reeds op de boerderij, Ze dacht aan al de kalfjes die ze had voortgebracht, hoogdagen in haar koeienleven. Ze dacht aan die zalige momenten in de wei. De morgendauw en ’t frisse gras, grazen, grazen, grazen en om 10.00u. liggen en herkauwen, de ogen toe. ’t Was dubbel genieten, dan wordt het zure zoet en het harde zacht.

Dat is ons geheim; dacht Marie: wij nemen de tijd! Wij herkauwen het leven. Dat kennen de mensen niet. Daar is het altijd maar jachten en jagen, die herkauwen niet en daarom is hun leven vaak hard en zuur. Die kunnen wat van ons leren! Kauwend droomde ze weg……

Toen Marie wakker schoot uit haar dromerig gekauw was het terug stil in de stal van boer Peeters. Ze zag enkel nog het plaatje hangen: 100.000 liter melk! Maar wie van de bezoekers had de melk geproefd?

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Het lied van de klokken

 

 

Een tijd geleden was ik op bezoek bij een collega op pensioen. Hij onderbrak ons gesprek: Stil! De klokken luiden! Er is iemand gestorven. Ik denk dat het de lichte klok is. Dan is het een vrouw. Ja, het moet een vrouw zijn: even waren we stil. Onze gedachten gingen even naar de overledene die door de klokken werd opgeroepen.

Klokken hebben een boodschap: op de luiklokken staan vaak 2 Latijnse woorden: Vox Dei! Stem van God. God spreekt langs de klokken.

De vraag is of we de taal van de klokken nog verstaan? Horen we nog Gods stem wanneer de klokken luiden om ons bv. uit te nodigen voor de zondagsviering?

Een oudere vrouw vertelde mij eens: Als de ziekenwagen met geloei voorbijrijdt dan bid ik een Onze Vader: dat hij – de zieke behouden mag terug komen of dat hij behouden mag thuis komen bij God. Zij hoorde in het geloei van de serene de hulpkreet van een zieke of gewonde medemens. Ze hoorde zelfs Gods stem in het geloei van de 100.

Hoort de moderne mens nog Gods stem? Hoort hij Gods roepen? Beseffen wij dat God ons roept, dat wij geroepenen zijn?

Onlangs ontving ik een e-mail van iemand uit de parochie. Hij had het over het luiden van de klokken. Hij vond het triestig dat er bij een overlijden  anders werd geluid voor een vrouw dan voor een man. Discriminatie? !

Ik ging even op bezoek. Zijn ergernis verraste mij, gezien hij in mijn ogen een wijze man is.

Uit het gesprek bleek dat het luiden met een lichte of zwaardere klok voor een man of vrouw vroeger nooit had bestaan.

Ik had dit blijkbaar  bij mijn komst in Wortel ingevoerd. Bij navraag blijkt deze gewoonte ook te bestaan in de omliggende parochies: Meer, Meerle, Rijkevorsel, Minderhout en anderen. Wellicht onder invloed daarvan bracht ik die gewoonte ook naar Wortel.

Voor de dood zijn we natuurlijk allemaal gelijk, man of vrouw. Voor de mensen zijn mannen en vrouwen gelijkwaardig, maar ook eigenwaardig. Een man is een man. Een vrouw is een vrouw. Van een man zeggen we weleens: Hij heeft een stem als een klok en dan bedoelen we: een zware stem. Wellicht past een zwaardere klok dan beter bij de man.

Van een vrouw zeggen we weleens: ze kan zingen als een engel en dan bedoelen we een hoge en lichte stem. Als we dat in klokkentaal willen omzetten dan past allicht een lichtere klok het best. In ieder geval willen we daarmee niet zeggen dat de ene beter is dan de andere, maar dat ze hun menselijke eigenheid mogen bewaren.

Het is natuurlijk ook een vorm van informatie geven naar de gemeenschap toe. Als de kosteres gaat uit luiden komen mensen buiten met de vraag: “Wie is er gestorven”…?

 

Sommigen die niet in de schaduw van de kerk wonen horen aan het klokkengelui of het een man is of een vrouw. En in een kleien gemeenschap als Wortel, weet men nog wie er ernstig ziek is.

Onlangs werd ons gevraagd drie minuten stil te zijn voor de slachtoffers van de Tsunami. In Wortel werden de doodsklokken gedurende drie minuten geluid. Mensen vroegen aan de kosteres: “Wie is er dood”? “Kijk maar in uw krant”! Antwoordde zij. Toen viel de frank van de vragensteller.

Klokken kunnen dus ook in het gemeenschapsleven een rol spelen…. mensen attent maken voor een bepaalde nood of een bepaalde activiteit.

Als de vormelingen aan hun tocht van Sterzingen begonnen werden de klokken enkele minuten geluid. “Mensen ze zijn op komst”! Zoiets zou ook kunnen gebeuren op 11 november wanneer de volwassenen na de mis voor de oorlogsslachtoffers hun rondgang doen voor 11-11-11. Zo wordt de gemeenschap attent gemaakt voor en bepaalde nood of actie.

We leven in een tijd dat elke mens graag in zijn eigenheid erkend wordt, maar dit verlangen verglijdt vaak naar individualisme en egoïsme. De zin voor de gemeenschap is soms ver te zoeken.

Misschien is het wel de diepste betekenis van het klokken gelui. Ze roepen de gemeenschap op. Zo was het ook vroeger.

Bewuste Vlamingen  kennen nog het lied: Klokke Roeland.

Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand

En lui de storm in Vlaanderland.

Mensen je bent niet alleen! Je behoort tot een gemeenschap! We worden opgeroepen mee te werken aan meeleven, inzet en verbondenheid.

Dan is het lied van de klokken niet iets triestig maar een blijde boodschap!

Weldra is het Pasen…. het lentefeest van de kerk…… het feest van vreugde en hoop ondanks alles. We kunnen het vieren op de tonen van de klokken.

Op Witte Donderdag tijdens de viering van het Laatste Avondmaal “vertrekken” de klokken naar Rome werd verteld aan de kinderen. Dan wordt het stil in de kerk: op Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Stil zoals in het huis waar iemand gestorven is – geen radio of tv. Stilte naar buiten, maar vooral naar binnen.

Tijdens de Paaswake breekt de vreugde los in licht, klank en vreugdezang. De klokken beieren! Alleluja! Hij is Verrezen! Er is hoop er is leven!

Durf luisteren naar het lied van de klokken.

Zalig Pasen!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

De warme wintertrui

 

 

Een moeder had drie dochters. Ze werden groot en kregen trouwplannen. Maanden vooraf begon moeder te breien. Een warme wintertrui. Ze dacht dat is iets van thuis en da’s iets dat ze kunnen gebruiken. Ze breide met ijver en vooral met liefde.

Toen de dochters één voor één trouwden – ze was blij dat ze dat nog deden, en nog voor de kerk! gaf ze mooi ingepakt in het kleurrijkste papier de warme wintertrui mee. Op het kaartje schreef ze: “van thuis en met liefde gebreid”.

Alle drie waren ze blij met deze persoonlijke verrassing van hun moeder. Maar na verloop van tijd gingen ze toch verschillend om met dat geschenk van thuis.

De oudste had de trui een mooie plaats gegeven in haar kast en elke winter werd hij regelmatig aangedaan: Ze woonde ver van thuis en telkens als ze hem aandeed, was het of ze voelde iets als een warme omarming van moeder.

De tweede dochter had de eerste winter wel eens genoten van de warme trui. Maar ze was nogal nieuws gezind en er waren toch heel wat mooier modellen in de boekjes en de winkels. Ze wilde van haar tijd zijn en zo belandde moeders trui na een paar jaartjes in een zak voor spullenhulp. Niks meer voor mij, dacht ze.

Bij de jongste was het wat in dezelfde zin gegaan: alleen kon ze de trui niet weg doen: hij kwam ten slotte van thuis en nu moeder gestorven was, besefte ze nog beter wat thuis betekende. Elk jaar werd de trui verlegd in de kast…. en telkens ze het deed, deed het haar iets.

Op een lange winteravond kwam ze weer uit bij die trui. Ze kreeg een ingeving: ze begon de trui van thuis af te trekken: ze was verwonderd over de kwaliteit van de saai. Moeder had op geen kosten gezien! En met het boekje van KVLV. voor zich begon ze een nieuw breiwerk op et zetten: ze breide met het materiaal van thuis een warme mooie trui: eigentijds en naar haar smaak. En de kinderen zeiden: Mama, da’s mooi. Ja, die is van moemoe! Brei jij ook voor ons later zo’n warme wintertrui?

Ons geloof is als een warme wintertrui. Je krijgt het mee van thuis. Het is je met veel liefde van kleins af doorgegeven. Wat heb je ermee gedaan? Ik zie drie soorten jonge gezinnen rond mij.

Er is een kleine groep gezinnen die doen als de oudste dochter: ze zijn blij met wat ze van thuis hebben meegekregen. Ze voelen er zich goed in en ze houden het in ere. Je ziet ze in de kerk, ze houden ook thuis gebruiken in ere die ze thuis zagen.

De grote groep jonge gezinnen zijn als de tweede dochter: geloven en kerk? Dat was goed voor vroeger. Da’s ouderwets. Wij zijn modern als VTM en Goedele Liekens.

We trekken onze plan. De warme wintertrui is mee gegeven met spullenhulp. Hun kinderen weten zelfs het bestaan van zo iets niet meer. Ze groeien op in de kou.

Maar er is ook een derde groep jongeren. Ze zijn ook van hun tijd, maar ze laten zich niet meeslepen. Ze scheiden koren en kaf. Ze proberen het goede van thuis op een eigentijdse en creatieve manier in hun gezinnetje op te nemen en ze zijn stilletjes aan bezig een warme wintertrui te breien voor hun kindjes.

De Advent en Kersttijd is een ideale tijd om hieraan te werken. Er komt een Adventskrans in huis en elke avond wordt een kaarsje aangestoken en een gebedje gezegd. En de kinderen dromen al van Kerstmis want dan is het winter, maar vooral dan doet zo’n warme wintertrui van thuis zo’n deugd!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Mutter! Mutter!

 

 

In 1944 werd de Erla in Oude God gebombardeerd. De bommen misten doel en kwamen op een school en burgerhuizen terecht. Een verschrikkelijke ravage. Pastoor Jespers uit Meerle, toen pastoor in Oude God vertelde mij eens: “Dit was het beeld dat mij het meest is bijgebleven uit die dagen. Ik kwam aan een huis dat helemaal was ingestort. Temidden van het puin zat een peuter te wenen! Moeke! Moeke!… Onder het puin lag zijn dode moeke, haar hand boven het puin. De kleine hield haar hand vast en riep wenend: Moeke! Moeke!”

Moeder en kind horen samen.

In 1944 werd Loenhout bevrijd. Drie weken zaten we in de frontlinie. Meermaals per dag werden de dorpen St.Lenaerts, Brecht en Loenhout vanuit Malle beschoten. In St.Lenaerts werd er hard gevochten, soms huis na huis, soms man tegen man.

Bij ons thuis lag het Duitse Rode Kruis. Gekwetsten werden vanuit het front binnen gebracht voor verzorging en daarna verder afgevoerd.

Op een zaterdagnamiddag zaten we met ons allen in de kelder. Het rommelde langs alle kanten. En wij maar weesgegroetjes bidden! Ik herinner mij dat men een zwaargewonde Duitse soldaat had binnengebracht. De dokters waren bezig hem te opereren. Plots braken alle duivels los. Een bom sloeg in. Het glas rammelde. De twee dokters kwamen in de kelder gevlucht. De gekwetste lieten ze in de living staan. Hij begon te roepen: “Mutter! Mutter!”

Moeder is degene die erbij hoort. Het leven geeft, het leven behoedt, lotsverbondene.

Het verhaal van Floris.Zes maanden oud, verloor hij zijn mama bij een auto ongeluk. Toen ik naar de bedroefde familie ging nam de bomma het kindje uit de wieg en liet het mij zien.

“Ziet eens hoe een schoon kindje van ons dochter”. En toen begon ze te wenen. Het zal zijn Moeke nooit kennen. Heel zijn leven zal het de hunker bewaren naar zijn Moeke.

Moeke is degene die erbij hoort.

Onze Paus had als leuze, een Mariaal woord: “Totus tuus”. Ik wil helemaal van u zijn. Vanwaar die sterke band met Maria. Ik begreep het toen ik in een reportage vernam dat zijn moeder stierf toen hij 8 jaar oud was. Hij had van haar een foto van Moeder met de kleuter Karl op de arm. “Moeder en kind”. Die foto, vertelde de reporter, had de paus altijd bij zich.

Waar moest hij naartoe met zijn heimwee naar Moeder. Wellicht werd heel de affectie en nood aan geborgenheid en verbondenheid geprojecteerd op dat oerbeeld van Moeder en kind dat Maria en Jezus in de christelijke vroomheid vormen.

De reporter vertelde erbij dat bij de aanslag op de Paus tijdens zijn overbrenging naar de  kliniek hij luid had geroepen op Maria “ Totus tuus ego sum”. Hij was ervan overtuigd dat Maria hem gered had.

Zoals moeder een oersymbool is van lotsverbondenheid voor een mens, zo is Maria het oersymbool van geestelijke lotsverbondenheid. We noemen haar niet voor niets Moeder van de christenen. Ze is ons nabij niet alleen in nood maar in alle fasen van het leven.

Als elf jarige knaap ging ik op internaat in Hoogstraten. De eerste avond kwamen de kleinsten samen in de kleine kapel voor het avondgebed. De priester die het leidde zei: “Vanavond zal je moeder je niet komen toedekken, maar bid voor je bed je drie weesgegroeten tot je hemelmoeder. Zij zal over je waken en je zal goed slapen” Zo leerde ik een nieuw avondritueel dat ik tot op vandaag nog elke avond doe. Maria die ons behoedt.

Op zondag ga ik vaak naar Postel naar de vespers: het avondgebed. Ik ben steeds getroffen wanneer de hele gemeenschap van paters, oudere en jongeren, geleerden en werkbroeders zich samen keren naar het verlichte Mariabeeld  en samen zingen:

 

Salve Regina

U groeten wij, Maria, koningin en moeder vol goedheid.

Bij u vinden wij het leven, de vreugde en de hoop.

Wij roepen u aan op onze pelgrimstocht.

Wees de lijdende mensheid nabij.

Gedenk ons, zie barmhartig op ons neer

en leid ons door het leven naar Jezus, Uw zoon.

Moeder vol goedheid en liefde, heilige maagd Maria.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Het verhaal van het H.Bloed van Hoogstraten

 

 

Meer dan 600 jaar geleden, rond het jaar 1350, leefde er in Boxtel, een Nederlands stadje dicht bij Tilburg, hier 70 km vandaan, priester Eligius Van Aker.

Op een zekere dag, tijdens een eucharistieviering, stootte Eligius Van Aker na de consecratie per ongeluk de kelk om.

De witte wijn die uit de kelk stroomde, kleurde onmiddellijk rood.

De priester schrok hevig bij dit wonder. Jezus’ bloed had de witte doeken rood gekleurd.

Na de mis wilde de priester de doeken in de beek wassen, maar de rode vlekken bleven erin.

De priester bewaarde zijn geheim angstvallig. Slechts op zijn sterfbed maakte hij het wonder aan zijn biechtvader bekend.

Bij het horen van dit wonder, kwamen er elk jaar steeds meer bedevaarders naar Boxtel, om er de H.Bloeddoeken te vereren, en er gebeurden meerdere wondere genezingen.

In de 16de eeuw, te tijde van Keizer Karel de V, kwamen er in de week na Pinksteren wel meer dan 40.000 pelgrims op bedevaart naar Boxtel.

Maar tijdens het Spaanse Tijdvak braken er godsdienstoorlogen uit, en tenslotte werd Nederland protestant. De H.Bloeddoeken waren niet meer veilig in Nederland.

Ze werden eerst naar Antwerpen gebracht, en daarna naar Hoogstraten.

Dit gebeurde in 1652, tijdens de regering van de achtste graaf de Lalaing van Hoogstraten.

Sedert dat jaar werden in Hoogstraten, gedurende de tweede en derde week na Pinksteren, de H.Bloeddoeken vereerd. Van heinde en verre kwamen nu bedevaarders naar Hoogstraten

Dit duurt zo al meer dan 300 jaar.

In 1923, na de eerste wereldoorlog, werd een deel van de doeken terug naar Boxtel gebracht, het andere deel bleef voorgoed in Hoogstraten.

Wanneer de H.Bloedprocessie uitgaat, dragen 6 personen de mooie vergulde H.Bloedkast, waarin het doek opgeborgen zit.

Tijdens de H.Bloedweek komen er nog steeds Nederlanders uit de streek van Boxtel op bedevaart naar Hoogstraten.

Dit is de geschiedenis van het Heilig Bloed van Hoogstraten.

Het toont ons het groot geloof van de voorbije generaties in de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in brood en wijn.

Moge het ook ons geloof in de eucharistie versterken.

 

Processie H.Bloed Hoogstraten, op 1ste en 2de zondag na Pinksteren na de Plechtige Hoogmis van 10.00uur.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Ode aan Pater Van Dongen

 

 

Toen pater Frans Van Dongen in 1989 naar Hoogstraten kwam als kapelaan van het Begijnhof gebeurde dat zonder veel omhaal. Een mededeling in de beide kerken, een artikel in het parochieblad brachten de gemeenschap op de hoogte.

Frans Van Dongen, pater scheutist had al een hele opdracht achter de rug als missionaris 18 jaar in Kongo en 12 jaar in Guatemala. En nu hoopte hij als kapelaan van het Begijnhof, tevens onderpastoor van Hoogstraten nog verdienstelijk werk te doen voor de kerk in de kempen.

Al vlug ontdekten de mensen dat de pater een ochtendmens was. Voor dat de eerste mis begon, had Frans al een hele toer gefietst in een of andere richting. Met de fiets door het leven

Mensen die ’s morgens naar ’t werk reden kwamen hem tegen. Zo kwam Pater Frans elke morgen fris aan de start.

 

De kerkfabriek van ’t Begijnhof mocht zich gelukkig prijzen met de komst van Pater Frans. Ze hadden in hem niet alleen een toegewijde kapelaan, maar tegelijk een poetsman en een onderhoudsman. Wie heeft Frans niet zien keren in en voor de kerk. De stoepen voor de pastorie en zelfs de hele inkom van het mooie Begijnhof. Of dat nu zijn taak was of die van de kerkfabriek of gemeente vroeg Frans zich niet af. Het moest in orde zijn en “ ik doe het graag” zei hij.

Helpen waar hij kon dat was zijn spirit. Zo was dat ook in de parochie. ’s Morgens ging hij Jos Bruurs ophalen en samen wandelden ze naar de kerk voor de ochtendmis. Ze hadden soms al vinnige ochtendgesprekken.

“De weg was juist lang genoeg voor een vinnig gesprek en kort genoeg om niet tot conflict te komen” zei Jos weleens. Maar ze hadden wel wat aan elkaar.

“Zeg maar waar ik kan helpen of wat ik kan doen” zei Frans me in 89. “Helpen waar hij kon”. Ja dat deed hij in de parochie Hoogstraten, in de viering, bij de dopen, H.Bloed en als proost in verenigingen. De mensen van het rusthuis, de zieken in de parochie en met de fiets naar ’t ziekenhuis in St.Anthonius. De zondagavondmis in ’t Begijnhof was een hele verlichting voor de priesters van de dekenij.

Ook buiten Hoogstraten sprong hij bij: zo in Meer tijdens de ziekte van Pastoor Jan Van Dijck en te Minderhout voor de zondagsviering.

Dat hij de gaven van het woord niet bezat wist hijzelf…. maar als het moest zegde hij wel op zijn manier wat hij dacht te moeten zeggen.

Van Pater Frans zou Jezus misschien wel zeggen wat hij zei over Nathanael, een van de leerlingen:” Ziedaar een man in wie geen bedrog is”.

Inderdaad hij is zoals hij is en hij toont zich ook zoals hij is.

De affiches over “Pro Vita – tegen abortus en over Vlaamse aangelegenheden hingen duidelijk aan het raam van de pastorie. Spijtig genoeg waren ze voor de voorbijgangers door de grote groene aanplantingen onzichtbaar.

Zelfs ondanks zijn verzwakte gezondheid is het heilig Vlaamse vuur niet gedoofd. Vorige donderdag had in Overijse een manifestatie plaats van 2000 militanten voor de onmiddellijke splitsing van Halle-Vilvoorde. Wie was één van hen???…..

Jawel, pater Van Dongen. Daags voordien zei hij mij: “Ik doe het voor de “ Kick”. Het modewoord van de jeugd “De Kick” in de mond van Pater Frans!

Wanneer moet je stoppen? Geen gemakkelijke vraag, ook niet voor pater Frans.

Maar als je lichaam je signalen geeft dan is het goed daar naar te luisteren. En dat heeft hij ook consequent gedaan.

Zo wordt vandaag de Hoogstraatse levensperiode voor Pater Frans afgesloten maar de verbondenheid tussen mensen kent geen afstanden.

Nu hij niet meer zo gemakkelijk naar Hoogstraten kan komen, is het misschien aan ons om naar Kessel-Lo te gaan.

Hopelijk geldt ook voor ons wat voor hem altijd gold: “’Geen woorden maar daden”!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

God gebeurt...onderweg

 

 

21 juli… Nationale Feestdag, een gelegenheid voor Belgen om naar Nederland te gaan voor een of ander gebeuren.

Zo besloten wij die dag naar de H.Landstichting te rijden in de buurt van Nijmegen.

Pas op, hadden Nederlandse vrienden ons gezegd, want je zou in de vierdaagse  van Nijmegen kunnen terecht komen: die hebben op dat ogenblik plaats.

Toch maar wagen… We nemen alvast onze wandelschoenen mee: raken we in ’t slop dan trekken we onze schoenen aan voor een mooie wandeling in de mooie streek rond Groesbeek.

Toen we de autosnelweg verlieten hadden we al vlug prijs. File en nogeens file. In Mook zagen we wandelaars. Dus de auto aan de kant…. schoenen aan en rugzak met Pic-nic en wandelstok klaar. Aan de overstap van de grote baan, zei een politieagent: “Kom maar, ik zorg voor een vrijgeleide voor jullie moedige stappers en breng je naar de overkant”. Met een knipoogje naar elkaar en een dankjewel lieten we de man begaan.

We stapten nog fris door en staken vermoeide en krampachtige stappers voorbij. “ Je komt er wel” zeiden we aanmoedigend. Toen we na “de zevenheuvels” Groesbeek  binnenstapten zagen we plots van rechts een menigte die niemand tellen kon voorbij trekken. We werden als het ware opgezogen door de massa stappers, muziekbands die mee op stapten. Soldaten in kleine groepjes, marcherend tussen de massa, liederen zingend.  Where are you from? Noorwegen, Denemarken, Canada, Zweden, Engeland en natuurlijk Nederland.

Hoe verder we trokken hoe aangrijpender het spektakel. Langs beiden zijden van de weg rijen toeschouwers maar nog meer supporters, met applaus, vlaggen, toeters en bellen. De rusthuizen waren blijkbaar leeggehaald want in stoelen, zetels, rolstoelen hadden ze post gevat en moedigden aan met plakkaten: “Jullie zijn allemaal helden!”

Zo tussen de mensen, kan je er niet meer uitstappen. “ Nijmegen nog 7 km” zagen we. We keken elkaar aan. Wat doen we? Doorgaan!…. We willen dit niet missen.

Je bent nog fris genoeg om je ogen de kost te geven en midden op de weg staan voortdurend kinderen met mandjes snoepjes, stukjes meloen, schijfjes komkommer enz. Kinderen bieden het aan aan de voorbijtrekkende menigte grote mensen: een omgekeerde wereld. Wat verder komen kinderen naar je toe met stylo en schrift voor handtekening, vooral de soldaten hebben aantrek.

Langs het parcour zat Ronny in zijn rolstoel: 18 jaar. Boven zijn hoofd een karton met daarop de tekst: “Ronny groet jullie allemaal”! Zwaar verlamd kon hij alleen met de hand een wuivend gebaar maken. Niet spreken, enkel wuiven en kijken. Spontaan gaan stappers naar Ronny en drukken de wuivende hand. Ontroerend!

Heel de tijd door muziek en feestelijkheid. Grote tenten langs de weg vangen de soldaten op die even uitstappen, terwijl een ander peloton mee verder stapt om de massa te animeren.

Een spandoek: nog 4 km. Hou vol. We lopen achter een groepje mensen met een “T-shirt”: “ wij lopen voor de ellende in Afrika”. Een man en zijn dochter liepen ter nagedachtenis van hun dochter die vorig jaar stierf tijdens de vierdaagse. “We moeten het doen ter hare ere” verklaarde hij bij de finish. Het was zwaar en heel aandoenlijk, maar samen is het ons gelukt.

In de verslagbeelden over de tocht zagen we het beeld van een man in het ziekenhuis. Hij was onderweg in elkaar gezakt. Een medestapper had hem gereanimeerd. Tijdens de tocht kreeg de redder zijn patiënt in beeld op de ziekenkamer. “Een geweldige ondersteuning  om het vol te houden tot het einde, wetend dat je iemands leven hebt gered”.

Zo naderden we Nijmegen waar op het grote plein onder de tenten de massa werd opgevangen en ze zich verdrongen aan de tentjes voor het afstempelen van hun deelnamekaart.

Plots hoorde ik achter mij: Kijk, de pastoor van Wortel!  Tussen de massa van duizenden mensen stond ik plots oog in oog met Trees Coppens van Meersel-Dreef. Blije verrassing voor beiden. Geweldig dat je hier bent! Ja, wij komen maar even proeven en deden ons verhaal.

Bij Trees kan je het hele verhaal van de vierdaagse in geuren en kleuren vernemen en ik ben er zeker van dat je goesting krijgt om mee te stappen of een stukje mee te proeven. Wij willen er alvast volgend jaar weer voor een stukje bij zijn.

s’ Avonds thuis.  Terwijl ik al deze beelden en mensen aan me laat voorbij trekken stel ik me de vraag? Wat tilt mensen zo boven zichzelf; wat brengt mensen, jong en oud, gezonden en gehandicapten, mensen van alle rassen en talen zo dicht bij elkaar? Wie schept deze verbondenheid, deze vreugde, blijheid tussen mensen!

Ik denk dat het niet door mensen wordt gemaakt maar mensen overkomt. Hier gebeurt God zou ik durven zeggen….hier is de “hogere kracht” voelbaar en hoorbaar aanwezig. In het opweg gaan van mensen breekt Gods aanwezigheid door. Zo was het voor Abraham, voor Mozes op zijn tocht. Zo is het voor mensen die met een wakkere geest op de uitkijk staan en met een open hart contact willen leggen met de vreemde andere mens die zijn pad kruist.

Daar komt Hij van “God weet waar”, daar gebeurt Hij…..

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Nationale Ziekendag 8 oktober 2005

 

 

Ik bracht deze week wat bezoeken in het rusthuis.

Als je met de mensen praat en luistert naar hun verhaal dan gaat het in ’t begin meestal over de fysieke, de lichamelijke pijn en ongemakken.

Maar als je wat langer luistert ontdek je dat er naast de lichamelijke pijn nog een diepere pijn is: de pijn van afhankelijk te zijn bv. de pijn van niet meer mee te kunnen, er niet meer bijhoren. We zouden het kunnen noemen de “sociale pijn” deze pijn is niet direct zichtbaar maar vooral van binnen voelbaar.

En als je dan langer luistert dan spreken mensen soms hun diepste pijn uit: waarom over komt mij dat? Wat moet ik nu met mijn leven. Was ik maar dood! Het is de existentiële pijn, de bestaanspijn. Ze raakt niet alleen het lichamelijke, niet alleen het sociale maar de zin van het leven. Bij gelovige mensen leidt dat soms tot kwaadheid op God, tot ongeloof, tot verlies van vertrouwen.

Voor deze 3 uitzichten van ziekten en pijn vraagt de Nationale ziekendag aandacht. Vooral voor het tweede en derde aspect van pijn en ziekte. Ze zijn meer onzichtbaar maar daarom niet minder reëel.

Een verpleegkundige zei eens: “Overdag vroeg de patient een pilletje en ’s avonds vroeg hij: waaraan heb ik het verdiend ”!

- Het pilletje was voor de lichamelijke pijn

- De vraag “waaraan heb ik het verdient”gaat naar de zin van de pijn en van het leven

De vooruitgang van de geneeskunde heeft ervoor gezorgd dat men veel fysische pijn kan verhelpen. Men heeft tegenwoordig pilletjes voor alles – en vaak goede medicamenten. Sommigen denken en doen alsof dan de kous af is en het probleem opgelost is.

Veel moeilijker  is het aan de sociale pijn te verhelpen. Aan zieken terug het gevoel geven dat ze er nog bijhoren, dat er nog een plaats is voor hen in het leven en het samenleven. Hier ligt een belangrijke taak weggelegd voor de gemeenschap.

Ziekenzorgkernen – vrijwilligerswerk in het rusthuis zijn belangrijke wegen om de sociale pijn in het leven van oude en zieke mensen weg te nemen. De familie staat hierin vooraan. Mensen in het rusthuis zeggen het altijd dat de kinderen regelmatig op bezoek komen. Soms zeggen ze het zelfs, al weet ik dat het niet waar is; ze willen dan toch een goed beeld geven over hun kinderen.

De Nationale ziekendag  wil vooral bewust maken dat de hele gemeenschap hier een verantwoordelijkheid draagt. Verenigingen doen vaak van alles maar vooral voor de mensen die nog goed meekunnen: de mensen die moeten afhaken worden afgehaakt van de werking.

In onze zorg zullen we vaak het gevoel hebben van machteloosheid: maar begrip opbrengen en nabijheid schenken kunnen veel goedmaken. “Wat niet geheeld kan worden, moet gestreeld worden”, schreef Joos Van de Vondel.

 

De diepste pijn is wellicht de “waarom” pijn. De vraag naar het waarom en de zin van wat ze meemaken.

Aan de priester durven mensen deze pijn uitspreken, soms op een verwijtende toon. Ze zijn kwaad op God en daarom soms kwaad op de priester, want die staat voor God.

Het is belangrijk dat we deze kwaadheid, deze opstandigheid durven aanvaarden. We mogen geen dam opwerpen tegen het verdriet en de bitterheid van mensen, maar we moeten proberen een bedding te zijn waarlangs verdriet en pijn kan geuit worden.

In de eerste lezing hoorden we dat de mens zijn onmacht en kwaadheid mag uitschreeuwen tegen God. “God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten”. Het zijn woorden van de psalmist die Jezus zelf in de mond worden gelegd op het kruis.

Het evangelie leert ons dat wie met vertrouwen zich tot God wendt hierin de kracht kan ontdekken die levenwekkend wordt. De honderdman wordt door Jezus tot model van vertrouwen gesteld. Hij is niet alleen voorbeeld van mantelzorger die het opneemt voor zijn lijdende knecht, maar door zijn vertrouwen in Jezus brengt hij Gods helende kracht nabij.

Het geloof kan ons een enorme kracht schenken om in verzet te gaan tegen datgene wat mensen doet lijden. Ze kan opstandigheid ombuigen tot opstanding en de mens staande houden en niet doen ten onder gaan.

De pastorale verantwoordelijken zullen hierbij een belangrijke rol kunnen spelen en de priester zal meer dan anderen de reddende band kunnen leggen tussen de zieke en zijn veelvormige pijn en de helende aanwezigheid van God in Jezus in het gebed en de sacramenten.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Onze landloper

 

 

“Kijk, de landloper kruipt achter den boom!”

Dat zei ik spontaan tot Lieva die samen met Cor in de veranda zat, zicht op den tuin. Cor keek ons niet begrijpend aan. Landloper.., boom,… ze zag niets…..

Tot van achter een boom een bruine kip, wat lichtjes in de pluimen te voorschijn kwam.

“ Ja, dat is onze landloper”, vertelde ik.

We hebben twaalf kippen en één haan in de kiekenwei lopen. Witte, bruine, zwarte en gespikkelde. Een multiculturele samenleving zou je kunnen zeggen.

De drie autochtonen speelden in ’t begin wel wat baas over de allochtone die erbij kwamen, maar nu wonen ze netjes samen in het hok, slapen op een stok of in de takken van de bomen. De fiere haan stelt  orde op zaken.

Hij was natuurlijk het meest in zijn schik met de plotse aangroei van de populatie. Zoveel jong volk!  Want “verandering doet eten”.

Eén kip leeft buiten den draad. Op een dag is ze bij ons aangeland. We weten niet vanwaar ze komt. Ze is ook niet binnen de draad te houden.

’s Avonds verdwijnt ze en s’ morgens is ze daar weer. We noemen ze “ onze landloper”.

Ze weet dat mijn eerste werk s’ morgens, voor ik ga wandelen, bestaat in het uitstrooien van het graan. Ik smijt het met gropjes door de draad en bij elke grop valt er wat naast me op de grond. De landloper komt het gretig opeten en geniet zo met de anderen mee.

Overdag verdwijnt hij en zit in de wildernis die er rond onze tuin groeit. We vroegen ons af: Waar zou de landloper zijn eieren leggen??

Enkele malen trok ik met mijn wandelschoenen het struikgewas in naast onze tuin. Het is een eigendom van iemand uit Antwerpen maar ondertussen niemandsland. Er ligt wat rommel dat de mensen er hebben gestort, zelfs een halve kinderfiets. Bomen, struiken, netels, er is bijna geen doorkomen aan. Aan de andere kant een afgedankte boot.

Mijn zoektochten naar de productie van de landloper haalden niets uit tot ik op een dag, netjes naast de composthoop 5 eieren vond.

Eureka!! ‘k Heb ze gevonden, zei ik tegen Lieva. Vlug een kalkei dat in de paasboom gehangen heeft erin gelegd en ja, elke dag een vers eitje erbij. En nog wel “groene eieren”. Dat zijn er “ zonder cholesterol!” Zo heeft de griffier van Hoogstraten me vroeger nog geleerd.

Sinds die dag hebben we nog meer respect voor onze landloper en krijgt hij ’s morgens wat extra legkorrel op de grond. Na een dag of tien hield de productie op.

Hij verscheen ’s morgens nog op ’t appel, maar overdag geen landloper te zien. Tot op een morgen ik onder de bomen van de tuin keek en mijn oog viel op de landloper: Hij zat te broeien, netjes achter een boom. Wat weten die mannen zich toch te verschansen!!

Het was begin Juli. “Als ’t lukt hebben we op de nationale feestdag (21 juli) Belgische kuikentjes”, vertelde ik aan ’t ontbijt.

Ach nee! Daar kan toch niets van komen, zei Lieva. Die is toch niet bij den haan geweest! Je weet maar nooit zei ik. Hij is toch eenmaal in de kippewei geweest en bovendien den apotheker van hiernaast heeft ook een haan…We zullen zien.

Het waren spannende dagen voor hem, voor ons. Zo rond de 15de dag zag ik plots naast zijn nest enkele eieren liggen. Die waren er blijkbaar uitgevlogen. Hoe weet een kip dat het loterdoppen zijn! Een mysterie…

Op de nationale feestdag was er nog altijd geen leven te bespeuren… en enkele dagen nadien heb ik de andere eieren ook maar op de mesthoop gesmeten. Ik wilde de landloper niet langer op de proef stellen..

Een troost had ik in ieder geval; onze landloper gaat niet vreemd...

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Pastorale wandeling in Wortel - Allerheiligen 2005

 

 

Torendreef – Kathedraal van de stilte……. Ik wandel van West naar Oost. – Duister – in de verte licht – Oosten – dag – zon…….

Al wandelend door de bladeren maak ik muziek, eentonige muziek als het ruisen van de zee. Er is ook hemelse muziek van de wind in de bomen, bij elke stoot dansen de bladeren naar beneden….. Zo kwam ik aan het kerkhof van de landlopers… Hoorbare stilte…… De poort is gesierd met 2 potten witten chrysanten – een feestelijke poort die uitnodigt om binnen te gaan.

Kleine kruisjes, voor kleine mensen, sommigen met slechts een nummerplaatje, andere met een naam. Netjes op een rij, als soldaten in ‘t gelid….. Hier voel je de eenheid van mens en natuur. Uit moeder aarde genomen en opgenomen in de schoot van moeder aarde, lijken ze te zeggen: vandaag ik, morgen jij…..

1 pot chrysanten bij een kruisje, zonder nummer, zonder naam…. Er hing een briefje aan: met jullie “verbonden” in mijn gebed…. Met jullie “verbonden”: verbondenheid is dat niet een sleutelwoord voor deze dag. Verbondenheid in het leven, verbondenheid over de dood.

Zijn de acht zaligheden van Jezus niet acht oproepen tot verbondenheid aan ons levenden:  eenvoud, zachtmoedigheid, barmhartigheid, vredelievend, eerlijk, geduldig, meevoelend, volhardend. Ze brengen verbondenheid tussen mensen. Met jullie verbonden in mijn gebed. Dank u voor die boodschap…..

Ik wandelde verder. Langs een stoppelveld van maïs. Wat verder was het alweer geploegd en weldra zal het nieuwe zaad geplant worden. De boer gelooft dat het stervend zaad open bloeit in rijke oogst. Het deed me denken aan Jezus woord over zijn nakende dood.

“ Als de graankorrel niet valt in de aarde en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voort”.

Een woord dat zin geeft aan de dood, maar ook aan het leven. Zich verliezen en prijsgeven voor anderen is levengevend in deze wereld en na dit leven.

Zo kwam ik wandelend aan bootjesven…..

Wat was het er stil…. Geen eendje te bespeuren. Zouden ze….. Zouden ze zijn weggekropen uit vrees voor de nakende op-hok-stelling?… Plots kwaak ..kwaak…..

Zijn ze niet zoals de mens die wegkruipt en alles doet om de eeuwige-op–hok-stelling te ontkomen?……

Ook met de mooiste boodschap over het hiernamaals blijft de mens schrik hebben en angstig als het uur gekomen is. Ik dacht even aan mijn eigen dood: hoe zal het zijn en wanneer.

Zo wandelde ik verder. Het licht in de verte kwam dichterbij. Het werd ook heel wat warmer om mij heen.

Zo kwam ik aan het einde van de Torendreef en wat zag ik: uitgestrekte groene weiden omgeven met bomen, dieren, een pastoraal landschap, groen de kleur van de hoop en ik voelde de morgenzon op mijn gelaat. De zon die schijnt over goeden en kwaden, over het oorlogsgebied in Irak en de stranden van de vakantiegangers en over de bloemenperken van onze kerkhoven.

Het groen van de hoop. De hoop is dat niet het tweede sleutelwoord voor deze dag….. de hoop die ons altijd weer opweg zet om verder te gaan en verder te doen….

Het is ook de boodschap die ons vandaag in een bijbels visioen werd geschetst in de eerste lezing.

Hoop en verbondenheid worden ons vandaag toegezegd als belofte, maar ook als levensopdracht. Laten we ze even in stilte in ons opnemen

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Jezus de allergrootste? - Pater Damiaan

 

 

Daags na de verkiezing van de Grootste Belg hoorde ik op de radio volgend commentaar: Vlaanderen heeft op de eerste plaats gekozen voor het hart, op de tweede plaats voor het verstand en op de derde plaats voor de benen. Damiaan, de man met het grote hart.

Dr. Jansen, het grote verstand en Eddy Merckx, de man met de rappe benen.
Baron Stouthuize van Jansen Beerse noemde het een typisch Belgisch compromis en een juiste volgorde van de belangrijkste functies van het menselijk bestaan.

Inderdaad: als het hart uitvalt is het gedaan; als het verstand het begeeft verliest de mens zijn levenskwaliteit en als de benen niet meer meewillen loopt het niet langer op wieltjes.

 

Persoonlijk was ik wel blij dat Damiaan gewonnen heeft. Stel je voor, de grootste Belg: ne pater…., ne Picpus, zo eentje die met twee harten op zijn pij rondliep! Hoe komt kijkend Vlaanderen ertoe hem juist te kiezen?… Dat de pastoors daar een hand in zouden hebben, zal wel niemand meer geloven. De tijd dat een bisschop moeite deed om het stemgedrag van de Vlamingen te beïnvloeden ligt ver achter ons. Nee, uit godsdienstige overwegingen zullen de Vlamingen dat in deze tijd zeker niet gedaan hebben.

En toch is het gebeurd. Het werd Damiaan en naar ik hoorde op een afgetekende wijze van de andere kandidaten.

Zou dat misschien dan toch betekenen dat ons Vlaamse mensen het hart nog op de juiste plaats hebben? Ja, als het hart er niet meer bij is dan draait alles vierkant.

Niet alleen in het persoonlijk leven, maar ook in onze gezinnen en in de bredere samenleving.

 

Het hart… het is meer dan een spier, het staat voor gevoelens, voor onbaatzuchtigheid, voor liefde. Als men geen hart meer heeft voor mekaar loopt het mis, als de onbaatzuchtigheid verdwijnt verzuurt de samenleving en “ als er je geen liefde hebt voor elkaar vallen Godsdromen in duigen” zingen de kinderen in Wortel en elders in de kerk.

Blijkbaar beseffen de Vlamingen nog wat het belangrijkste is in het leven. Drie dingen zijn belangrijk in het leven, de snelle benen van een goede conditie, de helderheid van geest en een goed hart. Maar de belangrijkste van de drie is de liefde en daarvan is het hart het symbool.

 

We gaan weer opweg naar Kerstmis. Het feest dat voor christenen alles te maken heeft met het hart. Wat doen mensen al niet deze dagen om een hartelijke sfeer te brengen in hun gezin, in hun straat, in hun dorp. De commercie spaart geen geld of moeite om het aantrekkelijk te maken en de dertiende maand is voor vele werkende mensen een welgekomen toemaat. En toch wordt Kersmis vieren al maar moeilijker.

Een oma vertelde het me deze dagen nog: Hoe je kinderen samen krijgen in de eindejaarsdagen? Vroeger was het eenvoudig. Met Kerstmis allemaal bij ons, met Nieuwjaar bij de schoonouders. Maar tegenwoordig…

Monique heeft 6 kinderen, 4 zijn gescheiden, sommigen hertrouwd. Nieuwe gezinnen. Nieuwe ouders. Nieuwe verwachtingen vooral in deze dagen. Hoe moet dat toch? “ Ik zie ze allemaal even gere en ik wil er geen missen” zucht Monique met een traan in ’t oog.

Ja, hoe moet het toch met al deze gebrokenheid in deze wereld, in zovele gezinnen, in zovele harten?

Ik denk dat de rappe benen dit niet oplossen: ook niet het grote verstand. Alleen het hart zal vindingrijk genoeg zijn om in deze doolhof van mensenleed een uitweg te vinden.

Zou het misschien daarom zijn dat met Kerstmis altijd weer opnieuw dat verhaal verteld wordt over een God die begaan is met de mensen, die een hart heeft voor zijn volk en in het moeras van ons aards bestaan wil afdalen en door een kind in een kribbe laat zeggen: Mensen alles begint bij de liefde…. en God gelooft erin. Alles start vanuit het hart.

Pater Damiaan droeg op zijn pij twee harten, het ene met een vuurvlam, het ander met een kruis. Een menselijk hart en het hart van Jezus. Zo leerde hij houden van de melaatsen. Vanuit het hart van Jezus en zijn groot mensenhart kon hij de hel van Molokai omvormen tot een stukje hemel, ondanks de grote ellende die er was en bleef. Hij kon het niet oplossen, maar hij had er de liefde, het hart, gebracht en dat maakte het leven leefbaar.

Misschien is het goed dat we Kerstmis beginnen in de kerk, bij het kind in de kribbe, bij Gods hart.

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Kerstpreek 2005

 

 

Vanavond zou ik willen bidden. Ik heb al zo vaak over kerstmis gepreekt. Dit jaar, in het jaar van het gebed zou ik willen bidden. “Bidden mag heel familiair zijn” zegt de Kardinaal. We mogen God aanspreken met Jij als we Jezus zien. Bidden door als een kind voor de kerststal te gaan staan: stil te zijn en te kijken en luisteren naar wat het kerstgebeuren mij te zeggen heeft.

Wat zie je in de kerststal vroeg ik deze week aan de kinderen?

Vingertjes omhoog: Het kindje!

Laten we vanavond naar het kindje kijken: ’t goddelijk kind en denken aan de kinderen.

Als god kind werd is elk mensenkind goddelijk, heilig.

Onze wereld, Goddelijk kind, heeft het moeilijk met kinderen. Verhalen over kindermishandeling zijn schering en inslag. “ Ik wordt er ziek van als ik het hoor en zie” zei een oma.

Jezuskind, onze wereld heeft het moeilijk met kinderen, kinderporno, pedofilie tot in de rangen van priesters. Leer ons, Heilig kind, eerbied voor elk kind. Geen heilig kind, geen veilig kind.

Ook in onze goede gezinnetjes zijn kinderen soms een probleem. Papa en mama moeten al zo vroeg gaan werken of komen zo laat thuis dat ze niet weten waar blijven met de kindjes. Ze spreken al van kinderopvang van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en op alle uren van de dag. De lieve centjes, Jezus, zijn in onze wereld belangrijker geworden dan de lieve kindjes.

Help ons om de kinderen centraal te blijven plaatsen in ons leven en samenleven, zoals het kind in de kerststal. Geen heilig kind, geen veilig kind.

Wat staat er nog in de kerststal vroeg ik?

Vingertjes in de hoogte:… Maria en Jozef.

Ja, kindje in de kribbe : jij wilde een papa en een mama toen je in onze wereld kwam. Papa’s en mama’s zijn dus heel belangrijk in uw wereld: een man en een vrouw. Ook daar heeft onze wereld moeite mee. Sommigen willen dat twee mannen kindjes hebben of twee vrouwen. Sommigen zeggen zelfs dat ze recht hebben op een kind.

Hoe moet dat Jezus. Ik ben er zeker van dat jij houdt van alle mensen: ook van alle mannen-mannen relaties en vrouwen-vrouwen relaties. Jij misgunt niemand zijn geluk… en toch bij je kribbe staat een papa en een mama. Zou dat misschien willen zeggen dat elk kind recht heeft op een papa en mama. En het kind was van de H.Geest, wordt gezegd: zou dat misschien betekenen dat elk kind meer Gods geschenk is dan mensenwerk en dat wij nooit recht hebben op kinderen, maar kinderen wel op een vader en een moeder.

“Wat staat er nog in de stal”?, vroeg ik.

Vingertjes omhoog: de herderkens en de koningen en hoe heten de 3 koningen: moeilijke vraag maar die van ’t zesde raakten eruit: Melchior en Baltazar en hun vriend Gaspar.

Ja, kindje in de kribbe, we hebben het wel begrepen, jij bent gekomen voor de kleine man en voor de groten der aarde. Je wilt ze samen brengen bij elkaar de armen en doolaards van vandaag en machtigen der aarde en je nodigt hen uit hun grootheid te zoeken in het knielen. En hun macht in het delen van hun rijkdom: Goud, wierook en myrre.

Jezus in de kribbe, hoever staat onze wereld nog af van het bijbels visioen dat Gij hebt uitgetekend rond uw kribbe. Hoe moet het toch? Wij hebben al zoveel moeite om niet jaloers te worden op onze buren en niet de rug toe te keren naar al wie een andere kleur heeft of een andere taal spreekt. Je had het blijkbaar voorzien, daarom  was er bij de koningen, een zwarte een gele en een blanke. Misschien zal het ons maar lukken als we durven luisteren naar de stem van de engelen uit de hemel of durven volgen de lichtende sterren die er ook nu nog zijn voor onze wereld.

En…wie waren er nog in de kerststal?…De schaapjes, en de os en de ezel ging het triomfantelijk....

Ja, kindje in de kribbe, Jij hebt niet alleen mensen bijeen gebracht rond uw kribbe. Ook de dieren kregen er hun plaats. De schaapjes om hun wol en hun melk. De os voor het labeurwerk en de ezel om de lasten te dragen. De dieren zijn je blijkbaar dierbaar. Hoe vaak heb je jezelf niet genoemd: de herder van de schapen. Geen huurling, maar iemand die zijn leven veil heeft voor zijn schapen….. die op zoek gaat naar dat ene dat verloren liep tot hij het gevonden heeft.

Leer ons in deze Heilige nacht blijven zoeken naar wie verloren liep en trouw zijn aan elkaar als een herder aan zijn kudde. Met de os en de ezel in je buurt, wil je misschien de mensen van Gaia plezieren maar vooral wil je ons vanavond zeggen dat je houdt van de noeste trekkers in deze wereld. De mensen die het niet opgeven verantwoordelijkheid te dragen. En ook de ezels zijn je dierbaar; de mensen die geduldig de lasten van het leven en het samenleven blijven dragen. Maar ook de dwarsliggers, die koppig zijn als een ezel mogen in

uw nabijheid vertoeven. Ezels-dwarsliggers in de samenleving en in de kerk. Ze dwingen de leiders de andere kant uit te kijken of het anders aan te pakken.

Dank  u Jezuskind dat je ons zoveel geleerd hebt deze nacht en wij hopen dat wanneer je nog eens op een ezeltje ons dorp of onze stad binnenkomt zoals eertijds in Jeruzalem wij je vijf dagen later niet aan het kruis zullen slaan.

Zalig Geboortefeest!

 

Fons Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Winter in de bomen

 

 

De laatste winterprik kan tellen.

 

Twee dagen hardnekkige mist. Een hele dag had je nauwelijks enkele meters zicht in de straat. Auto’s reden de hele dag met mistlampen, terwijl de weerman waarschuwde voor de verraderlijke kleine stofdeeltjes in de lucht en de raad gaf binnen te blijven en de wagen thuis te laten. Een ijskoude noordenwind en temperaturen tot -6 graden maakten het wintergevoel compleet.

De derde dag was de mist opgetrokken. Het dashboard wees nog -3 toen ik ’s morgens naar de kolonie reed.

Maar toen ik uitstapte voor mijn ochtendwandeling kon ik mijn ogen niet geloven. Het was alsof de hele dreef verlicht was. De aangevroren mist had zich vast gezet op de takken en de vorst had op een vorstelijke manier de witte ijskleur getoverd op de boomkruinen. Ik koos de weg dwars door de zijdreef waar het lage houtgewas zich slingert tussen de bossen. Terwijl ik over de harde en droge dreef wandelde genoot ik bewonderend van het lichtgevende schouwspel dat als lentebloesems de kleine en grote bomen in het licht zette.

 

Zo kwam ik uit het bos in de open vlakte van Staakheuvel. Wat een stilte! … Een wijde blik over de maïsvelden, de stille weide en wachtende akkers en in de verte verscholen tussen het houtgewas een weggedoken huis en stallingen van boerderijen.

Een buizerd overvloog fladder-zwevend het landschap terwijl hij met hoge stem zijn kreet riep op zoek wellicht naar een nieuwe partner voor de komende lente.

Ongewild bleef ik stilstaan om stil te staan bij het schouwspel. Wauw….. hoe wonderlijk mooi!! “ Niets is sterker dan de stilte”, zingt Stef Bos.

Het doet je diep ademen en het schouwspel in je opnemen. Spontaan dacht ik aan de namiddag van de Vormelingen in Hoogstraten rond “Sporen naar God”. Was dit natuurlijk schouwspel geen spoor naar de wonderlijke wereld van wat ons overstijgt. Voor dat we God een naam geven is Hij een wonderlijke ervaring die ons overkomt, stil maakt en vredig.

 

Misschien moeten we eerst tijd maken voor de ervaring van het wonderlijke en pas daarna het proberen een naam te geven. Is het zo ook niet tussen mensen.

Eerst ervaar je de liefde en dan geef je de geliefde een naam. “ Ik droom je naam meer dan ik hem noem”, zingt Miel Cools in een van zijn liederen. Een godsdienstleerkracht zei mij eens:” Ik had heel vaak met jongeren gesproken over liefde, verliefdheid enz. maar toen ik het zelf meemaakte ervoer ik dat de liefde nog heel anders was dan wat ik erover verteld had. Tot dan toe sprak ik over liefde als iets buiten mij, nu was het plots iets dat mij helemaal omvatte en overweldigde. De liefde was niet langer een “ probleem” een gespreksonderwerp, maar een mysterie, iets ongrijpbaars”.

 

Zo is het ook met God. We kunnen erover praten, discussiëren enz, maar Hij kan ons overkomen, Hij kan aan ons gebeuren en dan is het heel anders dan al ons spreken. Dan is Hij niet langer een probleem, maar een mysterie, een geheimvol iets, niet onder woorden te brengen. “Iemand” die ons rustig maakt en geborgenheid geeft. Een kerklied zingt het zo:

            Zo vriendelijk en veilig als het licht

            Zoals een mantel om mij heen geslagen

            Zo is mijn God.

“Sporen naar God” kunnen we vinden in de natuur leerden de kinderen, als we de tweede taal der dingen ontdekken en een dieptezicht krijgen op wat we zien. Want kijken doe je met je ogen, zien met je hart en graag zien met je hele persoon. Misschien hebben de kinderen nog het meest “God” ervaren in de warmte en geborgenheid die de catechisten door hun inzet en aandacht voor de kinderen aan de kinderen lieten voelen. Zo van : jij mag er zijn, en wij zijn er voor jou. Dat gevoel was wellicht nog het sterkste spoor naar God voor die elfjarige jongens en meisjes.

 

Toen ik thuis kwam van mijn frisse winterwandeling had Lieva spek gebakken. Heerlijk, zo’n uitgebakken gereegd spek. Winterkost om “u” tegen te zeggen… Even niet denken aan de cholesterol, en de laatste snee even soppen in de pan. Het festijn compleet!!

Winter in de bomen en lente in het hart!

 

A.Van Dijck

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Valentijn

 

 

Ze stonden naast elkaar in de Begijnhofkerk……. Een stoel met een hoge rug en rieten mat, de andere met lage rug en bruinkleurige skaimat. Sinds Pater Frans niet meer op ’t Begijnhof is, is het erg stil geworden in de kerk. En wat doet een mens al niet om de stilte te vullen! Ja, herinneringen ophalen. Zo deden ook onze twee kerkmeubelen.

Waar is de tijd?? begon Hoogrug dat de kerk vol liep op zondag en er bijna gevochten werd voor een stoel. Toen waren wij nog belangrijk. Ik was altijd benieuwd wiens uitverkorene ik zou worden.

Moet je weten. Ik was maar een gewone. Er waren er in ’t Begijnhof ook “Chique” die een velourse zit hadden en die een naam droegen. Meestal behoorden die ook aan rijker volk.

Amaai, zei Laagrug, zoiets bestaat nu niet meer. Nu is alles gelijk en voor iedereen hetzelfde. Als j’er ene gezien hebt ken je ze allemaal. Nee, in mijn tijd was er zelfs wedijver tussen sommige dames,” om de schoonste stoel”. Soms was die zelfs geassorteerd met hun mooiste hoed.

Nee, de dag van vandaag is het niet meer zo kleurrijk in de kerken. Allemaal hetzelfde en wij hangen allemaal vast aan elkaar, we hebben er onze persoonlijke vrijheid bij ingeschoten.

Kunnen jullie dan niet meer dansen, vroeg Hoogrug.

Dansen, in de kerk? Hoe kom je erbij, vroeg Laagrug met gefronste wenkbrauwen. Ja, toen ik jong was deden we in de kerk de stoelendans. Drie, vier keer werden we gedraaid. Ik voelde me dan als een danseres in de handen van mijn partner. Sommigen draaiden me rond “slowly”, traag en rustig. Maar sommige ook met een flinke Quick step beweging. Laagrug luisterde verwonderd en een beetje jaloers. Voor ons is het heel de tijd “Ter plaatse Sta-Sta”!. Geen beweging. Altijd maar staan en onze partners kennen enkel de beweging “zitten en opstaan”. En de meeste zouden nog het liefst maar zitten. Ze leven in een zitcultuur!

Ja, er is veel veranderd in ons leven van kerkstoel. Tussen haakjes, wat is jullie prijs tegenwoordig, vroeg Hoogrug, Prijs! Helemaal geen prijs, alle is gratis!

In onze tijd was het anders, vertelde Hoogrug. Eenmaal per jaar werden wij verkocht, er was een kerkstoelverkoop. Al naar gelang je dichter bij ’t altaar stond of al naargelang je door iemand tot private stoel was uitverkozen was je duurder. Dan werd je ook mooi bekleed met zachte stof en kreeg je een naam van koperen spijkers op je kop.

Zover heb ik het nooit kunnen brengen, zei Hoogrug. Ik was maar voor t’ gewone volk. Voor ons moest maar een cent betaald worden per zondag. En Mie-cent met lange zwarte voorschoot ging in elke mis die cent ophalen. Boter bij de vis, dachten de heren van ’t kerkbestuur. Je kan je wel voorstellen dat er wat jaloezie was tussen de kerkstoelen omwille van die discriminatie. Van de mensen zullen we dan nog maar zwijgen! Kan ik me voorstellen knikte Laagrug begripvol. Hoe zou je zelf zijn. Daarom willen de mensen tegenwoordig nog altijd niet vooraan gaan zitten maar lopen onze kerken vol als een fles. Gelukkig is het nu allemaal wat democratischer en gelijk geworden, zei Hoogrug, maar Laagrug keek niet overtuigd. Hij droomde ook weleens over promotie. Altijd hetzelfde is ook niet alles.

Eenmaal per jaar is er voor ons toch nog wat te beleven. Dan is het grote schoonmaak in de kerk. Dan komt er een ploeg vrijwilligers, de grote kuis doen in ons kerkhuis. Onder leiding van koster of kosteres wordt de heleboel proper gemaakt. Ook wij stoelen krijgen dan onze beurt. Tegenwoordig komen er ook mannen aan te pas, want die stoelbanken omdraaien en verplaatsen is geen sinecure. Mannenwerk zeggen de vrouwen!!!

De vrouwen maken de stoelen en stoelbanken proper. Ze komen bij nogalwat uit. Onder de stoelen hangt er kauwgom vastgeplakt en in de boekjesgleuven vind je karamellenpapiertjes of ander afval. Vroeger moesten de mensen nuchter zijn als ze naar de kerk gingen, maar tegenwoordig…. We leven in een knabbelcultuur en sommigen komen al knabbelend in de kerk en als ’t dan communie is moeten ze toch ergens blijven met hun mondvoorraad. Pats!  …onder de stoel… Met het wegblijven van de jeugd schijnt het wel iets gebeterd te zijn. Maar een winstpunt is dat ook weer niet. De vroegere voorschriften van het nuchter zijn waren nog niet zo dwaas. Eerst uw mond spoelen voor je naar de kerk gaat! was het devies van mijn grootmoeder, zo vertelde mijn moeder toch. Nuchter naar de kerk en proper binnen gaan. Voeten vegen aan de rooster bij ’t portaal en met wijwater een kruis maken voor de binnenkant.

De dag van vandaag lopen velen zomaar binnen. Er is nog werk aan de winkel. Ik heb soms compassie met die wekelijkse kerkpoetsters, zei Hoogrug. Het is toch maar een ondankbaar werk. Moesten de mannen thuis zo ook binnen komen als de vrouw gepoetst heeft, ze zouden gauw een opnemer in hun hals krijgen.

Kerkpoetsen toch maar een ondankbaar werk, zei Laagrug. Het wordt niet erg gegeerd en gewaardeerd. Ze houden nochtans echt van ons en van ons kerkhuis. Misschien kunnen we volgend jaar met Valentijn die kerkpoetsers eens in de bloementjes zetten; we zouden er allemaal wel bij varen. Daar was Hoogrug het volmondig mee eens. Maar wie luistert de dag van vandaag nog naar een kerkstoel. Je weet maar nooit, zei Laagrug. Ssst… de koster is daar. Hij komt de kerk sluiten…

A. Van Dijck - Wortel 14 februari 2006.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Een priester komt vertellen in een klas

 

 

Waarom zijn priesters altijd “oude” mensen?

Dit was een vraag van een kind op de lagere school aan de pastoor die op klasbezoek kwam.

Blijkbaar zien kinderen vandaag alleen “oude” priesters.

Zo was het niet voor de jongeren van Vito-Hoogstraten die een gesprek hadden met Bart Rombouts, een van de weinige jonge priesters in ons bisdom.

Ze hadden natuurlijk heel wat vragen…

In het kader van een lessenreeks rond “Levend Water” bracht Bart Rombouts, een bezoek in de klas bij de leerlingen van het 3de technisch. Na zijn verhaal mochten de leerlingen vragen stellen.

Nadien hebben ze een verslagje gemaakt van het gesprek. Een samenvatting ervan geeft weer welk idee jongeren van 14-15 jaar over een priester hebben.

 

Enkele vragen die de leerlingen stelden

Wat vind je van de nieuwe paus?

Hoeveel verdient een pastoor per maand of van wat leef je als je zoveel goed doet voor de mensen?

Heb je geen eentonig leven?

Mag je kiezen wanneer je opstaat en gaat slapen?

Mag je een hobby hebben ?

Mag je op café gaan?

Wat vind je van euthanasie en abortus?

Op welke wijze ben jij levend water voor andere mensen?

 

Wat is (of was) het idee van een priester bij deze jongeren?

Ik kwam iets te weten van het echte leven van een priester, en niet van de roddels er rond.

Ik kreeg meer inzicht in de manier waarop priesters leven. Ze leven niet afgesloten, zoals in een kostschool waar ze geen vrijheid hebben. Ik dacht dat ze allemaal in een klooster moeten leven en dat ze een teruggetrokken leven leiden.

Priesters mogen ook rondwandelen en zelfs iets gaan drinken. Ze doen ook nog andere zaken dan bidden. Ze hebben ook een eigen menig, zoals iemand anders

Ze mogen zelf hun dag indelen en hun werk plannen. Ze hebben geen saai leven, integendeel, ze hebben een interessant leven omdat ze veel te doen hebben. Ze leven geen rustig leventje.

Ik dacht dat een priester alleen maar studeerde en naar de mis ging of de mis opdroeg.

Als je ziet hoe ze er bij lopen, dacht ik dat priesters depressief waren, maar dat is niet zo.

Priesters zijn niet altijd streng en ze zijn niet allemaal ouderwets of hebben niet allemaal oude gedachten. Ze zijn ook niet allemaal even saai. Zo’n priester is goed voor de toekomst

Priesters krijgen een zware opleiding, ze moeten veel studeren; ik dacht dat het simpeler was.

Het kerkelijke leven is niet zo streng als dat ik dacht. Verder is het duidelijk dat ze rotsvast geloven in God.

Priesters zijn ook gewone mensen: ze zijn net zo als iemand anders.

 

Hoe kwam de priester over?

Hij wist niet hoe zijn omgeving (familie, vrienden, enz.) zouden reageren op het feit dat hij priester ging worden, maar zijn droom is uitgekomen.

Hij koos zelf om priester te zijn, hij vindt het een roeping en hij is trots op zijn keuze.

Hij was open, hij uit zijn mening over zaken waar de Kerk normaal een andere mening over heeft (drugs, abortus, vrouwen, enz. ). Zijn mening was een eigen mening, soms anders dan die van de paus.

De priester gaf een interessant eigen levensverhaal en hij gaf een eerlijk antwoord op onze vragen. Verder kon hij meepraten over de actualiteit waarover hij een eigen visie heeft die hij gewoon uitlegt.

Deze priester geeft de indruk vrijer te zijn dan een andere mens, en hij is vooral een blij iemand.

 

Wat vind ik van deze priester?

Ik heb respect voor hem en voor hetgeen hij doet, en ik vind het vooral “straf” dat hij op 18-jarige leeftijd priester is willen worden in deze tijd. Misschien zou ik het ook eens willen meemaken.

Ik heb geleerd dat je je hart moet volgen.

Ik bewonder hem als priester want hij is een dapper man. Hij is zeer sociaal en anders dan oude priesters, want met een priester kan je niet alle dagen een open vraaggesprek voeren.

Tenslotte vond één leerling het interessant om eens een bisschop aan het woord te horen... 8-)

 

vaem

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Mijn favoriete gebed

 

 

Hij had het over de rozenkrans, en hij heeft het twee keer gezegd. Weet je wie? De vorige paus. Bij het begin en op het einde van zijn pontificaat. En helemaal op het einde van zijn leven was hij in Lourdes. Toen kon hij het niet meer zeggen, maar je zag het gewoon. Aan zijn bevende hand hing zijn rozenkrans. Zijn lippen prevelden de gebeden en in zijn heldere ogen zag je wat hij niet meer zeggen kon: mij n favoriete gebed. Indrukwekkend!

 

Vanaf de 16de eeuw hebben de pausen ons het rozenkransgebed aanbevolen. Al Gods lieve heiligen hielden van dit gebed: Teresia van Lisieux, pater Pio, moeder Teresa en noem maar op. En eigenlijk hield deze vorm van bidden stand, tot op onze dagen.

Wij hebben heel wat bedenkingen bij het rozenkransgebed. We zeggen: te simpel voor mij; vervelend; altijd hetzelfde; je valt erbij in slaap; draaimolen; sneltrein; je kan daar toch niet met je gedachten bijblijven!

Best mogelijk en gedeeltelijk ook waar. En toch….

 

Het herhaald bidden, het opzeggen van mantra’s aan de hand van een kralensnoer is heel oud en gekend bij veel godsdiensten. Een formulegebed is vaak een houvast, een kostbaar iets. Je hebt het altijd bij de hand en wat je van buiten kent (par coeur) ken je ook vlug van binnen. Trouwens, toen de leerlingen aan de Heer vroegen: ‘Leer ons bidden”, gaf hij hun een formulegebed, het Onze vader.

Het rozenkransgebed heeft heel wat positieve kanten. Om te beginnen. Het is een eenvoudig gebed, dat door zijn herhaling een sfeer van vertrouwen en geborgenheid kan scheppen.

 

Het is verder een bijbels meditatief gebed. Met Maria kijken we naar haar Zoon en we overwegen de belangrijkste momenten van zijn en haar leven in de twintig mysteries die een samenvatting zijn van het evangelie.

Die mysteries zeggen ook veel over onszelf. Ook ons leven is vol mysteries. Terwijl wij het leven van Jezus en Maria biddend overwegen gaan onze gedachten spontaan naar die mensen die net zo’n mysterie meemaken als Maria en Jezus: een blijde geboorte, een kind dat zijn eigen weg zoekt, een veel te vroege dood, de weg van het lijden, de nakende dood enz.

 

Zo is het rozenkransgebed meteen een gebed van solidariteit met velen: met kinderen die blij zijn, met mensen die zorgen hebben, met hen die hoopvol uitzien naar morgen en met allen die licht brengen waar ze gaan.

Een zegen die verbonden is aan het bidden van de rozenkrans, maar ook aan alle gebed is de weelde van de stilte die dit gebed heeft en ondersteunt. Men kan de rozenkrans bidden in de wagen, in de keuken, in het drukke verkeer, of in het lawaai van een metrostation. Best mogelijk, op voorwaarde dat men erin slaagt het lawaai dat ons innerlijk wezen alsmaar meer bedreigt stil te leggen. Wat we doen bij het bidden van de rozenkrans. Dan vinden wij de kern van alle dingen, en die is stil en eindeloos, zei Felix Timmermans. En dan kunnen wij rustig bidden met de psalmist: “Als een kind op moeders schoot, zo veilig voel ik mij”. (Ps 131,2)

 

Deze mooie bezinning van pater Leo Bortier, Tongerlo, wil ik graag aanbieden aan u allen, in ’t bijzonder aan de mensen die zich inzetten voor het bidden van de rozenkrans in de komende Meimaand

 

Fons Van Dijck

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Ik wil jullie een verhaal vertellen: over de pastoor van Volendam. Volendam kennen jullie wellicht allemaal. Het is een klein stadje in Nederland. Maar de pastoor van Volendam is een bonk van een kerel: groot, breed geschouderd, een stem als een kerkklok en handen als kolenschoppen.

Op paasdag vertelde hij zijn parochianen in de kerk wat hem de voorbije week was overkomen.

“Ik was mijn tuintje aan het opfleuren, toen ik onder een struik een klein vogeltje vond”. Zo vroeg in de lente al! Uit het nest gevallen? Voorzichtig nam ik het frêle hulpeloze diertje in mijn handen. Je zag het bijna niet liggen, zo klein was het en zo benauwd, dat het helemaal ineen kromp. Een petieterig stukje leven in de grote hand.

In dat beeld, het vogeltje in de grote hand, zei de pastoor, herkende ik God en de mens. Ik zag de mensen denken: mooi beeld! God is de hand die ons mensen draagt. Zo luidt het toch in de negrospiritual: He is got the whole world in his hand; God draagt de hele wereld in zijn hand.

En staat in de bijbel niet: God schrijft de naam van de mens in de palm van Zijn hand.

Maar de pastoor ging verder: God is als dat arme vogeltje. Het werd stil! Ja, God lijkt op dat vogeltje. Ik, mens, kan ermee doen wat ik wil. Ik kan het doodknijpen en uit mijn leven doen verdwijnen, maar ik kan het ook laten leven en verzorgen.

Zo is God ons in handen gegeven. We kunnen met Hem doen wat we willen. Maar net als dat arme vogeltje vraagt God: Laat Mij leven, geef Mij een kans, zie Mij staan, hou van Mij. Die stem, die roept om liefde, dat is God. Wie de roep om liefde hoort, hoort God. Wie de roep om liefde smoort, smoort God.

 

Jezus was als Gods vogeltje, overgeleverd in mensenhanden….. Ze hebben er de zot mee gehouden, bespot, gegeseld, ja als een schurk op een kruis geslagen. Ze hebben Gods vogeltje doodgeknepen en dachten: nu is’t ermee gedaan!

Maar op Paasmorgen brak het ontstellende nieuws door……. altijd weer opnieuw… Hij leeft! “De liefde kan niet vermoord worden. Als hier de stem van de liefde gesmoord wordt, breekt ze op een andere plaats weer door.

In ’t station van Brussel werd de liefde gesmoord toen Joe Van Holsbeek werd vermoord. Maar in de straten van Brussel klonk uit 80.000 man sterkte “Stilte” de oproep: Geef de liefde een kans, smoor de liefde niet.

Blijkbaar is de roep van de liefde – God is Liefde – almachtig en daarom is God almachtig. Je kan hem doodknijpen, Hem verbannen uit je leven, Hem kapot schieten. Maar de eeuwige roep van de liefde is niet kapot te krijgen. Zo is God.

 

Ik bracht deze week een bezoek aan een jong gezinnetje waar een kindje geboren werd. Het is gehandicapt. “We wisten het”, vertelden de ouders. “De dokters hadden het ons gezegd”. Het was een moeilijke beslissing, maar wij wilden het een kans geven om te leven. Ik werd er stil van en vol bewondering.

Ik dacht aan het vogeltje in de hand van de pastoor van Volendam. Misschien was het God wel die vroeg: “mag ik leven? Wil je van mij houden”?

Beste lezer: wat doe jij met Gods vraag in jouw leven?

 

Deus Caritas est

Niet toevallig wellicht kreeg de eerste encycliek van paus Benedictus XVI als titel: “God is liefde”. Wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. God is bron van de liefde en God is oproep tot liefde.

Christen zijn is veel meer dan kiezen voor bepaalde waarden, meer ook dan bepaalde ethische normen volgen. Het is op de eerste plaats relatie; Relatie met iemand die ons liefheeft en ons oproept lief te hebben. In Jezus Christus heeft deze Godsliefde menselijke gestalte gekregen. Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven opdat alwie in Hem gelooft eeuwig leven zal hebben.

In een wereld waarin soms wraak of zelfs de plicht tot haat en geweld met de naam van God verbonden worden, is deze boodschap buitengewoon actueel en tevens van zeer groot praktisch belang aldus de paus.

Laten wij in het jaar van het gebed weer tijd en ruimte geven aan deze relatie met God, door Jezus de Christus en in de kracht van de Geest

 

A. Van Dijck.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Na vier dagen stappen en 80 km in de benen, maken we ons klaar voor de tocht naar de Cruz de Ferro. We verblijven in een prachtig dorpje Rabanal del Camino. Ons hotelletje is vlak naast de Refugio ( Pelgrimsherberg). Dus we zitten midden in de drukte van pelgrims die aankomen, pelgrims die voorbij trekken verderop en enkelen die al lang onderweg zijn en een dag rust nemen.-, was en plas doen om weer met vers ondergoed en verse moed verder te trekken.

 

Buiten aan ons tafeltje met een lekker biertje wordt er kennis gemaakt. Een ouder echtpaar uit Canada; een koppel uit Zuid Afrika: ze zijn verrast dat wij een taal spreken die lijkt op het Zuid Afrikaans. Samen op de foto en My Sary Marys zingen maakte het feest compleet. Een oude chinees kwam op zijn eentje voorbij. “Bon Camino” (goede tocht) is het minste dat je zegt. We zijn vandaag van 900 naar 1100 meter gestegen, onder de blauwe hemel, een stralende zon en fris windje, zo’n 20-25 graden.

 

In Rabanal is een klooster waar 4 Benedictijnen verblijven. Ze verzorgen de diensten in een oud mooi Romaans kerkje op ’t dorpsplein. We gaan naar de vespers, boekjes in 4 talen: de paters zingen Latijn. Een 20 tal pelgrims zijn aanwezig. Na de vespers, vanaf 19u, zijn de restaurantjes open. Het stroomt er vol pelgrims. Het is niet “ieder aan zijn tafeltje”, maar voor iedereen een plaatsje. Zo krijgen we gezelschap van een vrouw uit Denemarken en een uit Zweden. Voor 8€ wordt er lekker gegeten: vissoep, vis of vleesplat met frietjes, een fles wijn en water en brood. En een ijsje of flan als dessert. Allemaal een beetje afgestemd op de smaak en de geldbeugel van de pelgrims. Om 21.30u is er nog avondgebed en zegening van de pelgrims in ’t kerkje met de paters. Ditmaal zit het behoorlijk vol, dank zij de mond aan mond reclame die gebeurt. Eenvoudig, sober maar echt. Daarna slapen terwijl de nachtegaal nog zong. Het is behoorlijk fris. Morgen is het de” zwaarste tocht naar het “IJzerkruis” op 1500m.

 

Om 7uur op, om 7.30u de Lauden in ’t kerkje. Het is behoorlijk koud. Boven de bergen mist; slecht voorteken? We hebben onze warmste kleren aangetrokken: trui, windvrije kw, sjaal om de hals en de pet goed over de oren. Met de zon in de rug en de bergen in de mist voor ons.

De berg Irago is een bijzondere plaats voor de pelgrims. Op het hoogste punt staat een groot ijzeren kruis. Het staat boven op een heuvel stenen die daar doorheen de tijden door de pelgrims zijn weggegooid. Een oude traditie wil dat de pelgrim van huis een steen of steentje meedraagt en dat neerwerpt bij het Cruz de Ferro.

 

De steen staat symbool voor de dingen die jou leven of dat van anderen bezwaren en die je wil neerleggen bij het kruis. Zelf nam ik een steentje mee waarop mensen uit Wortel na de viering een kruisje mochten zetten met viltstift “Ik zal je zorgen meedragen op mijn tocht” zei ik.

“Gaan al die kruisen niet te zwaar worden”? vroeg iemand van ’t zangkoor. “Nee, zei ik, want als ik jullie kruis draag dan hoop ik dat jullie een beetje Simon van Cyrene zult zijn en samen geraken wij er zeker”. Ook van de vormelingen van Hoogstraten had ik een steentje meegekregen “ Hart nodig”.

Het motiveert je wel om dan op stap te gaan. Het was een zware tocht maar doorheen een prachtig landschap, een bloemenpracht van alle kleuren, de muziek van de koude wind. De zon wordt alsmaar sterker en na een uur wandelen, krijgen we de indruk dat de zon het zal halen van de mist. Na 6 km komen we in een verloren dorpje Foncebadon. In 99 woonde er niemand, alleen loslopende honden en katten; nu was er 1 “Alberge”. De pelgrims stromen er samen voor een warme tas koffie met veel gestoomde melk en veel suiker. Heerlijk. Ik zie een Japans meisje. De twee Duitse meisjes zijn er ook. Ook het Fins koppel ontbreekt niet. Ik hoor Frans, Spaans, en Engels. Ook de Hinkie Pinkie oude Chinees is van de partij; zijn vriendelijke lach spreekt. De patroon was druk in de weer tussen al die talen en culturen. En boven alle gebabbel weerklonk de muziek van de 9de symfonie van Beethoven: “Alle mensen worden broeders”.

 

Hoe toepasselijk op deze plaats, want inderdaad over de Camino naar Compostella hangt een speciale sfeer van verbondenheid. Iedereen is opweg, men heeft niet veel: alleen een rugzak. Het “hebben” is hier niet belangrijk en dan komt het “zijn” naar boven. “Hebben” vervreemdt mensen, “zijn” verbindt mensen.

Met de warme koffie en de hartverwarmde muziek in ’t lijf trekken we naar de Cruz. Ik draag de steentjes in mijn hand. Spontaan liet ik mijn gedachten gaan naar zieke mensen in Wortel en Hoogstraten en naar de mensen die een kruisje meegaven.

 

Als het kruis in zicht komt zien we de mensen hun rituelen verrichten. De stenen heuvel ligt dicht bij de baan: auto’s stoppen, fietsers houden halt, komen even naderbij of beklimmen de heuvel. Ieder heeft zijn ritueel bij. Een steentje, een papier met een wens, iemand liet er zijn wandelschoenen achter. Wij legden onze steen netjes aan de voet van ’t kruis. We leerden er een echtpaar kennen uit Munchen. Foto’s maken voor elkaar en van elkaar. Ze worden onze tochtgenoten op onze laatste 8 km tot het prachtige dorpje El Acebo. Eén smalle straat met mooie houten erkers aan de huizen. Met onze Duitse vrienden vierden we samen de dag dat zij elkaar 45 jaar kennen. Er moest een fles champagne aan te pas komen en we zongen samen Duitse liederen, melodieën van onder de oorlog: “Suzy Marleen” Sah ein Knabe ein Roeslein Stehen, Die Grenadiere. Ondertussen vertelde hij dat zijn grootvader gevallen was in de eerste wereldoorlog in Verdun en zijn oudste broer in het Ardennen offensief. Hij was maar 17 jaar. Ze stapten uit dankbaarheid voor hun drie kinderen en zes kleinkinderen…. dat alles goed mocht blijven.

 

Zo heeft elke pelgrim zijn rugzak, niet alleen met kleren en proviand maar evenzeer met pijn en vreugdeverhalen, wensen en dromen.

En het ongeweten weten van dit alles maakt op de Camino tochtgenoten tot lotgenoten en lotgenoten tot bondgenoten.

Moge deze mijmeringen je de goesting geven tot een “actieve trip” vooral naar de binnenkant van je leven.

 

A. Van Dijck.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Op een morgen wandelde ik langs Staakheuvel richting Bootjesven. Een juffrouw van Vito was plaatjes aan ’t zetten voor de jongeren. ’t Is de week van ’t Bos: dus moeten ze het verschil leren tussen een berk en een den. Tussen een Inlandse en Amerikaanse eik. Binnenkort is hij verdwenen. Zo kwam ik aan Bootjesven. De mooie poort stond half uitgekleed nog overeind.

 

De firma die met de afbraak belast is, had zich lelijk misrekend. Ze dachten een bakstenen poort, dat ligt zo tegen de vlakte maar nee hoor. De futlozen van de kolonie waren blijkbaar niet zo futloos als ze ten tonele werden gevoerd. Ze hadden degelijk werk geleverd, met beton en ijzer en met baksteen versiert. Eigenlijk een mooi “sociaal monument” dat het futloze beeld dat van de landlopers is verspreid minstens een beetje zou corrigeren. Maar “Waters en Bossen” hebben daar blijkbaar geen oren naar en die van Erfgoed komen wel op voor huisgevels – en terecht, maar het bijna laatste spoor dat verwijst naar het werk van de landlopers zomaar laten wegruimen, doet toch wel vragen rijzen.

 

 

De mensen die de karwei moesten opknappen en een hele dag werk hadden met de drilboor om het klein te krijgen zagen er niet triomfantelijk uit toen ik een paar foto’s wilde maken. ja, meneer, we hebben er niets aan te zeggen. Wij vonden het een mooie poort en met je verhaal over de landlopers vinden we het nog spijtiger.

Maar wie zijn wij? Ja, alleen belangrijk als ‘t kiezing is… voor eventjes.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Op het eerste gezicht hebben de lezingen van vandaag weinig te maken met het thema van de Nationale ziekendag: Voor een zorgzame samenleving. Nochtans denk ik dat dat slechts waar is voor wie slechts oppervlakkig luistert naar de lezingen.

Is de grondtoon van beide lezingen niet verbondenheid. Een verbondenheid die dieper ligt dan verbondenheid door materiele dingen, door ontspanning, door een pannenkoekennamiddag. Dat is natuurlijk allemaal goed en prijzenswaardig en we hebben er van genoten, maar niet alles.

Van Adam wordt verteld dat God hem een hele speltuin had gegeven; hij kon stoeien met de dieren, hij kon genieten van appels en peren, ja hij mocht alles een naam geven: schepperke spelen en toch was hij niet gelukkig.

Hem ontbrak een “hulp” die bij hem paste. Iemand die hem hielp zichzelf te worden en zichzelf te erkennen. Niet wat we doen is het belangrijkste, maar de mens die het doet is belangrijk: doet die mens zodanig iets voor mij dat ik mezelf word, dat ik mezelf blijf.

Echte verbondenheid “bindt niet” maar bevrijdt.

Verbondenheid die bindt wordt vlug een boei en van boeien wil de mens zich bevrijden. We zien het vaak in vele huwelijken.

Een zorgzame samenleving is niet een samenleving waar men alles voor ons doet, maar waar iedere mens zoveel mogelijk de ruimte krijgt om zichzelf te zijn en tegelijk verbonden te zijn.

“Wat God heeft verbonden mag de mens niet scheiden”.

Meestal verstaan we deze woorden als een verbod dat man en vrouw die getrouwd zijn van elkaar scheiden. Maar er is niet alleen een band tussen twee mensen, er is ook de band tussen God en die twee mensen. God heeft zich verbonden met die twee mensen die zich met elkaar verbonden hebben.

Die verbondenheid mogen we niet verbreken: waar die verbroken wordt is de onderlinge band tussen mensen bedreigd.

 

Toon Hermans

M’n liefje, toen we trouwden

Toen las ik in je blik

Wij trouwen met z’n drieën

het wonder, jij en ik

God, man en vrouw

En het wonder is gebleven

Het grote, je nes ais pas

We hebben al, een levenlang

un marriage a trois.

De verbondenheid die het meest bedreigd is is de verbondenheid met God. En als die verdwijnt uit de maatschappij en uit het persoonlijk leven staat alle verbondenheid op losse schroeven.

Kiezen wij vandaag voor verbondenheid met God

Zo bevestigen wij de verbondenheid tussen mensen.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Als ik ’s morgens wegrijd voor mijn ochtendwandeling staan ze daar op de tuinoprit. Mijn landloper en zijn vriendin. Staf, die elke morgen met zijn hond voorbij wandelt, had het ook al gezien en gezegd:”Lieva, de landloper heeft gezelschap gekregen”.

De landloper, bruin gespikkeld in de veren is duidelijk ouder: hij straalt de wijsheid en de rust van zijn leeftijd uit. Zijn vriendin, nog in jeugdige fleur: mooie witte vederbos met hier en daar een zwarte vlek. Sierlijke beweging bij het stappen en met een flair om op te treden in De Laatste Show.

Ze genieten van hun vrijheid en hun gezelschap en scharrelen duchtig rond in de vrije omgeving.

 

De tien kippen en haan achter de draad kijken met heimwee naar hun soortgenoten. Misschien zij ook eens?…. Maar de haan roept hen vlug tot de orde en duldt geen avonturen op zijn domein.

Tien kippen en een haan: Dat is de regel en zo moet het blijven. Maar ja, wat wil je: kippen leven dicht bij de mensen en krijgen misschien ook de streken van de mensen.

Waarom zou het ook bij ons niet anders kunnen dan het altijd is geweest. Andere relaties?

‘s Avonds verdwijnt het tweetal van het toneel; in het struikgewas van buurmans achtertuin. Gaan ze daar slapen of slapen ze in de bomen? Ik weet het niet en zo’n jong koppel ga je niet uitloeren. Gun ze hun geluk.

 

Toen Lieva bij de apotheker kwam vroeg ze: “of ze geen mooi witte kip miste”? Weet ik niet, zei Neel. De kippen, dat is het domein van onze zoon Jorik”.

Die zag ik onlangs ook met een vriendinnetje en dus zou het wel kunnen zijn dat zijn aandacht voor de kippen is verslapt en er meer gesmst wordt dan kippen bewaakt. Hoe zou je zelf zijn.

Wij kunnen ondertussen genieten van hun aanwezigheid in onze tuin en hun kippengeluk. Vooral voor onze landloper vind ik het vooral een goede zaak. Eindelijk eens wat erkenning!

 

Wat voor een relatie het is? Een vluchtige flodder? Of een samenlevingscontract? Tussen mensen blijft dat allemaal niet lang duren las ik onlangs. Voor ons koppel lijkt het echt menens te zijn. Wij hebben er vertrouwen in want in de dierenwereld gaat het er soms beter aan toe dan tussen mensen.

Zei de Engelse schrijver Bernard Shaw niet ooit: “Hoe langer ik onder de mensen vertoef, hoe meer ik van mijn hond (kippen) ben gaan houden”!

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Daar stonden ze, alle drie, op de hoogste heuvel van de Konijnenberg in Vosselaar. De volle maan zorgde voor het nodige licht en rondom schaduwden de dennenbossen. Hoe zijn ze toch hier gekomen? Jarenlang niets meer van elkaar gehoord of gezien. Ooit waren ze nog eens samen geweest; ze hadden iets heel bijzonders meegemaakt en sindsdien hadden ze een speciale gevoeligheid gekregen. Vooral als ’t volle maan was kwam dat op; dan moesten ze trekken, alles achterlaten en het gevoelen volgen. “Bij mij”, zei Suskewiet, “is dat een soort religieus gevoelen… een gevoelen dat mij zegt: er wacht u iets goeds”. “Bij mij zit het vooral in mijne lever”, zei Schrobberbeek met zijn stoppelbaard. Een Zeemeerminnekesgevoel en de palingvisser Pietjevogel zei: “ik heb mijn lijn uitgesmeten en ben opweg gegaan in de richting die den dobber aangaf”.

Hoe is het toch mogelijk dat wij elkaar hier terug vinden en bij volle maan: dat heeft iets te betekenen.

Ze hadden niet gemerkt dat over de zandweg, wat weg en weer slingerend door het mulle zand een autootje kwam aangereden. Verdwaald waarschijnlijk! Het stopte: een man stapte uit. Klein van was, door zijn haar gegroeid: sigaretrokend.

 

“Dag mannen”, zei hij heel spontaan. “Zijde op ne vierde man aan’t wachten”? Ze wisten niet wat zeggen, maar ze hadden wel door dat het iemand was waar mee te praten viel.

Nee, zei Schrobberbeek, we zijn aan ‘t overleggen waar we naartoe moeten. Op den dool dus, antwoordde de vreemdeling. Zo zou j’et kunnen zien, zeiden ze samen terwijl ze elkaar bekeken.

“Vosselaar, is dat die richting”? vroeg de vreemde man. “Ik denk dat het die richting is”, zeiden ze en ze wezen elk naar een andere kant. “Begrepen”, zei de man. “En gij, wie zijde gij”?

Ik ben den aalmoezenier van Wortel. Rob of de Moeze, zeggen ze. “Meneer de aalmoezenier” fluisterde Suskewiet halfluid van alteratie en hij boog zijn hoofd, zoals in de kerk. Ook op den dool? waagde Pietjevogel. Je zou het zo kunnen zeggen: ik kreeg onlangs een schrijven waarin mij duidelijk werd gemaakt dat ik met pensioen moet en dus ik ben opzoek naar een appartement hier in de buurt. Eigenlijk zijn wij dan een beetje collega’s waagde Schrobberbeek die voelde dat die man met Landlopers van zijn soort over de baan kon.

Allé mannen, veel succes!.. en gij ne goeie portemonnee! zei Pietjevogel al lachend.

Daar stonden ze weer alleen. De schaduwen van de bomen werden groter want de maan was wat weggezakt.

Wortel!... Wortel!!... Wortel!!!..... Terwijl ze het als een toverwoord elk om beurten uitspraken was het alsof een licht ging branden. Ja, “Wortel” daar moesten ze naartoe. Dat was het paradijs der Landlopers, wist Schrobberbeek te vertellen. Ik heb het in Turnhout zien staan op grote affiches.

De andere twee keken wat ongelovig. Op affiches staat zoveel te lezen. Maar Schrobberbeek gaf niet op: Ik heb het niet alleen gelezen;. Bij Mie Pot in ’t Zwanenven heeft iemand mij verteld dat ze in Wortel, zelfs drie Kerststallen zetten dit jaar.

Drie! Suskewiet telde vroom op zijn vingers: één voor mij, ene voor hem en de derde voor de Schrobbe.

Ja, vertelde de man aan den toog. Er is daar iets blijven hangen van de sfeer van de Landlopers… Sinds ze weg zijn heeft men heimwee naar hen. “Ja, zo gaat dat gewoonlijk, zei herder Suskewiet “Landloper weg, Leve de Landloper!”

En waar staan die drie Kerststallen, vroeg Pietje verder. Naar ’t schijnt ene aan ’t gevang, ene aan de kerk en den derde aan ’t café op Castel.

De man die ik in ’t Zwaneven zag, ne zekeren Bosch wist te vertellen dat er ook op de drie plaatsen wat geschonken  wordt. Aan ’t gevang is “n Tistje”, volgens het recept van Gerard Huet. In Castel, “ne Hollandse klare” en aan de kerk is het maar “Glühwein” van de pastoor. “Da lust ik wel” zei Suskewiet, “da smaakt nog een bekke naar de kerk!” Ga gij maar wonen in de kerststal aan de kerk. Gij kunt voor ons meebidden”!

“Ik had anders wel liever aan Bootjesven ingetrokken; ik ben altijd herder geweest en naar ’t schijnt gaat daar terug hei groeien en schapen komen; misschien kan ik nog schaapherder worden.

“Suske, zij content da g’aan de kerk kunt wonen: de pastoor is ook nen herder, weliswaar met minder en minder schapen”.

En wij?  Kop of let?

“Ik verkies het buskotje aan ’t gevang”, zei Palingvisser Pietjevogel. Dan zit ik maar een boogscheut van de visvijver en Bootjesven is ook binnen handbereik.

Ik trek dan wel naar Castel: als bedelaar heb ik geleerd van alle hooioppers te eten, van deze kant of gene kant.

Het leek wel een hemelsplan onder volle maan ingegeven. Maar zal het slagen?

Ik twijfel er niet aan, zei Vrome Suskewiet en hij begon te preken: “Mensen die een Kerststalleke zetten zijn mensen van goede wil. Ze zetten hun deur open voor vreemde gasten, want ze weten in vreemde gasten kan Jezuke zelf aanwezig zijn. De andere twee knikten; dat hadden ze nog onthouden uit hun Driekoningentocht met de ster vele jaren geleden.

Weet ge, we schrijven onze naam boven elke kerststal. Zo weten de bezoekers ze uit elkaar te houden.

Aan de kerk: Bij Suskewiet

In Castel: In Schrobberbeek

Aan ’t gevang: Halte Pietjevogel 

 

A.Van Dijck

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

 

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Het is een volksgezegde en dus al heel oud. Ze bevatten meestal heel wat waarheid en gelden daarom voor alle tijden.

“Trouwen is Houwen” rijmt niet alleen op elkaar, maar rijmt ook met elkaar. Past ook bij elkaar. Trouwen is geen kinderspel. Het is serieus. Het is voor lange tijd, liefst levenslang. Zo werd het gezegd en gezongen op alle toonaarden.

Maar sinds enkele weken is het allemaal anders geworden. De politici van dit dierbaar land hebben zelfs bij wet beslist: Trouwen is maar voor efkens….. de faire parts rondsturen, de ceremonie op ’t stadhuis, de show en de foto’s. Het feest en de cadeaus, de huwelijksreis en bedankkaartjes en dan zijn er drie maanden voorbij en kan je lekker scheiden en opnieuw beginnen. “We hebben ons vergist” zeg je maar. “Ons huwelijk is ontwricht”.

Zo zal het bij wet bepaald worden door de regering die alles anders wil en denkt dat het dan beter is en die de lat altijd maar lager wil leggen in naam van een gedoogbeleid. Je moet je zelfs niet afvragen wie in de fout is gegaan. “Schuldeloze echtscheiding” zegt de wet.

Dat het de ministers ernst is moge blijken uit het voorbeeld van de vrouwelijke blikvanger van het kabinet zelf geeft. Ze slaagt erin binnen een groot jaar een kind te krijgen, opnieuw te trouwen, natuurlijk niet thuis en opnieuw met een dik buikje de verkiezingscampagne in te trekken. Dat noemen ze “voorbeeldfunctie”.

Hoe wil je toch dat de jonge lui het gebeuren op het stadshuis ernstig nemen. Het heeft nu al de naam van “een formaliteit”. Nochtans is het burgerlijk huwelijk een waardig equivalent van het kerkelijke huwelijk. Zeker voor koppels die niet kerkelijk trouwen. En de kerk ziet het burgerlijk huwelijk, voor niet gedoopten, als een volwaardig huwelijk. “Minder echtscheidingen”, zeggen de enen. “Meer schijnhuwelijken”, antwoorden de anderen. Moet de wet niet juist een ondersteuning zijn van het engagement in plaats van de afbraak in de hand te werken.

Voor de kerk blijft het huwelijk een belangrijke levensvorm. Niet alleen om sociale redenen: inderdaad, goede huwelijken zijn bouwstenen voor een goede samenleving en goede huwelijken zijn een rijkdom voor de kinderen.

Maar de kerk heeft vooral waardering voor het huwelijk op bijbelse gronden. Zegt God niet in het boek der schepping: “God schiep de mens: man en vrouw schiep hij hen. Naar zijn beeld en gelijkenis schiep hij hen.

“Beeld van God zijn” zie daar de roeping van man en vrouw in de liefde. Hoe God is leren we uit de verhalen van de Bijbel. De kerk vindt er drie kentrekken.

- De God van de bijbel is trouw aan zijn woord. Hij verbreekt het niet.

- De God van de bijbel duldt niet dat men half en half kiest. Voor Hem of tegen Hem. Je kan geen twee Heren dienen, zal Jezus zeggen. En twee dames dienen is wellicht nog moeilijker.

- Ten slotte de God van de Bijbel deelt zijn geluk, sluit zich niet egoïstisch op in zichzelf.

Beeld zijn van die God roept de mens op tot blijvende trouw, tot uitsluitend behoren aan die ene levenspartner en tot scheppend de liefde delen met kinderen of in engagement in het leven.

Alles erop en eraan.

Zo drukken jongeren zich vaak uit wanneer je hen de vraag stelt: “Waarom trouw je voor de kerk”. Ze willen er voorgaan en de gemeenschap mag het weten. Ze voelen wel aan bij de ondertrouw dat hun levensproject niet niks is en dat het in onze samenleving erg ouderwets klinkt en voor de soaps uit de tijd. En toch willen jongeren nog die weg op. Waarom toch?

Zou het kunnen zijn dat jonge mensen diep in hun hart het verlangen ervaren naar iemand waarop ze altijd kunnen rekenen, naar een partner die totaal en uitsluitend voor hem of haar kiest, en naar een geborgen plaats in hun leven waar nieuw leven kan ontkiemen.

Ja, het zit eigenlijk in onze genen zouden we kunnen zeggen en misschien is het toch best niet tegendraads te leven. Het feit dat velen er niet voor kiezen en dat er nog meer niet in lukken dit waar te maken, neemt niet weg dat het zinvol is hiervoor te blijven kiezen; maar moet ons natuurlijk met schroom over deze dingen doen praten en doen hopen dat zij altijd ideaal mogen blijven, zelfs in een wereld met heel andere realiteiten. Ook aan hen die er niet in lukken wensen wij een mooie toekomst en zinvol leven toe.

 

A.Van Dijck

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Ze zit in een leunstoel, haar gezicht gericht naar het licht dat in stralenbussels binnenvalt. Ik ontmoet haar op communieronde in het huis: “Dit brood is teken van Jezus’ leven en hoe hij dat vooral deelde met zieken en mensen die het moeilijk hadden. Mag Jezus ook dicht bij jou zijn”.

Tranen springen in haar ogen.

“Ik ben nu 76 jaar en ik heb niemand meer die dicht bij me is. Mijn ouders zijn dood, mijn man is 15 jaar geleden gestorven en mijn zus enkele jaren terug. En ik heb geen kinderen”. Ze zucht. “We hebben wel een zoontje gekregen, maar hij is gestorven bij de geboorte. En ik heb hem niet mogen zien”. Dat komt als een mantra terug: “ik heb hem niet mogen zien”. Haar man heeft het gezien, en haar zus ook, maar zij niet. De zusters vonden dat toen beter, het zou anders maar meer verdriet doen. “Dus heb ik mijn kindje niet mogen zien”. Jaren later durfde ze aan haar man vragen of het er dan zo afzichtelijk uitzag, want ze dacht dat dat de reden was waarom ze geen afscheid had mogen nemen. Maar nee, het was mooi, met zwart haar; volmaakt, had haar man gezegd. “Maar ik weet nog altijd niet of ik dat wel mag geloven, want ik heb het zelf niet kunnen zien”. “Of ze het kindje een naam hadden gegeven?”, durf ik te vragen. “Ach nee, dat had geen nut volgens de zusters. En erna hebben ze ontdekt dat ik nooit meer kinderen zou kunnen krijgen. Nooit meer”.

 

Ze draait haar gezicht weer naar het raam en laat de tranen stilletjes lopen. Ik vloek inwendig op de ‘gepaste rouwverwerking’ van vroeger en vraag me af of er voor haar in hemelsnaam ‘iets van het licht’ kan zijn?

En dan, onverwachts, draait ze haar gezicht terug naar mij en glimlacht langzaam. Traag vertelt ze: “Maar ik heb één souvenir. Mijn zus zou meter worden en was apetrots. Het was oorlog toen en ze reed met de tram voorbij een etalage waarin ze een warme, witte, brede sjaal zag liggen. Die moest ze hebben. Ze is een halte verder uitgestapt en is die sjaal gaan kopen om te gebruiken bij het doopsel van haar petekind. Hij is nooit gebruikt geworden. Niemand van de familie heeft ooit in zijn hoofd gehaald om te vragen of ze die sjaal mochten gebruiken. Die is heilig voor mij. Af en toe pak ik hem vast, ik was hem met de zachtste zeep die er is, zodat hij goed ruikt en leg hem terug in een mooi papiertje”.

 

Ze zwijgt even; “ In die sjaal zal ik begraven worden. Iedereen rondom mij weet dat, de buren en de verre familie. En ik heb het ook opgeschreven”.

De haren op mijn armen gaan recht overeind staan als ik het hoor, omdat het zo klopt. De cirkel zal rond zijn als zij zelf sterft. Dan zijn ze weer samen. Een kind, naamloos en ongezien, dat in een witte sjaal had moeten gewikkeld worden. En een moeder die haar kracht haalt uit diezelfde witte sjaal die haar lijkwade zal worden.

A.V.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Een oma vertelde gisteren volgend verhaal:

Als haar kleinkind Fausto 8jaar op bezoek is en naar huis gaat geef ik hem altijd een kus en een kruisje en daarbij zeg ik dan: “God zegene u en God bescherme u”. Enkele weken geleden gebeurde dat weer maar ik gaf hem enkel een kus en een kruisje; Hij keek mij aan en zei: “Oma, en het gedichtje”? Ik vroeg: vind je dat belangrijk dat ik dat “gedichtje” God zegene en God bescherme u”, erbij zeg. Ja, zei het ventje. Waarom vroeg ik: dan voel ik mij veilig. Het teken was belangrijk, maar het uitdrukkelijk God noemen vond hij nog belangrijker. Dan voel ik mij veilig.

Daar stond ik: ik had niet over God gesproken omdat ik dacht dat ik mijn kleinkind dan misschien een verkeerd beeld gaf over God ofdat mijn dochter dat misschien niet zo graag had. Maar dat was zijn reactie.

Ik vond het een mooi verhaal om met u te delen op het feest van de H.Familie dat de kerk vandaag viert. Het nodigt ons uit eens na te denken hoe wij het “heilige” nog aanwezig brengen in onze omgang met kleinkinderen of kinderen.

Godsdienstig opvoeden is meer dan waarden bijbrengen.

Vele ouders en vele opvoeders in de scholen zijn wel bezorgd voor christelijke waarden: eerlijk zijn, niet pesten, leren delen enz. Die zijn natuurlijk belangrijk.

Maar godsdienstige opvoeding is meer dan levenswaarden bijbrengen. Ook de juf zedenleer brengt kinderen deze waarden bij: en ook humanistische ouders voeden hun kinderen waarde bewust op.

Godsdienstige opvoeding is kinderen ook in contact brengen met het verhaal van God, en het verhaal van Jezus. Het verhaal dat iemand van je houdt. Altijd…

 

1. Zulk een opvoeding gebeurt vooral in een sfeer van vertrouwen en geborgenheid en voor die sfeer zijn ouders de eerste verantwoordelijken.

Ouders zijn het eerste beeld van God voor hun kinderen. Zijn de ouders heel streng, dan wordt God een strenge God en groeit er angst. Zij ouders wispelturig, vandaag mag alles, morgen niks, dan is God voor het kind een onbetrouwbare God: moet je voor oppassen.

Zijn ouders eerlijk en goed dan zal voor het kind God ook goed zijn en vertrouwen schenken. Door hun levenswijze vormen ouders het godsbeeld in hun kinderen.

 

2. Godsdienstige opvoeding gebeurt vooral door overdracht van de ouders en grootouders op de kinderen en kleinkinderen.

Aan de beroemde kunstglazenier Chagall vroeg men eens:

Waar heb je leren houden van glasramen? Hij antwoordde:

Mijn bompa hield van glasramen

Ik hield veel van mijn bompa

Zo gingen we vaak naar glasramen kijken

Zo ging ik zelf van glasramen houden.

Of volk gezegd: Woorden wekken, voorbeelden trekken.

 

Als ouders kinderen naar de kerk sturen en zelf terug naar huis rijden dan geven ze een dubbelzinnig beeld door aan hun kinderen en voed je tot dubbelzinnigheid op.

Vooral in godsdienstige opvoeding zal het voorbeeld en de eigen eerlijkheid van doorslaggevende betekenis zijn voor de medemens.

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

Daar komen ze, een jong stel van half de dertig. Ik wacht ze op in de hal van het crematorium. Dirk, Carine. Kom maar mee.

We zitten aan tafel. Een tas koffie…..

Eerst zeggen wie ik ben en stel mij voor en vertel dat ik priester ben en in de beurtrol van het crematorium zit en het toevallig mijn beurt is.

Ik zie dat Dirk wel even schrok. “Ja, de vorige keren dat ik hier was waren het gewonen mensen” zei Dirk.

“Pastoor, voor mijn moeder nen dienst “light katholiek” want voor mij hoeft het allemaal niet. Als ’t mij te doen stond was ’t allemaal burgerlijk. Maar mijn ma was gelovig en ze wilde het zo; katholiek maar in ’t crematorium.

Ook mijn vrouw is katholiek en haar familie heel erg en zo zullen er nog wel zijn die naar de dienst komen”…..

Het klonk allemaal heel direct en eerlijk. Ik zei het hem en toen vertelde hij:

Mijn ouders zijn uiteen gegaan als ik tien was. Ik wist niet waar ik stond. Ik werd lastig en rebels en dat ben ik gebleven. Ik heb nog wel mijn vormsel gedaan. We moesten bij een mevrouw naar de les. Op het einde vervelend. “Nog enkele malen en dan is ’t gedaan, zei ze. Als jullie goed meewerken mogen jullie na ’t vormsel bij mij pannenkoeken komen eten”. Nooit iets van gehoord. Toen was ’t voorgoed gedaan.

We hebben onze kleine, onze Jens, 4 jaar ook niet laten dopen en haar familie, neig katholiek heeft dat aanvaard toen ik den uitleg deed. We zien wel.

 

Zo waren we klaar om de dienst samen voor te bereiden. Aan de hand van een schema vertelde ik hoe ik het gewoonlijk doe en waarom ik het zo doe. Daarna kunnen we het samen bekijken.

“Voor de muziek” zei ik….

“Heb ik al bij” en hij gaf mij drie cd's.

Gewoonlijk steekt iemand van de familie de kaars aan…

Ik ging even weg om de CD’s te laten opnemen. Ondertussen had hij al gebeld met zijn GSM.

“De kaars aansteken dat doe Mieke, het metekind van ons moe”, zei hij toen ik terug kwam.

En het levensverhaal?.. “Nonkel Jef van Carine gaat dat maken maar voorlezen zal die niet……”

“Het gebed om vergeving, het evangelie, de voorbede”, zei ik…..

“Daar zorgde gij maar voor, want ik maak geen kruisteken en ik ga niet bekwispelen….”

“Nee, Dirk, Ik zal dat duidelijk zeggen in ’t begin van de dienst dat iedereen er mag zijn vanuit zijn eigen betrokkenheid met je moeder en ook vanuit zijn eigen gelovig zijn”.

Zo was het goed. Nog wat gepraat over moeder en het uur was voorbij.

Op het einde van de dienst ging Dirk aan de arm van zijn vrouw naar zijn moeder: Hij groette haar. Zij gaf haar een kruisje, samen gingen ze verder….

Die week deed ik drie diensten in het crematorium.

 

Van Dirk kreeg ik een mailtje:

“De mensen vonden het een mooie dienst en ik vond het light katholiek. Ik vond het heel fijn dat je tweemaal onze Jens die niet mee was, bij het gebeuren betrokken hebt.

“Oma is nu een sterretje aan de hemel. Ik zal je missen”. Jens.

Het mailtje deed me bijzonder deugd…

 

Als priester ontmoet je op onze dagen meer en meer situaties waar mensen aan de kerk een dienst vragen, maar zelf een heel stuk vervreemd zijn van kerk en liturgie. Vooral als het gaat over jongere mensen is dit een hele opdracht.

In hun brief aan de priesters schrijven de bisschoppen:

De sacramentenpastoraal ( en ook de liturgie nvdr ) is zowel de vreugde als de pijn van veel priesters.

……. ze zijn vaak ontgoocheld over de discrepantie (afstand nvdr) tussen wat ze willen aanbieden en wat mensen vragen.

Het probleem is zo oud als de kerk: varen tussen enerzijds veeleisendheid en ernst en anderzijds tussen begrip en barmhartigheid.

In elk geval is het zo dat men de mens die een sacrament komt vragen, moet nemen zoals hij is en dat men hem zover mogelijk probeert mee te nemen naar een dieper begrip van het sacrament (de liturgie).

Van een onderhoudspastoraal  gaan we ongetwijfeld over naar een missionaire pastoraal. Dat is onze hoofdzorg voor de komende decennia.

Openheid maar ook wederzijds vertrouwen tussen familie en priester zijn daarvoor wel heel belangrijk.

 

A.Van Dijck

Terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

 

 

“St. Katharinahof”, daar moet ik zijn, dacht Marc Buyens bij zichzelf; zijn vurige oogjes en zijn pientere geest, nu hemels verlicht, had het hem onmiddellijk doen begrijpen. Katharina, dat is Hoogstraten en Hof, dat was het Begijnhof. Hij stapte onder de hemelboog met het gouden opschrift en wauw…. In de achtergrond een Vlaams landschap van kerktorens belforten kastelen en glooiende velden en ruisende bomen. Zo weggeplukt uit de schilderijen van de Vlaamse Primitieven, maar de voorgrond ademde de rust en kalmte van het Begijnhof en de muziek die hij hoorde herkende hij direct: dat was begijnenmuziek die hij gehoord had in de Begijnhofkerk bij ’t inspelen van ’t orgel. Moest Jan Van Mol dat weten hij stond hier binnen de week aan de poort.

 

Marc wandelde rustig rond, gaf zijn ogen de kost en genoot van de omgeving. Hij zette zich op een bank in de schaduw, zette zijn diadeem met het sterretje wat recht, sloot de ogen en droomde….. van de aarde: hoe zijn kleinkinderen nu zijn sterretje aan de hemel zochten en alles was zalig.

Hij schoot wakker van sleutelgerinkel. Sinte Pieter! flitste door zijn hoofd. Maar nee…. wie kwam daar aan… Ja, de koster, Jos Laurijssen. Hij had blijkbaar de sleutels mee naar boven genomen. Misschien uit veiligheid om zeker binnen te geraken.

“Maar Jos” zei Marc opgelucht.”Wat ben ik blij dat je der nu al zijt. k’ Had je wel verwacht. We zaten in ’t zelfde schuitje”. Ja, het is op ’t einde zo vlug gegaan, maar ’t afscheid was mooi en ja, die sleutels! Mijn werk was mijn tweede natuur geworden en daardoor zijn die sleutels mee hier geraakt. Maar de voornaamste had ons Paula al afgegeven”.

 

Heb je uwen kroon met je sterretje al gaan halen op de sterparade? Waar is dat? Je volgt de melkweg maar en dan kom je zo bij de plaats waar elke hemeling zijn ster gaat halen. Je kleinkinderen zullen zeker op de uitkijk staan bij heldere hemel op zoek naar de ster van opa. “Ja, dat gun ik ze”, zei de koster. “Want ik vond het niet zo erg dat ik moest vertrekken, maar ik vond het wel erg dat ze daar beneden zo’n verdriet hadden”.

“Ik heb geleerd dat verdriet nooit het laatste is” zei Marc, “als je erdoor gaat komt er weer vreugde”. Jos bewonderde Marc. Zelfs in de hemel wou hij anderen nog les geven. Is dat dan zo’n beetje als in nen zuren appel bijten”, vroeg Jos, als jer eens flink doorbijt wordt het sap zoeter. Heel juist zei Marc met de vinger op zijn mond. Jos, pas op want hier mag niet over appels gesproken worden. Met den appel is ’t allemaal verkeerd gelopen, zei Marc. Dus appels: taboe! “Dan liever peren”! zei Jos lachend.

 

Terwijl ze zo op zen hooghemels aan ’t vertellen waren zagen ze plots in de verte iemand aankomen. Hij had precies een palmtak in zijn handen. Blijkbaar was hij ook getroffen door de verlichte hemelboog van St Katharinahof. Zou dat kunnen? vroeg de koster. Het is precies mijn buurman. Jos Snoeys.

Inderdaad, hij stapte nog altijd even rustig en hij had zijn klak nog op. Ja, zei de koster, dat is gelijk mijn sleutels. Jos en klak onafscheidelijk samen. Maar hij draagt een grote palmtak.

 

Ja, ik ben hier al wat langer, zei Marc en ge weet ik ging altijd naar ’t dorp en overal stak ik wat nieuwtjes op. Ik heb dat hier ook gedaan en zo heb ik vernomen dat de ongehuwden geen kroon met schitterende ster krijgen maar een palmtak. Die moeten niet schitteren voor hun nageslacht en die hebben hun handen altijd thuis gehouden en daarom krijgen die een mooie palmtak.

“Ja, das wel mooi” zei de koster, maar ik denk dat onze buurman toch liever Palm zou hebben dan een palmtak! Jos heeft bij Paula geleerd te luisteren en dus Jos een palmtak; net als zijn zus Paula later. Tenzij……, zei Marc en hij stak zijn vingertje op, Say never.. never!

Jos Snoeys verschoot zich erg toen hij zijn buurman de koster hier aantrof. Zijt gij hier allang?, vroeg hij verwonderd. Toch al enkele dagen. Daar heeft ons Paula niks van gezegd;

 

Da versta ik, zei Marc, Paula in verdediging nemend. Ze heeft bij zichzelf gedacht beter verschieten in den hemel dan op aarde . Op aarde zou je dat bang maken en hier is ’t een blije verrassing.

Jos legde zijn palmtak op de bank en nam plaats naast zijn vrienden. “Nog ne vierde man en we zijn vertrokken” zei de koster en haalde een stok kaarten van de bridgeclub boven.

Hij was nog niet uitgesproken of daar hoorde hij in de verte bazuingeschal! Een engel hemelswit met gouden kroon blies op de bazuin en er klonk hemelse muziek uit die engel.

Maar die ken ik, zei de koster. Die komt uit het glasraam van Van den Bossche. Zou het, dat die ook op komst is?

Inderdaad, daar verscheen Sint Joris te paard en gezeten op zijn vurig ros, beschermd door St. Joris meneer Van den Bossche. Je kon hem dadelijk herkennen aan de flamboyante hoed die hij droeg in de processie van H. Bloed.

 

Voorafgegaan door de schallende engel deed Adrien zijn intrede in St’ Katharinahof. Sint Joris deed zijn paard halten bij de bank van ons Hoogstraats trio.

Adrien nam zijn hoed af en groette het drietal. Zo past het de laatst aangekomene. Na dat plechtige gebaar viel het het drietal op dat hij een grote ster had: “Une etoile d’ honneur” stond erop. Begrijpelijk, zei Marc, de griffier had daar beneden nogal wat erefuncties. Dat hij hier een Erester mag dragen is passend. Bovendien in den hemel kan men veel beter omspringen met verscheidenheid. Het moet niet allemaal hetzelfde zijn. Variatie is verrijking en door het wegvallen van de jalousie is dat helemaal niet storend.

Daar zat het viertal: twee kerkraadvoorzitters en twee kosters. De Kathedraal en het Begijnhof. Dat kan geen toeval zijn, want toeval bestaat in de hemel niet.

Gaan jullie mee naar de Vespers, vroeg Jos Snoeys. Jos die bij nogal wat gebedsgroepen was geweest, was al op zoek gegaan naar wat hier geboden werd.

 

In de St. Katharinadom daar zijn er vespers om vijf uur. En het zijn de Beginas die ze zingen. Naast de Dom heb je een mooie afspanning. “In de Bazuin” wist Jos te vertellen. Daar is naar t’ schijnt Go(l)den Palm en Chateau de Jésus van Cana. Echt Jos Snoeys, zei Marc, hij denkt niet alleen aan ’t biddens maar ook aan ’t apres-biddens.

Zullen we? vroeg Adrien en dat klonk als een bevel. Dus ze vertrokken. Met sterre-energie werden ze opgeheven en belandden ze bij de ingang van een prachtige dreef. Vier rijen beukebomen en de grasplantsoenen tussenin vol kleurrijke krokussen; zelfs de groene kopjes van de paasbloemen waren te zien. Heel wat anders dan de Lindedreef wilde de koster zeggen, maar hij bedacht zich: “over levenden niets dan goeds”, geldt in de hemel. Links en rechts van de dreef een grote esplanade met een menigte die niemand tellen kon, uit alle rassen en talen.

 

Zoals het hemelingen past gaat men in processiestap naar het heiligdom. Dus vier op een rij. De palmtak voorop en de erester achteraan. Gelukkig dat ze allemaal in de processie van H. Bloed waren gegaan want dat kwam van pas. Vooruitschrijden, geen commentaar en met een vrome blik gericht op ’t heiligdom! De klokken beierden alom. Hoe dichter ze naderden hoe sterker de orgelmuziek klonk, en stilaan hoorde men de hooggevooisde stemmen van de Beginas. Er was duidelijk verwantschap met The Flemisch Organ Heritage van t’ Begijnhof van Hoogstraten. Allen waren fier en Marc probeerde zijn hals te rekken.

 

Plots werd het Adrien te machtig. Boven de ontelbare massa stak iemand uit als een wapperende Hoogstraatse vlag…. “Onze Jan!” .riep hij! En tranen schoten hem in d’ ogen. Zelfs hier lukt het hem op te vallen. Adrien wilde verder kijken maar zijn ogen waren wazig geworden door de vreugdetranen.

Op dat moment daalde de goddelijke lichtende wolk over het hele gebeuren, voor ’t oog van elke sterveling werd alles onzichtbaar maar daar voltrekt zich wat in de heilige boeken staat: “Ze zullen God zien van oog tot oog, alle geheimen zullen worden opgeklaard en alle leed en verdriet zullen voorbij zijn. Daar klinkt het Sanctus, Sanctus, het driemaal heilig. Het Alleluia en het Amen, Amen, Amen.

 

En telkens ik in de St. Katharinakerk van aan het altaar kijk naar het hemels glasraam boven het orgel zal ik mij verbonden weten met de “vier op een rij”  en zovele anderen.

 

A. Van Dijck

 

Terug