50 Jaar Priester

1958

2008

 

Deze pagina is een herinnering aan het

 

GOUDEN PRIESTERJUBILEUM

van

Fons VAN DIJCK

 

 op zondag 31 augustus 2008


Lees een tekst door, over of voor Fons

 

De vlucht naar...

1958

Ballade van de dingen die niet overgaan.

Mijmerend over 45 jaar kerkervaring

Terug in Hoogstraten

40 jaar priester

Een boeiend leven  (uit Daco)

Bekijk foto's van vroeger

 

Bekijk foto's van de viering van 31/08/08

 

Lees de preek

 

Klik hier  om naar de website van de parochie te gaan.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vlucht naar…..

 

Ik was tien jaar in ‘44. Ik beleefde de bevrijding als kind. Ze had plaats in oktober. Op de eerste vrijdag van oktober ging ik ’s morgens te voet met mijn moeder naar de kerk; 3 km ver. Dat was een goede gewoonte in die tijd: op elke eerste vrijdag naar de mis gaan.

Toen we een 500 m. ver waren deed zich een harde knal horen en we vluchtten naar het huis waar we net aangekomen waren.

Daarna gingen we verder: later vernamen we dat dit het salvo was dat de doorbraak van de geallieerden aankondigde. “Vandaag komen de Tommy’s” zeiden de Duitsers tot de mensen. “binnen blijven!” Niets vermoedend gingen we verder naar de kerk. Toen de mis goed bezig was begon het plots langs alle kanten te rommelen. De pastoor deelde vlug de communie uit en stuurde iedereen huiswaarts. Toen we buiten kwamen reden legerauto’s vol soldaten richting St. Lenaarts. Auto’s gecamoufleerd met takken, soldaten gewapend en met zwarte gezichten. Er heerste paniek alsof de hel was losgebroken. De eerste projectielen suisden door de lucht en ploften in Loenhout dorp neer. De mensen zaten in hun kelders.

Tussen al dat gewirwar liepen mijn moeder en ik naar huis. Na een paar 100 meter kwamen we aan de melkerij. Iemand deed teken. Wij doken de kelder in. Veilig en met velen samen. De weesgegroetjes binnen wisselden af met het gerommel buiten. Ik voelde me veilig, maar mijn moeder wilde naar huis. Als het geschut richting Brecht leek te schieten kwamen we uit de schuilkelder en liepen verder naar huis. Na enkele honderden meters leek het gevaar terug te keren. Dus wij weer bij schrijnwerker Minus in de kelder. Er stond een grote mand geurende appelen. Ik kreeg er een en genoot ervan. “Kom, zei mijn moeder, we gaan verder!” Op de grote baan naar St.Lenaarts was het een drukte van jewelste. We liepen naast de soldaten en voertuigen; vol schrik keek ik naar de geweren in aanslag. Ook een luchtafweergeschut werd meegevoerd.

 

We liepen meer dan een kilometer ver: tot bij nonkel Jaak. Daar gingen we ook weer even binnen, in de kelder natuurlijk. Even op adem komen en hopelijk daar blijven.

Maar nee, moeder wilde naar huis, weten hoe het thuis was. De laatste kilometer liepen we over de akkers, hijgend en biddend. “Moeder, de soldaten gaan op ons schieten als ze ons zien vluchten”, zei ik hortend en stotend. Maar mijn moeder liep verder en ik liep naast haar. Ze was als een beschutting voor mogelijke kogels van de soldaten. Gelukkig kwam er geen schot.

In de verte dook de boerderij op. De pannen op de hoek van de stal waren weggemaaid door een ontplofte kanonsbal. Er stond tegen de schuur een Duits kanon opgesteld. Levensgevaarlijk prooi voor Engelse vliegers!

Gelukkig bleef het afweergeschut tijdelijk Brecht bestoken zodat we veilig thuis kwamen. Net op tijd. Geen kwartier later werd de paardenstal getroffen door een nieuw projectiel. Gelukkig, het paard bleef ongedeerd.

Ons vader en de andere kinderen zaten samen in de kelder, angstig biddend voor onze thuiskomst en toen we allemaal weer samen waren viel er een rust over mij en de anderen. We waren thuis…….. bij vader en moeder…..… het was alsof………

 

Deze dag zal ik nooit vergeten; hij blijft onuitwisbaar verbonden met de bevrijding in oktober 44.

Ik denk weleens: mensen die de oorlog niet meemaakten zijn anders dan onze generatie. Ze hebben niet de angst, de onveiligheid aan den lijve ondervonden; ze hebben ook niet geleerd te zoeken naar een houvast en schuts midden het gevaar en het vertrouwen dat alles goed zal aflopen.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1958

 

1958 was een bijzonder jaar. Voor Hoogstraten: De toren herboren! Ook voor mij.

Het was het jaar van mijn priesterwijding. We waren met 77. Ja, je leest niet verkeerd: zevenenzeventig. 77 priesters voor het toenmalig Aartsbisdom Mechelen: dat omvatte de provincie Antwerpen en Brabant. Wij werden nog tweetalig opgeleid. Drie dagen verplicht Frans spreken, drie dagen verplicht Nederlands. Zondag vrij. Ook de lessen waren deels in ’t Frans, deels in ’ t Nederlands, met een samenvatting in ’t Latijn. Zo leefden wij samen Vlamingen, Brusselaars en mannen uit Waals Brabant. En dat lukte best. Degene die geen soldaat waren geweest – een 20 tal – werden rond Pasen gewijd. Wij, de miliciens op 31 augustus. Zondag wijding, dinsdag eremis in Loenhout en donderdag stond ik al als subregent (bewaker) op de kleinkoer van het Seminarie. Het ging allemaal geweldig vlug. Zo vlug dat de bedankkaartjes aan de mensen die mij hadden geluk gewenst er “over geschoten” zijn en alleen een algemeen dankwoordje in ’t parochieblad verscheen.

 

1958. Was ook in de samenleving een belangrijk jaar. Het was het expo-jaar. Jaar van de wereldtentoonstelling in Brussel. Het Atomium is nog de meest markante restant van dat gebeuren. Ik heb het al vaak zien staan, maar nog nooit bezocht. ’t Zal hopelijk dit jaar gebeuren. Met ons jaar mochten we op een zondag de TV mis verzorgen vanuit de expo. Het koor mocht zingen en ik mocht het epistel lezen, het was nog voor het concilie. Een gebeuren dat me is bij gebleven.

In onze priesteropleiding was er veel over te doen. “Dan werd de wereld een dorp” zei men ons. En inderdaad. Wie het expodorp bezocht kon zo maar wandelen van Kongo, naar China, van Rusland naar Amerika. Geen grenzen of controles.

Ook in de geesten van de bezoekers werd de wereld meer een dorp. Men zag de cultuur van de andere landen, men maakte kennis met mensen uit verre landen: men at of dronk wat daar gegeten en gedronken werd.

Maar ook omgekeerd gingen de ogen open. De Kongolezen bv. die in het paviljoen van Kongo werkten en de vooraanstaanden bezoekers uit Afrika leerden met andere ogen naar België en de Belgen kijken. Ze ontdekten dat de Belgen die het in hun land voor ’t zeggen hadden, niet “zo braaf en onschuldig” waren en dat de vrouwen in België ook moesten werken, in ’t huishouden of daar buiten. De madammen hadden hier in België geen boys zoals in Kongo, die zorgden voor het huis en de tuin en die daar meestal goed bij vaarden.

 

De expo in Brussel heeft het verlangen naar de Onafhankelijkheid in Kongo in een stroomversnelling gebracht hoorde ik later vertellen. Hun ogen en geesten waren open gegaan, wat in de 60-er jaren de onafhankelijkheid inluidde.

1958. Was ook een Mariajaar in de kerk. Inderdaad het was 100 jaar geleden dat de Verschijningen van O.L. Vrouw plaats vonden in Lourdes en dat werd luisterrijk gevierd. De meisjes van de BJB. gingen naar Lourdes waar voor het eerst de Internationale ontmoeting van Mijarc ( Mouvement international de la jeunesse agricole et rurale catholique) plaats vond. Een Internationaal spel werd er opgevoerd. Ook de jeugd werd binnen gevoerd in het “Internationaal denken” in die jaren.

2008 zal ook weer een jubeljaar zijn in Lourdes en ik hoop erbij te zijn met de Antwerpse bedevaart in juli. Een kaarsje branden uit dankbaarheid voor die 50 jaar en een gebedje doen dat er jonge opvolgers mogen komen. Misschien ook voor u een gelegenheid om nogeens naar Lourdes te gaan.

 

Wat in het expo-jaar in 58 werd uitgebeeld is ondertussen realiteit geworden. De wereld is een dorp geworden en in elk dorp is de hele wereld aanwezig. Denk maar aan de vakantietrek of aan het vreemdelingen verkeer, legaal of illegaal. Denk maar aan het aantal nationaliteiten dat je in een Stad als Hoogstraten terug vindt. Denk maar aan de vele uitwisselingsprogramma’s zoals Erasmus, AFS, waarbij jongeren van ginder hier een half jaar of een heel schooljaar verblijven. De wereld is een dorp geworden en elk dorp is een wereld geworden.

En in die nieuwe wereld moet ook de kerk haar plaats terug vinden. In het expo-jaar deed ze dat met het paviljoen Civitas Dei (Stad-Gods) door velen bewonderd en geprezen….. maar na de expo verdwenen… en in haar spoor is er de laatste 50 jaar zoveel verdwenen. Kerken gesloten, kloosters verkocht en omgevormd tot hotels of sociale opvangcentra.

Het St. Jozef Seminarie, nieuw gebouwd in 1934 en dat plaats had voor 300 seminaristen is verkocht en wordt bewoond door gehandicapten en mindervalide mensen. Bij de opening van dat Seminarie zei Kardinaal Van Roey in 34: “Nu is de toekomst van de kerk verzekerd”! Niets bleek minder waar te zijn.

 

Hoe zal de kerk van morgen zijn?

Misschien moet de kerk van morgen vooral een kunstwerk zijn. Een echt kunstwerk zegt niet wat het is, maar het zet mensen aan het denken, het roept op, het inspireert mensen tot doen en het geeft je het gevoel: Wauw da’s mooi!

Zulk een kunstwerk kan een gebouw zijn, kan een muziekstuk zijn, kan liturgie zijn, kan een groep mensen zijn. Ja, kan jij en ik zijn. Het lijkt niet nuttig en het brengt vaak niets op maar het blijft onmisbaar ook in de wereld van morgen. Dat kunstwerk kunnen we met Gods geest samen maken in 2008.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ballade van de dingen die niet overgaan.

 

15 april 1963

Met mijn vriend Jules op weg naar het bisdom voor mijn benoeming. Waar zal het zijn?

“Ik hoop alles behalve Mol”.

En de bisschop sprak: “Wij zouden je willen benoemen in Mol”.

En ik sprak: “Monseigneur, ik had gedacht aan Broechem”.

En hij sprak: “Wij dachten aan Mol. Je bent nog jong. je kan nog veel leren”.

En ik vertrok, met mijn vriend naar Mol.

Herinneringen van ’t eerste uur, alsof gisteren gebeurde.

Dit zijn dingen die niet overgaan.

 

1963

Het Zolderke. Timmeren, verven, elektriciteit, verwarming. Alles in eigen beheer, door de volgelingen van Cardijn.

De meisjes een verdiep lager, goed gescheiden, behalve voor en na de vergadering. Je ziet ze aan je voorbijtrekken: André, Jef, Michel, Guy, Maria, Annie, Paula, en zoveel anderen, alsof het gisteren was, want vriendschap is als een smeulend vuur, aangewakkerd door de windvlaag der herinnering.

Dit zijn dingen die niet overgaan.

 

1965

Eerste gemeentelijke jeugdweek. Een ganse ploeg jongvolwassenen met het vuur van de jeugd en oudere leiders met een wijde blik.

Ze vonden elkaar; ze hingen aan elkaar met telefoons tot in de late uren.

Grootse ondernemingen groeiden van jaar tot jaar, met radio kwis, sectorama, luchtdopen, grootse parades en happenings op ’t Rond.

En een stevig gestructureerde jeugdraad waar geen politiek aan kon en die stem gaf aan generaties jongeren. Je ziet het aan je voorbij trekken, met een menselijk gezicht en je zegt: ’t was fijn, ’t zijn dingen die niet overgaan.

 

1965

Jeramo – Waar is de tijd?

Eindelijk iets voor de niet georganiseerden.

Dansinstuif op ’t Zolderke, emailleren, foto’s maken.

Gegroeid uit jeugdraad en een onderzoek in alle scholen.

Een schamel ding met grootse dromen, want ’t werd gedragen in ’t hart van mensen,en wat daar groeit zijn dingen die niet overgaan.

 

1966

Afscheid van Jules Vermeulen, die wat ouder werd.

Komst van een jonge Jules Sterkens, een man als koekenbrood, zo de vriend van alleman.

Deken Franken werd onze vriend en de vriendentrein bolde: de en wat rem, de andere stuur, de andere motor. Je zag het zo floreren: de kapel op de Hei, het Chirolokaal en Jules metselde voort.

Je ziet het nog gebeuren, want het zijn dingen die niet overgaan.

 

1968

Jeramo wordt Riborn.

Een hergeboorte in de Hofstraat.

Het eerste jeugdhuis in Mol, bij de twintig eerste in Vlaanderen. Het was er donker en de muziek stond hard, en ’t barstte van jongen mensen.

Ouders kwamen brengen, ouders kwamen halen. En roddelaars hadden stof: wat daar allemaal niet gebeurde! Maar zij deden voort: Maria en Albert, beheerraad en jongerenraad, clubs en lossen medewerkers… want zij keken verder tot in Oostenrijk, Zwitserland, Ierland, Frankrijk en als je zo eens iemand tegenkomt uit die tijd, dan klinkt het steeds als was ’t nog niet gedaan.

’t Zijn dingen die niet overgaan.

 

1968

Start jongerenkerk.

Vanuit de jeugdweek, vanuit het Centrum…. in de moderne kerk van Ginderbuiten. 1968: jaar van de jeugdrevolte in Parijs. De seismograaf van wat broeit in de wereld. Soms extreem, soms ondoordacht. Goed… maar op zijn tijd en van die tijd. Bij 18 wat extreem, om op 30 een goede democraat te zijn…. zo is het toch altijd geweest en zal ’t altijd wel zo blijven, want dit zijn dingen die niet overgaan.

 

1969

Start van de wijkwerking.

De stoutste droom werd werkelijkheid. Mensen werden weer buren, straten weer woonwijken. Mensen kregen een gezicht, een naam, en timmerden zelf aan hun aller thuis…. met papierslag, koffietafel, feesten, feesten en bidden, krantjes en blaadjes.

Als kleine adertjes brachten ze weer zuurstof in het tanende buurtleven en in de vervreemde sfeer van de welvaartroes.

Mensen gingen weer ontdekken: Ik kan wat! Samen kunnen we heel veel…. en het deed mij geloven in de kleine mens.

Dat geloof maakt mij van binnen blij… het behoort bij de dingen die niet overgaan.

 

1971

Gastarbeiders, Turken, Marokanene. Ze komen op je weg, je gaat hen niet uit de weg. Je gaat bij hen binnen, in de kille zilten huisjes of in hun net huis vol tapijten. Een vrouw giet reukwerk in je handen en kinderen zeggen wat je moet doen. Je leert van hen gastvrijheid en hun liefde voor hun God, hun land, hun kinderen, en je bent blij dat dank zij veel helpers zij een thuis hebben en een moskee en je vergeet nooit wat de Turkse priester je zei bij de opening: “Dit is de mooiste dag voor mij hier in uw land”. Allah is groot!

Want dit zijn woorden die niet overgaan.

 

1972

Eric doet zijn intrede. Met hem de glimlach, de diepte en het menselijk gelaat. Een nieuwe motor in de trein: Jongerenkerk Mol – Opendeurweekend – Geloofsdagen. Een nieuw accent in ons midden. Het accent dat hij zelf was: spontaan, eerlijk, evangelisch met een zwak voor jeugd en groen.

Ook hij behoort voor mij bij de dingen die niet overgaan.

 

1976

Deken Franken, jubileert: 50 jaar priester.

Germaine en Tinneke stilaan ontvallen. Hijzelf op de sukkel0000 Wat eenzaam. Enkele trouwe vrienden sprongen bij. En wij, Eric, Marie-Louise en ik, wij waren als zovelen die zieke en oude mensen in hun midden hebben. En wij probeerden ook hierin mensen voor te gaan. Elke morgen ons eerste bezoek bij hem en vertellen wat wij deden. “Toen ik ziek was”, zei hij eens, “heb ik ontdekt hoe ’n goeie onderpastoors ik had” en dat zijn woorden die beklijven; het zijn woorden die nooit overgaan.

 

1978

Deken Franken op rust, maar ziek; maar hunkerend naar nieuws uit Mol. Marie-Louise in de donkerste donkerte van haar bestaan. De bange onzekerheid voor morgen. Soms is de parochie maar één of twee mensen waar het om gaat. En je bent blij dat je dan voor hen hebt gekozen. Vik komt, niuew en jong bloed.

 

1979

Jan komt, Jan weg…..op stage…..

Komen en gaan…… en toch gaat alles verder.

De Taborkapel, een oase en bron van stilte, maar vooral het werk van eigen mensen… een nieuw bewustzijn!

De kerk is onze kerk: dus wij zorgen dat ze proper is; dus wij zorgen dat ze onderhouden wordt; dus wij….. nodigen de mensen uit naar deze kerk te komen  met Kerstmis, Pasen. het geeft je het gevoel: ze hebben het door, waar het om gaat, en dat bewaar je bij de dingen die niet overgaan.

 

1983

Eric vertrekt…. Het verhaal gaat voort.

Spellenburg wordt gedoopt, de Ringgemeenschap geboren. En weer zie je mensen aantreden, verantwoordelijkheid dragen, zoeken naar nieuwe wegen en je bent gerust. Ook als mijn uur gekomen is om heen te gaan, zal alles verder lopen, want wat al doende werd geleerd gedurende al die jaren hoort bij de dingen die niet overgaan.

 

1985

Vertrek

En nu ik heen zal gaan,

leef ik met het gevoel:

Wat heb ik veel gekregen!

De open deur bij vrienden,

De kermisvreugd op Rozenberg,

’t vast geloof dat mensen mensen zijn.

Het stille zwijgen bij onnoemelijk leed.

Het wenen van verdriet bij iemand die je plots ontviel.

Het luisteren naar het wonder van een kindje dat werd geboren,

het trouw volharden, ook al gaat het leven niet naar wens,

De stille grootheid in ’t volbrengen van de dagelijkse taak,

Het dragen van de onmacht elkaar niet te vinden,

Het stille meegaan met mensen, naar de overkant,

De wijsheid, dat wie je geen gelijk geeft, je soms het meest helpt,

En het geloof van de psalmist:

            “God, U bent om me heen

            U bent voor me en achter me

            en Uw hand ligt om mijn schouders”.

 

Opgedragen aan alle mensen van de parochie Mol in ’t bijzonder aan hen die zoals ik, weer moeten beginnen van meet-af-aan.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijmerend over 45 jaar kerkervaring

  

1934-1963: van kindertijd tot lerarentijd

De grote wereld was Loenhout: het dorp en zij n omgeving.

De kleine wereld was het gezin – de buurt – de familie.

Schoolleven, kerkleven, spelen en ravotten in de vrije natuur, in de veilige natuur.

De oorlog beleefde ik als kind.

Het plezier van soldaatje spelen – naar de slierten vuurkogels kijken die op de V11 werden afgevuurd.

Maar ook de angst van de beschietingen tijdens de bevrijding – de nachtelijke voorbijtrekkende eskaders bommenwerpers op weg naar of terug van Duistland. Ook de angst voor dieven, overvallen, soms met dodelijke afloop.

Doorheen dat jonge leven liep een gulden draad van bidden, naar de mis gaan en paternosters lezen. Het moest geborgenheid geven in de angst van het leven.

 

7 jaar internaat in Hoogstraten

Die waren voor mij een jongensdroom. Geen boerenwerk doen – mogen studeren, voetballen, toneel spelen en bezig zijn met mensen.

Pastoor Desmedt wist de studenten al vroeg in te schakelen tijdens de vakantie. De bibliotheek in orde brengen; de kinderen die dagelijks naar de mis kwamen leren zingen en bidden. En toneel spelen of bonte namiddagen geven voor de kindreen. Op de boerderij moest ik voormiddags helpen, ’s namiddags mocht ik student zijn en met de studenten meedoen.

Zo vormden wij “studenten” een eigen groep in het dorp. “Segregatus a populo”. Een beetje afgescheiden van het gros van de jeugd. Kermmissen, danstenten en uitgaan, het was onze regel niet. We hadden eigen activiteiten op school en tijdens de vakantie.

Zo lag een levenskeuze voor een sociaal beroep of een geestelijk beroep voor de hand: studenten moesten leiders van morgen zijn; (Wij waren slechts met 3 in Loenhout die humaniora deden).

 

6 jaar  filosofie en Theologie

Je was geen uitzondering als je voor priester ging studeren. In mijn retorica: 20 voor Mechelen, 1 Jezuïet, 1 Witte pater, 1 Scheutist, 1 Dominicaan. Bijna de helft van de twee klassen. (52 leerlingen)

We begonnen in Mechelen met 104 seminaristen. Voor ons, die het strenge Hoogstraten hadden gekend, was het een verademing. Er was geen “uiterlijke strengheid”.

De uiterlijke surveillant was vervangen door de “innerlijke”. Het dagelijks gewetensonderzoek in de kapel moest je bewust maken van de richting van je kompas. En als het te ver uit de richting viel werd je er wel op gewezen. Het was veiliger je eigen stuurman te zijn.

Hier ging ook een nieuwe wereld open. De wereld van de filosofie en de theologie leerden ons denken, nadenken en overdenken. Uitdrukkelijk werd ons gezegd: seminarietijd is vormingstijd. Dan moet je niet bezig zijn met het thuisfront en je vroegere hobby’s. Je moet je klaar maken voor een “ kerkelijke opdracht” waar dan ook.

De 18 maanden militaire dienst waren een verpozing. Het militaire uniform bracht ons weer dichter bij het burgerleven. Voor nogal wat seminaristen werd het ook een sprong in het burgerleven. Het was in ieder geval een test: voortdoen of stoppen.

Met 68 werden wij op 31 augustus 1958 tot priester gewijd: Tremendum Fascinosum. “Benauwd en geboeid tegelijk” maakten de meeste de sprong.

Dat je hierbij kon rekenen op een thuis, een familie en een gemeenschap waar de kerk midden in het dorp stond en de priester midden in de kerk zal zeker een groet steun geweest zijn voor ons “jonge 24ers”.

 

5 jaar als leraar op het seminarie

Het was een boeiende tijd. Veel priestercollega’s, een drukke bezigheid en een school in volle evolutie als internaat en als pas begonnen externaat.

Ondertussen kwam een nieuwe paus Joannes 23ste. Een kritische periode brak los: wat onderhuids leefde werd nu openlijk gezegd. Elke week was er wat nieuws “De kerk bij de tijd bergen” was onze leuze!

Aggornamento! Vernieuwing!

Als jonge priester genoten we ervan en zonder het te beseffen namen we die jaren afscheid van “Ons Rijk Geloof” en de “triomfalistische kerk” die we als kind en jongere gekend hadden. Het gaf een geweldig gevoel van verademing maar wij jongeren beseften niet dat we dreigden de poten onder de stoel weg te zagen zodat we zouden in zakken.

 

22 jaar Mol

Toen ik in 1963 als onderpastoor terecht kwam in Mol was het de taak om wat het concilie beslist had door te voeren in de liturgie en de kerkstructuren.

Ook in het morele denken brak een revolutie door: Het belang van het individu en van het persoonlijk geweten traden naar voor en deden de mensen op een persoonlijke manier beslissingen nemen op huwelijks gebied en gezinsplanning.

Een van mijn beste vrienden was een jonge genycoloog. Jaren hebben we samen gewerkt rond gezinsplanning en verloofdenwerking. In de geest van het concilie gingen we nieuwe wegen en toen Paulus VI met de encycliek Humanae Vitae een halt probeerde toe te roepen in verband met contraceptie en de pil waren wij verbolgen. Drie weken na elkaar preekte ik rond deze brief en de afwijkende meningen die wij hadden…. en ook de bisschoppen. Het betekende een eerst crisis in mijn kerkervaring. In die j            aren zijn ook vele van mijn collega’s uitgetreden en gehuwd. Ook dat liet je niet onverschillig. Wie had gelijk: zij die gingen of zij die bleven? Wat was de toekomst?

Goede vrienden hebben mij in die tijd door die crisis geholpen…… soms door mij te zeggen dat ik “ongelijk had” met wat ik dacht of deed.

22 jaar was ik in Mol in de hoofdparochie, (8000) 15 jaar als onderpastoor – 7 jaar als pastoor.

In 1963 waren wij vooral sociale wrekers: vrijgesteld om bezig te zijn met de jeugd en de kinderen.

Boeiende tijd: opkomst van nieuwe vormen van de catechese: van catechismus naar gezinscatechese. Opkomst van de jeugdclubs en de gemengde ontspanning.

Opkomst van de jeugdmissen met slagwerk en gitaar. Ook de actie 11-11-11 en de vredeseilanden bloeiden open. We hebben het allemaal meegemaakt, meegedaan. Voor vele jongeren en kinderen heeft het hun leven getekend.

Ook in het sociale leven werden nieuwe wegen gezocht. Progressieve Frontvorming tussen christenen en socialisten.

En toch was er een grote pijn: de kerk en vooral de kerk op zondag liep stilaan leeg. Van 3500 kerkgangers in 1963 – naar 1000 in 1985.

 

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug in Hoogstraten

 

In 1985 kwam ik naar Hoogstraten. Na 22 jaar een nieuwe uitdaging!.... misschien niet slecht. 14 jaar in Hoogstraten. het was boeiend. Ik kon weer eens opnieuw beginnen: nieuwe accenten leggen en onbevooroordeeld naar mensen gaan. Ik kon er rekenen op veel medewerking van jongeren en ouderen en liturgie vieren in de St.-Catharinakerk was een verademing. Ook daar zag ik het aantal kerkgangers verminderen van 12000 naar 700…. ondanks alle inspanningen en de mooie koren.

Als deken moest ik meer en meer bezig zijn met structuren en nieuwe verbanden… meer werk met steeds minder krachten. Ik geraakte wat uitgekeken op al dat structureel bezig zijn en stelde mij vragen of zo’n overlevingspastoraal wel zinvol was. Zijn de vragen van de kerk wel de vragen van de mensen en zijn de vragen van de mensen wel de vragen van de kerk?

Ondertussen ging ik naar de 65 en soms moet je luisteren naar je lichaam en de signalen van “Broeder ezel”.

Zo besloot ik wat af et bouwen om vanuit een nieuw engagement in Wortel bezielend aanwezig te zijn in de kerk.

 

10 jaar Wortel

Wortel, een kleine parochie met een bloeiend gemeenschapsleven. “Een postman die 20 jaar in Wortel werkte zei mij na de mis: “Meneer pastoor, in Wortel wonen zoveel goede mensen: ik begrijp niet dat er zo weinig naar de kerk komen!”

Inderdaad, de kerk is niet meer “Het huis van vertrouwen” voor de meeste mensen. Voor velen is de kerk als een ziekenhuis: het moet er zijn, maar je blijft er zo lang mogelijk weg.

Toch is er nog een grote groep mensen die trouw blijven aan hun kerk en zich ook actief inzetten om onze kerk te maken tot een thuis voor jong en oud. Zij zorgen ervoor dat de gelegenheidskerkgangers een thuis vinden wanneer ze eens bij gelegenheid komen. We hopen dat ze dit volhouden.

In Wortel heb ik het minder druk. Het geeft mij de gelegenheid om stil te staan bij bepaalde vragen. Moet de kerk zich aanpassen aan de moderne tijd? Wordt ze dan niet even vlak en grijs als de samenleving?

Zal het evangelie – en ook de kerk -  niet altijd wat tegendraads moeten zijn in een samenleving die vooral moderne afgoden dient. Dingen zijn niet goed omdat ze modern zijn en goede dingen blijven goed ook al zijn ze niet modern.

Verdienen onze kinderen en jongeren niet meer dan het Burgerlijk fatsoen dat hen vaak wordt voorgehouden?

Zullen zij door het leven geraken zonder diepere inspiratie en motivatie?

Ik denk dat we in en buiten de kerk moeten zoeken naar de binnenkant van de dingen, naar het mysterie van het bestaan, naar het geheim van het geloof. Als christenen hebben wij hier een voortrekkersrol te spelen.

Daarnaast moeten wij ook dicht staan bij het geheim van elke mens. God mag ons niet vervreemden van de mens. Integendeel: Wie in het hart van God staat, zal met het hart van God bij de mensen staan. Want God is het geheim van alle dingen, ook van alle mensen.

Mijn 45 jaar priester zijn valt samen met het jaar van de verkondiging. Toevallig, maar voor mij zinvol.

 

Verkondigen: Is niet van de daken schreeuwen

                        Is niet alleen vanop de preekstoel toespreken

                        Is luisteren naar wat God je zegt in je diepste binnenste

                        Is proberen te delen wat je zelf hebt ontvangen

                        Is luisteren en mensen helpen te ontdekken en te verwoorden wat God spreekt

                        bij hun hart en hun leven

                        Verkondigen is luisteren naar “The call forwards van het leven en de The call

                        afterwards van de bijbel want het leven moet “voorwaarts” geleefd worden en

                        wordt vaak “achterwaarts begrepen”.

 

Terug naar boven 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Homilie 40 jaar priester

Goede vrienden, 

Ik mag vandaag het chique gewaad dragen van de graaf Antoon De Lalaing en dat weegt zo nogal. Daarmee voel ik me zo’n beetje gewichtig en ik had een nieuw hemd gekocht dat een maat te groot was maar ik heb schrik dat het nog te klein gaat worden, dat ik een dikke nek ga krijgen van al dat goudbrokaat dat ik hier om mij heen heb. Maar toch ga ik proberen om maar gewoon mezelf te zijn.

Wellicht zijn er velen onder u hier vandaag samen met een dubbel gevoel, een gevoel van vreugde om 40 jaar priesterschap, maar ook wellicht sommigen met een gevoel van spijt om het afscheid na 13 jaar pastoor-deken. Ook voor mij is dat zo. Ik denk dat dat goed is, met een lach en een traan hier samen te zijn.

Khalil Gibran zegt: “Je weent om wat je vreugde schonk, enkel wat je smart en pijn gekost heeft brengt je diepe vreugde.” Moesten wij 13 jaar oppervlakkig naast elkaar geleefd hebben dan zouden wij nu geen pijn ervaren. Maar dan zou er ook vandaag geen diepe vreugde te delen zijn. Daarom is het goed dat beiden hier aanwezig zijn in ons hart. Het zegt ons dat wij een diepe rijkdom heb gedeeld met elkaar. Ik dank jullie dat ik zo in jullie leven, in jullie gezin en in deze gemeenschap mocht binnen komen. Zo heb ik heel veel mogen ontvangen en heb ik ook iets van mezelf kunnen geven. Vandaag ben ik 40 jaar priester.

Inderdaad, op 31 augustus van het expo jaar 1958 werd ik priester gewijd. 40 een bijzonder getal in de Bijbel. Het geeft de tijd aan die nodig is om te rijpen, om tot de volheid van iets te komen. We zeggen ook wel eens, het leven begint met 40 jaar. Dit wil zeggen je hebt 40 jaar nodig om tot de volheid van het mens-zijn te groeien, dan werd je vier-man bij de Romeinen. Koning David was 40 jaar koning, dat wil zeggen: hij heeft de volheid van het koningschap bereikt. Saul was maar 20 jaar koning en hij kende maar de helft van schoon weer. En 40 jaar lang trokken de Israëlieten door de woestijn. Wie 40 jaar lang het woestijnleven heeft geproefd, weet wat het is bloot gesteld te zijn aan ontbering en beproeving, is ook beproefd in zijn eigen trouw. Toen was het rijp om het beloofde land in te trekken.

Wie 40 jaar priester is, is naar Bijbelse opvatting gerijpt in het priesterschap. Hij kent het niet alleen van buiten, maar ook van binnen. Hij kent ervan de vreugd en de pijn, de rust en de strijd. Wanneer ik terug kijk op die 40 jaar dan voel ik mij vooral dankbaar dat ik een stukje tot die Bijbelse voldragenheid van het getal 40 ben mogen groeien. Dankbaarheid tegenover God maar ook tegenover zoveel mensen die mij al die jaren mee hebben gedragen.

Met de expo in Brussel begon de nieuwe tijd werd ons gezegd op het Seminarie. Want de wereld werd plots een dorp. In die nieuwe wereld zijn wij priester geworden. Dat het ook een tijd zou zijn van zoveel verandering en uitdagingen, konden wij niet vermoeden. Het werd dan ook een tijd van voortdurend opnieuw durven geloven in de betekenis van het priester-zijn. Aan de lijve ondervind je dan wat geloven is. Geloven hoorde we in de 1ste lezing is zeker zijn van de dingen waarop je hoopt: er van overtuigd zijn dat wat je niet ziet, toch bestaat. Niet omdat je de toekomst ziet, maar omdat je in jezelf die voortdurende uitnodiging beluistert naar het schone, het goede, naar harmonie en eenheid. Dat is voor mij God. Niet God in de hemel, maar God in ons leven, in mijn leven. God als een lokstem naar het goede, het schone, de toekomst. God als de grote metgezel in het leven, die met je strijdt, met je lijdt, met je weent en met je droomt, die je voortdurend zegt: er is meer mogelijk dan nu gebeurt. Maar je ziet het niet, je moet het hopen. Ik ben de laatste dagen heel wat mensen gaan bezoeken: zieken, mensen die heel wat meemaakten in hun leven. Ik ben hun gaan bedanken dat ik bij hen mocht komen. Want vooral in hun levenswijze voelde ik iets van deze aanwezige God, en vond ik steun om te blijven vasthouden aan die droom.

Na 40 jaar ben je niet minder priester maar anders priester. Als ik bij mijn eigen leven stil sta, dan zie ik dat je lange tijd je priesterschap beleeft als een soort morele opdracht, een opdracht die vooral bestaat in het van alles doen voor God en voor de mensen. Je priester zijn heeft te maken met presteren, men gedraagt zich als dienaars van de Heer, goede beheerders van wat je is toevertrouwd. De laatste jaren begin ik te vermoeden dat er ook een andere belevingsvorm van dat priester-zijn mogelijk is. Een waarin het spirituele het mystieke meer op de voorgrond treedt. Een fase waarin het moge toebehoren aan God en de mensen, het mogen verbonden zijn met, belangrijker wordt dan het doen. Ik heb de indruk dat ook getrouwden iets dergelijks meemaken. Na de fase van samen het werken aan het huis, het gezin, de toekomst van de kinderen, de fase van de morele opdracht zouden we kunnen zeggen, komt er een nieuwe fase waarin het samen zijn  meer op de voorgrond treedt. We hebben elkaar nodig. Laat ons van dat samen zijn genieten. Wat minder met structuren bezig zijn als priester, maar er meer zijn voor de mensen. Er zijn bij de mensen, dat hoop ik.

Ten derde, het PT vond dat het evangelie van deze zondag niet paste bij deze viering. Maar omdat de kardinaal zegt dat wij niet à la carte christenen zijn maar elke zondag het menu aangeboden krijgen dat voor God voor deze tijd past, vroeg ik toch het evangelie te behouden.

De eerste en de laatste zin trof mij: “De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten. Al wie zich verheft, zal vernederd worden en al wie zich vernedert, zal verheven worden.” Voor mij betekent dat: God keert de wereld om. God schijnt voorkeur te hebben voor dat wat achteraan komt, wat klein en onaanzienlijk is. We vinden dat dikwijls terug in de Bijbel. Niet het offer van Kaïn, de oudste, behaagde God, maar het offer van Abel, de jongste. Niet Jacob, de oudste, kreeg de belofte maar Esau, de jongste. Niet de oudste en de sterke zoon van Jacob Eliab werd uitgekozen om koning te worden, maar David, de kleinste, ne rossekop met sproeten die werd gekozen door God. En niet uit mensen van aanzien maar uit eenvoudige mensen wordt de Messias geboren. Inderdaad de laatsten zijn bij God vaak de eersten. En voor mij betekent dat dat wij moeten zorgen dat wij in onze kerk en ook in onze maatschappij de kleinste, de zwakste, niet uit het oog verliezen. 

Bevraag je leven, je werk, je kerk-zijn vanuit hen. Probeer ook geen catacombe kerk te zijn maar een priesterkerk die naar buiten treedt en een taal spreekt die iedereen verstaat. Augustinus schreef: “Er zijn velen binnen de kerk die er eigenlijk buiten staan, en er zijn vele buitenstaanders die er eigenlijk binnen zijn.” Het geloof houdt niet op aan de muren van de kerk. Het begint ook niet altijd aan de muren van de kerk, maar is veel ruimer. Er zijn veel buitenstaanders die er eigenlijk binnenstaan. Dat zijn ook de eersten en de laatsten. Ook daarvoor moeten wij priester zijn, op weg gaan, het niet afschrijven. Wanneer ik naar Wortel ga, is dat niet met de bedoeling mij knusjes op te sluiten, maar ik zou willen priester zijn in die twee betekenissen: meer van binnenuit, vanuit de diepte bij de mensen zijn en ook in de ruimere betekenis, ruim en openstaan voor geloven binnen de kerk maar ook buiten de kerk. Amen.

Terug naar boven 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een boeiend leven  (uit Daco)

 

Loenhout en omgeving, dat was de wereld waarin Fons Van Dijck opgroeide. Thuis, op de boerderij, waren ze met zeven kinderen. Fons in de middenmoot. "Degene die ze konden missen," lacht hij. De pastoor was komen vragen of de oudste broer op school mocht naar Hoogstraten. Zijn vader zei: "Ik heb hem nodig op de boerderij. Maar er komt er misschien nog wel één die goed leert." Dat bleek Fons te zijn. Het was ook echt zijn droom om op school te mogen gaan... Toen hij elf jaar was, was het zover. De prille start van een boeiend leven, als priester nu 50 jaar op weg met mensen.

Rita Boeren

 
 

Als jongen maakte hij de tweede wereldoorlog mee. Soldaatje spelen was plezant. Maar vooral was er de angst voor beschietingen, voor de bommenwerpers, voor dieven, die gewapenderhand boerderijen overvielen,.... Eén keer moest hij samen met zijn moeder van de kerk naar huis vluchten, onderweg voortdurend schuilend, omwille van beschietingen die dichterbij kwamen. "Die vlucht, biddend, over de akkers, zal ik nooit vergeten," zegt hij. "De generaties die de oorlog meemaakten werden geconfronteerd met angst, onzekerheid, gevaar. Misschien zette dat ons aan om meer te vertrouwen op God.

 

Net na de wereldoorlog mocht hij naar Hoogstraten. Een jongensdroom werd werkelijkheid: studeren, voetballen, toneel spelen. En ook bezig zijn met mensen. Pastoor Desmedt schakelde de studenten al heel vroeg in bij allerlei taken: de bibliotheek in orde brengen, de kinderen die naar de mis kwamen leren zingen en bidden, toneel spelen of een bonte namiddag inrichten. In de vakanties moest Fons in de voormiddag op de boerderij helpen. De namiddagen mocht hij naar de KSA gaan om te oefenen voor toneel. "Eigenlijk vormden de studenten zo een eigen groep in het dorp, afgescheiden van het gros van de jeugd. We hadden onze eigen activiteiten en werden opgevoed om de leiders van morgen te zijn." Zo lag een levenskeuze voor een sociaal of geestelijk beroep voor de hand. Van zijn retorica gingen 20 van de 52 studenten priester of missionaris worden. Samen met 14 anderen ging Fons naar Mechelen.

Het seminarie was wel even aanpassen. "We kenden het strenge Hoogstraten. Nu kwamen we terecht op een plaats zonder surveillanten. In de plaats was er het dagelijks gewetensonderzoek in de kapel. Tussendoor moest je vrijwillig je culpa gaan uitspreken bij de directeur. Zo moest je leren je eigen stuurman te zijn. Tussentijds was er 18 maanden legerdienst. "Dat was een verpozing, die ons opnieuw dichter bij het burgerleven bracht. Voor een aantal seminaristen werd dat ook een sprong in het burgerleven."

Zijn priesterwijding, één van de 77 dat jaar, op 31 augustus 1958, "was een ‘tremendum fascinosum. Ik was tegelijk benauwd en geboeid. Ik vroeg me af: ga ik dat kunnen? Ga ik het volhouden? Naast de aarzeling, was er ook de steun van jaargenoten, van je familie, de geloofsgemeenschap thuis. Zeker bij de eremis was dat heel voelbaar."

 

De pasgewijde priester werd leraar in Hoogstraten. Jef Bogaerts, een priester uit Loenhout, zei: "Je moet niet direct naar een parochie gaan. Je kan beter een jaar of vijf leraar zijn. Dan heb je tijd om te leren zelfstandig te zijn." Fons voegt toe: "Ik heb die raad ingevolgd. Het bleek een boeiende tijd, met veel priestercollega’s, drukke bezigheid in een school, die begon met een externaat en die het internaat radicaal omvormde. Er werd overgestapt naar een werking in leefgroepen, naargelang de leeftijd. Ik was verantwoordelijk voor zo’n groep. Daarbuiten gaf ik nog 12 uur les. In de lagere school kwam ik een half uur per week in alle klassen, niet meer om de strenge surveillant te zijn. Je mocht al iets meer pastor-zijn."

Ook in de kerk veranderde in die jaren heel veel. Er kwam een nieuwe paus: Johannes XXIII. En er brak een kritische periode los. Wat onderhuids leefde, werd nu openlijk gezegd. "De kerk bij de tijd brengen," dat was de leuze. "En daar genoten we van. Zonder het te beseffen namen we toen afscheid van de triomfalistische kerk, van het Rijke Roomse Leven, dat we als kind gekend hadden. Alles moest anders. Het was ook maar goed, als het anders werd. Misschien hebben we toen toch wat teveel poten onder de stoel uitgezaagd," overweegt Fons Van Dijck.

 

In 1963 werd hij onderpastoor te Mol. "Volgens bisschop Daem kon zo’n grote parochie een jong paard gebruiken. Zelf hoopte ik op een kleine parochie. Achteraf was ik blij dat ik niet mocht kiezen. Want ik heb in Mol ontzettend veel geleerd. Dat zou nooit het geval geweest zijn in een kleine parochie."

"In Mol brachten we de beslissingen van het tweede Vaticaans Concilie tot uitvoering: het altaar moest worden omgedraaid, de nieuwe liturgie werd ingevoerd,..." De jaren ‘60 kenden ook grote maatschappelijke verschuivingen, met een toenemend belang van het individu en het persoonlijke geweten. Fons Van Dijck werkte voor de verloofdenwerking nauw samen met een jonge gynaecoloog. Samen gingen ze, in de geest van het concilie, ook daarin nieuwe wegen. "Toen Paulus VI met de encycliek Humanae Vitae een halt toe wilde roepen aan contraceptie, waren wij verbolgen. Drie weken na mekaar preekte ik rond de afwijkende mening die wij hadden, en ook de bisschoppen. Voor mij was het een eerste crisis in mijn kerkervaring."

 

In die jaren traden ook vele priesters uit. Fons vertelt dat van zijn jaar er meer dan 20 zijn uitgetreden. Maar ze lieten mekaar niet los. "Mijn beste vrienden zijn uitgetreden priesters. Voor onze jaarvergadering komen we nog altijd met z’n allen en ook met de vrouwen samen. "Ik vind dat wij in het oog van de storm hebben gestaan. Van het concilie en de hele nawerking dragen wij allemaal de sporen. Sommigen maakten een andere levenskeuze. Ooit was er een kerkleraar die zei: "Er zijn christenen buiten de kerk, die meer in de kerk staan en er zijn christenen in de kerk die meer buiten de kerk staan." Dat hou ik me altijd voor ogen. Er zijn priesters die in de kerk gebleven zijn, maar er meer buiten staan. En er zijn priesters die uit de kerk getreden zijn, die er eigenlijk meer instaan. Dat besef maakt mij schroomvol. Ik ben nu wel 50 jaar priester, maar dat is zeker geen triomf."

"Sommigen dachten toen ook dat het afschaffen van het celibaat even vlot zou gaan als het omkeren van het altaar in de kerken. Ondertussen zijn er zoveel jaar overheen gegaan en zitten we nog met die problematiek." Zelf is hij zijn goede vrienden dankbaar die hem in die woelige tijden geholpen hebben. "Soms ook door mij te zeggen dat ik ongelijk had. Je beste vrienden zijn niet diegenen die je altijd gelijk geven, maar soms degenen die je durven zeggen dat je ongelijk hebt. Mijn priesterjubileum zie ik als een kans om iedereen te danken die mij geholpen heeft om priester te worden, priester te blijven én priester te zijn."

 

In Mol bleef hij 22 jaar actief, waarvan 7 jaar als pastoor. "In 1963 waren wij nog vooral sociale werkers, vrijgesteld om bezig te zijn met de jeugd, om de kas bij te houden, administratie te doen, ... We maakten de komst mee van een nieuwe vorm van catechese. Er kwamen jeugdclubs en jeugdmissen met slagwerk en gitaar. Acties als 11-11-11 en Vredeseilanden bloeiden open. We hebben het allemaal meegemaakt en meegedaan. Al blijft er vandaag op het eerste zicht weinig van over, toch heeft dit kerk-zijn mensen ook echt gevormd."

In het sociale leven werden ook nieuwe wegen gezocht. "Ik was verantwoordelijk voor de arbeidersorganisaties. De progressieve frontvorming tussen christenen en socialisten stond hoog op de agenda. We hebben daar verregaande gesprekken over gehad. Maar politiek draaide het uiteindelijk toch anders uit."

De hele periode van verandering, nam niet weg dat er geleidelijk aan ook een pijn ontstond. "De kerk, vooral op zondag, liep stilaan leeg, ondanks de vele mooie en schone dingen. In Mol zakte het aantal kerkgangers van 3.500 in 1963 naar 1000 in 1985."

 

"In 1985 ging ik naar Hoogstraten. Een nieuwe uitdaging. Je kon eens andere accenten leggen, opnieuw onbevooroordeeld naar mensen gaan. Hoogstraten is een boeiende parochie, een prachtige kerk en veel medewerkers. Als deken moest ik vooral de pastoraal structureren. dat deden we. De bisschop kwam eens een hele dag op bezoek en was verbaasd over het ruime gamma, parochieteams, raden, werkgroepen, organisaties en gebuurtes die er werkten in het decanaat. Misschien hadden we wel te veel dingen uitgebouwd, want ondertussen verminderden de werkkrachten en vroeg je je af of zo’n overlevingspastoraal wel zinvol was en of de vragen van de kerk wel de vragen van de mensen waren.

Ondertussen ging ik naar de 65 en soms moet je luisteren naar je lichaam en de signalen van “Broeder ezel”. Zo besloot ik af te bouwen en ik ging een nieuw engagement aan in Wortel. Wortel, een kleine gemeenschap, veel natuur waarin ik elke morgen ga wandelen. Een bloeiende gemeenschap, maar een wat verkommerde kerk. Ze is niet meer het huis van vertrouwen voor de meeste mensen. Voor veel mensen is de kerk als een ziekenhuis: het moet er zij, maar je blijft er het best zo lang mogelijk weg. En als je ’t nodig hebt, verwacht je de beste service. Gelukkig zijn er ook mensen die trouw blijven, zich actief inzetten zodat ook gelegenheidskerkgangers bij de kerk een thuis kunnen vinden. Ik hoop dat deze mensen het volhouden."

 

"Ik vraag me ook af of de kerk zich verder moet aanpassen aan de tijd. Misschien moet het evangelie - en de kerk- tegendraads durven zijn. En verdienen onze kinderen en jongeren niet méér dan het "geloof-als-burgerlijk-fatsoen", dat hen nu vaak wordt voorgehouden? Ik denk dat we meer moeten zoeken naar de binnenkant van de dingen, naar het mysterie van het bestaan. Dat kunnen christenen tonen. Dat zal ons niet vervreemden van mensen. Integendeel. Ik geloof dat wie in het hart van God staat, ook met het hart van God bij de mensen staat. Ik vind dat we een grote taak hebben om mensen te helpen ontdekken hoe God spreekt in hun leven."

 

Zelf heeft hij doorheen de jaren heel veel gehad aan een aantal bijzondere boeken, naast de bijbel. Hij haalt ze er meteen bij. Van A.T. Robinson God alles in alles leerde hij op een moderne manier de theologie denken. Aan Martin Bubers "Ik en gij" dankt hij het inzicht in het belang van relaties. "Dat Onze Lieve Heer mens is geworden, toont mij dat wij Gods liefde ook mogen voelen in mensen. Priesters hebben echt nood aan een goede relatie in hun leven. Dat is heel belangrijk, zowel om je eigen roeping te volgen als om verbonden te blijven met mensen. En dankzij het boek van Lohfink "Heeft God de kerk nodig?" kreeg de kerk voor mij diepere wortels. Ik heb met de kerk als structuur best wel problemen. Dit boek deed me meer inzien dat ook de kerk een binnenkant heeft."

 

Zou hij het jonge mannen vandaag aanraden om priester te worden? "Soms vragen jongeren me of ik vandaag ook nog voor priester zou kiezen. Daar kan ik niet op antwoorden. Maar ik vind het nog zinvol en ik doe het nog altijd graag. Het werk, het bezig-zijn met de mensen, het feit dat mensen je in vertrouwen kunnen nemen en dat je hen zo kan helpen, dat je er voor hen mag zijn, vind ik heel belangrijk. En dat je met hen mee mag zoeken naar de zin van wat er allemaal gebeurt, zonder zelf alle antwoorden te hebben, natuurlijk. Ook bidden, bewust leven, meer met de kern bezig zijn, als pelgrim onderweg zijn, zelf ‘enthousiast’ blijven leven en dat ook kunnen tonen aan mensen, dat alles is veel belangrijker geworden. Ik zou het wel graag hebben, dat jonge mensen vandaag ook nog die keuze maken. Maar ik zou het hen met schroom - benauwd en boeiend - aanbevelen. Want het is zeker niet gemakkelijk. Maar ik geloof wel dat er nog priesters zullen komen."

 

"Binnenkort ga ik het in Lourdes allemaal aan O.L. Vrouw toevertrouwen."

 

 

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gouden Priesterjubileum 31 augustus 2008.

 

 

Op het kaftje staan vier torens. Ze verwijzen naar de vier plaatsen waar mijn levensverhaal zich heeft afgespeeld en waar ik vele mensen heb ontmoet die ik vandaag wil danken. Kerktorens zijn gebouwd temidden van de mensenwereld maar wijzen ook naar boven, naar die andere wereld. Naar beiden gaat mijn dank.

 

Loenhout zou ik willen noemen mijn “bakermat”. Daar begon het allemaal, midden het gezin van ouders broers en zusters. Ik heb ze hier vooraan geplaatst. Ze staan vooraan in mijn dank. Thuis heb ik zien werken en zorgzaam omgaan met het leven. Ook al werkte ik niet graag op de boerderij, dat werken bij het leven hoorde wist ik wel en dat je ’t niet moet doen voor de parade hadden de ouders voorgedaan “stilletjes verder doen”, daarmee kom je vooruit.

Onder de toren van Loenhout heb ik het geloof leren beleven in het naar de kerk gaan, maar ook in het samenzijn met leeftijdsgenoten in de KSA en de sociale inzet voor de kinderen. Studeren was in die tijd niet voor iedereen weggelegd en studenten vormden een groep apart. Vooral tijdens de vakanties. Ze moesten zich klaarmaken voor de taak van morgen.

Vandaag wil ik Loenhout danken, en dankbaar gedenken de priesters, leerkrachten, familieleden die voor mij waren “als een mantel om mij heengeslagen”.

“Onder die toren, werd ik geboren,

Het is zo fijn er als vrienden saam te zijn”.

 

De tweede toren die ik wil bezingen is die van Mol. St. Pieter en Pauwel. Mol zou ik willen noemen: mijn eerste liefde!

Je eerste liefde vergeet je nooit, want daaraan heb je een stuk van je hart verloren. Het was met een klein hartje dat ik er in 1963 naartoe trok, maar ik was vast besloten ervoor te gaan.

In Mol heb ik veel geleerd en aan Mol heb ik veel te danken. Van het kleine boerendorpje, waar je op je twee handen kon tellen wie er ’s zondags niet naar de kerk ging kwam ik terecht in een dorp met een stadsmentaliteit, dat openbarstte op alle gebied door de komst van het Atoomcentrum en zijn vele buitenlandse onderzoekers, technici en kaderleden. Velen woonden in het centrum. Ze deden de middenstand opbloeien, de huurprijzen de hoogte ingaan. De wereld van andersdenkenden was plotseling overal om mij heen. Mijn eerste huisbezoeken zouden gebeuren op de Rozenberg waar ook het Volkshuis was en de jaarlijkse lichtstoet uittrok.

Je bent jong en je wil wat en in Mol was heel wat te doen. Kajotters en’t Zolderke, de Scouts, Jeugdhuis De Riborn, de jongerenkerk in Ginderbuiten en Mol centrum, de gemeentelijk jeugdraad. Het draaide allemaal om de jeugd. Je was sociaal werker en priester tegelijk. Dankbaar ben ik de vele jonge mensen die ik daar heb mogen ontmoeten, ze hebben mij geholpen priester te worden en te zijn. Het was de tijd van het Concilie, de nieuwe wind in de kerk. Onze verwachtingen waren hoog gespannen. De kerk bij de tijd brengen; dialoog en openheid klonk het overal. Dat er ondertussen een bepaalde kerk aan ’t verdwijnen was: het rijke Roomse leven was ons geen zorg. Maar dat er niet automatisch een nieuw succesrijk vervolgverhaal zou komen hadden we niet verwacht. En zo kwamen we in een crisistijd en een crisisperiode die tot vandaag voortduurt. En ook als priester moest je de woestijn in en zoeken dat je staande bleef en je eerste vuur niet liet doven. Ook dat heb ik meegemaakt en ik ben blij en dankbaar dat er in die tijd mensen waren die ik als loods op mijn schip kon nemen om de gevaarlijke vaargeulen door te geraken en veilig de haven te bereiken. Aan alle mensen van toen mijn dank. Moge het geloof in Mol vast en mooi zijn als het nieuwe altaar in de kerk.

 

De toren van Hoogstraten moet ik niet aanwijzen, zelfs al is hij maar even hoog getekend, toch valt hij op. Hoogstraten zou ik willen noemen mijn “Hoogland”. De plaats waar wijdse dromen groeiden. Dat gebeurde natuurlijk op ’t Seminarie, waar 7 jaar internaat ouwe stijl je karakter vormde, je verstand ontwikkelde en je hart opende voor grootse idealen. Dromen van Hooglanden: we leerden het in de Engelse les bij de Romantiekers Kaets en Robert Burms:

My heart’s in the Highlands, my heart is not here

My heart’s in the Highlands, a chasing the deer.

Mijn hart is in het Hoogland, mijn hart is niet hier

Leven in hogere sferen:

Het bezinningsboekje Hoogland van de Jezuïeten moest het voeden.

Geen wonder dat wij op de dag dat de grote poorten van het seminarie voorgoed opengingen, wij de wereld introkken met ons lijflied “Breed zwaait de poort van het leven, een krachtige jeugd treedt aan om eens als leek of als priester in dienst van ons volk te staan” Voor mij werd het als priester en het volk werd in 58 de klein koer van ’t Seminarie. Boeiende tijd waarin het Seminarie van “Monolitisch opvoedingssysteem” omgevormd werd tot leeftijdsgroepen en naast het internaat het externaat startte.

In 85 kwam ik terug naar Hoogstraten in de schaduw van de toren wonen en onder de gewelven van de St. Katharina liturgie vieren en de boodschap verkondigen ondersteund door het rijke koorleven van Hoogstraten, dat weleens het Mekka van de kerkmuziek werd genoemd. Hoogstraten, mijn Hoogland, deed mij over de grenzen kijken en werken in de dekenij met zijn acht parochies, de H. Bloedprocessie, de radio en tv missen die tot ver van hier mensen bereikten. Het waren zovele kansen om het goede nieuws uit te dragen, maar ook dicht bij huis in de Plusserswerking en de Mouterij moest er iets van evangelische bezieling zijn. Onnoemelijk zijn de vele medewerkers die ik op al die wegen mocht ontmoeten en die ik vandaag dankbaar meedraag voor de Heer. Maar ik wil ook bidden dat we samen met de vele jonge en talentvolle mensen den tweeden adem mogen vinden om te durven opkomen niet alleen voor het monument St Katharina, maar ook voor de levende gemeenschap in St. Katharina.

 

Wortel, de 4de toren zou ik willen noemen mijn “Stiltegebied”. Je kent ze wellicht: de blauw witte platen met een tentje en 3 witte wolkjes met de woorden “Stiltegebied”. Soms aangevuld met het plaatje “verboden te crossen”. Dat is Wortel voor mij: elke morgen ga ik er bezinnend wandelen, kijken en luisteren en bewust de dag ingaan tussen de kleine gemeenschap van Wortel. Een kleine gemeenschap met heel wat troeven. Een kapelanie, een jeugdtempel ’t Slot, vier kerststallen, Pinkstertocht, een carnavalstoet een Landlopersjogging. Zelfs een ploeg grote misdienaars. Een verenigingsleven dat klaar staat om de nodige vernieuwingswerken aan de parochiezaal aan te vatten, en een website om het je te laten zien. Met dit alles is het moeilijk bescheiden te blijven. Maar ’s zondags zit hier slechts een klein groepje mensen in de kerk en moet ik mijn bijbelsgeloof bovenhalen: de bijbel die zegt: in crisistijd begint God altijd concreet, hier en nu, altijd klein, en met de eenvoudigen en de kleinen.

Vanuit mijn stiltegebied probeer ik af en toe iets inspirerend te vertellen voor het parochieblad of op de website die anderen verzorgen. Het is een zegen zo elke dag te mogen beginnen in mijn stiltegebied terwijl je in de verte de “ zotte morgen” van Jeff Vanuytsel hoort razen. Zo begin ik elke dag bewust vanuit de stilte en de adem van Gods natuur en wandel ik de nieuwe dag tegemoet.

 

Goede vrienden wanneer ik vandaag de lof mag zingen van de vier torens dan denk ik aan jullie en vele anderen die mij hielpen priester te worden, te blijven en te zijn.

In ’t bijzonder wil ik hier denken aan de mensen die ervoor zorgden dat ik op al die plaatsen een thuis vond. Mijn ouders en allen die zorgden dat ik altijd een rustpunt vond in het drukke leven, een luisterend oor en een bevestigende ondersteuning.

 

Met de woorden van de lezingen wil ik besluiten

Gij zijt het licht van de wereld

Gij zijt de stad op de berg

Gij zijt het zout der aarde

dat zegt hij tot de vier kerken die ik bezongen heb.

dat zegt hij tot ieder van ons die tot de kerk behoren

Vul je geest door gebed en bezinning met Gods grote droom die Hij door ons tot stand wil brengen

Vul je hart met de warme liefde van de Heer, met zijn Woord en brood en laat ze uitstralen in de vele talenten die je gegeven zijn.

 

Open je wil voor het vuur van de Geest, de adem van God die je voortstuwt tot mensen van hoop een tegenstroom, de wereld in. Dan ben je niet langer brokstukken van een afbrokkelende meerderheidskerk maar levende bouwstenen van het nieuwe bouwwerk,  de stad op de berg, waarvan God de bouwheer is, Jezus het levend model en de Geest de bezielende kracht.

 

Terug naar boven